Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.6.2
II.5.6.2 Te onderscheiden vormen van testamentair bewind
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623682:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Breemhaar 1992, nr. 261; F. Schols 2004, p. 16 e.v.; Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 448; Klaassen/Luijten & Meijer 2008 (II), nr. 396 e.v.; B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 570; Asser/ Perrick 2013 (4), nr. 710. Zie over testamentair bewind in het algemeen Van der Ploeg 1945; Breemhaar 1992, nr. 259 e.v.; Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 445 e.v.; Klaassen/Luijten & Meijer 2008 (II), nr. 392 e.v.; B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 567 e.v.; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 706 e.v. Anders dan executele hoeft een legitimaris in beginsel een testamentair bewind op zijn verkrijging niet te dulden (art. 4:72 en 4:73 BW). Dit is slechts anders indien het bewind is ingesteld omdat: a) de legitimaris ongeschikt of onmachtig is in het beheer te voorzien, of b) zonder bewind de goederen hoofdzakelijk diens schuldeisers zouden ten goede komen. Zie art. 4:75 BW, evenals B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 582-583.
TM Boek 4 BW, p. 350.
Hierover uitgebreider B. Schols 2007a, p. 407 e.v.; zie ook B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 548549; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 745.
Zo ook Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 13 (NW2), Parl Gesch. Inv. p. 2079.
Breemhaar 1992, nr. 262; Pitlo/Van der Burght & Ebben 2004, nr. 448; Klaassen/Luijten & Meijer 2008 (II), nr. 396 e.v.; B. Schols, Handboek Erfrecht 2011, p. 570-571; Asser/Perrick 2013 (4), nr. 710. Zie ook Kamerstukken II 1991/92, 17141, 9, p. 12 (NW2), Parl Gesch. Inv. p. 2078. Art. 4:155 BW luidt: ‘1. Het bewind over een erfdeel of een legaat wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van de rechthebbende, tenzij een der volgende leden van toepassing is. 2. Het bewind over een vruchtgebruik wordt vermoed zowel in het belang van de vruchtgebruiker als van de hoofdgerechtigde te zijn ingesteld. Hetzelfde geldt voor het bewind over de rechten van gebruik en bewoning. 3. Het bewind over een voorwaardelijke making wordt vermoed te zijn ingesteld in het belang van zowel degene die het goed bij vervulling der voorwaarde verkrijgt, als van degene die het alsdan verliest. 4. Het bewind over goederen of aandelen in goederen die gemeenschappelijk beheerd dienen te worden, wordt vermoed te zijn ingesteld in een gemeenschappelijk belang (curs. NB).’
Het testamentair bewind kan aan de hand van de strekking van het bewind, worden ingedeeld in verschillende soorten:1
Het testamentair beschermingsbewind dat is ingesteld ten behoeve van de rechthebbende. De strekking van dit bewind is ‘een persoon die niet geschikt is om goederen te beheren of die spilziek is of met schulden overbelast tegen zichzelf of tegen zijn schuldeiser te beschermen.’2
Het conflictbewind dat is ingesteld ten behoeve van een ander dan de rechthebbende. Hierbij kan worden gedacht aan het bewind dat is ingesteld over een vruchtgebruik of tweetrapsmaking. Bij de onder bewind staande goederen is dan (ook) het belang van een ander dan de rechthebbende betrokken.
Het gemeenschappelijkbelangbewind dat is ingesteld ten behoeve van een gemeenschappelijk belang. Een voorbeeld hiervan is het afwikkelingsbewind (art. 4:155 lid 4 jo. 4:171 BW).3
Een combinatie van deze te onderscheiden soorten bewindsvormen is ook mogelijk.4
De strekking van het bewind bepaalt mede de rechtsgevolgen van het bewind. Erflater dient daarom bij voorkeur de strekking van het testamentaire bewind in zijn uiterste wilsbeschikking tot uitdrukking te brengen. Bepaalt erflater niets, dan kent art. 4:155 BW een aantal wettelijke vermoedens.5