Regres bij concernfinanciering
Einde inhoudsopgave
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.2:2.5.2 Maatstaven voortvloeiend uit de wet
Regres bij concernfinanciering (VDHI nr. 156) 2019/2.5.2
2.5.2 Maatstaven voortvloeiend uit de wet
Documentgegevens:
mr. drs. C.H.A. van Oostrum, datum 01-01-2019
- Datum
01-01-2019
- Auteur
mr. drs. C.H.A. van Oostrum
- JCDI
JCDI:ADS587353:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Europees ondernemingsrecht
Verbintenissenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Art. 6:102 jo 101 BW. Van Boom 1999, p. 118.
De interne draagplicht bij hoofdelijkheid volgt krachtens art. 8:545 lid 3/1006 lid 3 BW en eveneens uit art. 8:545 lid 2/1006 lid 2 BW. Waarbij art. 8:545 lid 3/1006 lid 3 BW een lex specialis is van art. 6:10 BW en art. 6:102 BW.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De rechtsverhouding tussen hoofdelijke schuldenaren wordt gedefinieerd op grond van: de wet, een overeenkomst, of algemene beginselen. Maatstaven die voort kunnen vloeien uit de wet zijn bijvoorbeeld: causaal verband, de mate van aansprakelijkheid, draagplicht voor gelijke delen of schuld. Onderstaand wordt dit toegelicht. In § 2.5.2.1 wordt indachtig het voorgaande de draagplicht bij een mededingsrechtelijke boete in concernverband uiteengezet.
Wanneer twee of meer personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade hebben, zijn zij in hoofdelijkheid verbonden jegens de benadeelde. In dit geval wordt de interne rechtsverhouding tussen de hoofdelijke schuldenaren beheerst door art. 6:102 BW jo art. 6:101 BW. Hierbij dient de schade onderling evenredig te worden verdeeld op grond van de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Verwijtbaarheid speelt in deze afweging geen rol, het is een verdeling op grond van causaal verband. Dit maakt het mogelijk om ook kwalitatieve aansprakelijkheid te verdisconteren bij het vaststellen van de draagplicht. Deze maatstaf is de hoofdregel. Afwijkingen zijn mogelijk op grond van een rechtshandeling, de wet of een billijkheidscorrectie.1
Uit art. 6:165 lid 2 BW volgt een maatstaf voor het verdelen van de draagplicht tussen een toezichthouder en degene die aan zijn toezicht is toevertrouwd. Dit artikel is een uitwerking van art. 6:102 jo 101 BW. Stel: een persoon van veertien jaar of ouder pleegt onder invloed van een geestelijke of lichamelijke tekortkoming een onrechtmatige daad waar ook een derde (de toezichthouder) voor aansprakelijk is. Conform deze draagplichtverdeling dient de toezichthouder in de schadevergoeding bij te dragen voor het gehele bedrag van zijn aansprakelijkheid jegens de benadeelde.
Een ander voorbeeld voor een draagplichtverdeling op grond van aansprakelijkheid is te vinden in het privaatrechtelijke verzekeringsrecht. Art. 7:961 lid 3 BW regelt het onderling verhaal van verzekeraars in geval van meervoudige privaatrechtelijk schadeverzekeringen. Op dit geval zijn art. 6:6 BW en art. 6:102 BW niet van toepassing, daarom zijn de individuele verzekeraars niet in hoofdelijkheid verbonden ten aanzien van hun uitkeringsplichten. Derhalve komt art. 6:10 BW geen werking toe en voorziet art. 7:961 BW in een eigen regeling. Het uitgangspunt voor de draagplicht is het bedrag waarvoor ieder afzonderlijk kan worden aangesproken. Stel: Verzekeraar A kan worden aangesproken voor een bedrag van € 20.000 en verzekeraar B voor € 10.000. De schade bedraagt € 45.000. Dit betekent dat op grond van de draagplicht A 2/3 (€ 30.000) van de schade moet dragen en B 1/3 (€ 15.000) van de schade voor zijn rekening moet nemen.
Art. 6:166 lid 2 BW ziet toe op de individuele aansprakelijkheid van groepsleden. Stel: A, B en C hebben een bushokje ‘verbouwd’. De eigenaar van het bushokje wil zijn schade verhalen. Als hij moet aantonen wie van de groepsleden welke schade heeft veroorzaakt, dan kan dat een lastige opgave zijn. De hoofdelijke aansprakelijkheid die art. 6:166 BW veronderstelt zorgt ervoor dat de eigenaar van het bushokje de schade op ieder van de groepsleden kan verhalen. De groepsleden kunnen zich niet beroepen op een ontbrekend causaal verband in de zin van art. 6:162 BW. A, B en C moeten de schade vervolgens onderling verdelen en wel in gelijke delen, tenzij er sprake is van billijkheidscorrectie.
Bij een aanvaring tussen schepen regelen art. 8:545 lid 2 BW (zeeschip) en art. 8:1006 lid 2 BW (binnenschip) het regres tussen de aansprakelijke schepen. Hierbij wordt de omvang van de aansprakelijkheid vastgesteld evenredig aan de schuld die de betrokken schepen hebben bij de aanvaring. Indien die verhouding niet kan worden vastgesteld, of als blijkt dat de schuld van deze schepen gelijkwaardig is, geldt aansprakelijkheid voor gelijke delen.2
2.5.2.1 Draagplichtverdeling bij een mededingingsrechtelijke boete in concernverband