Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/9.4.1
9.4.1 Inleiding: de plicht tot loyaliteit
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS500870:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Touchent 2006.
Hoewel er geen jurisprudentie bestaat m.b.t. de pratique loyale' of `déloyale': Neveu 2000, p. 2112.
Touchent 2006.
'La bonne fbi peut-être définie comme 'une règle de conduite qui enige des sufets de droit une loyauté et une honnéteté exclusive de zoute intention malyeillanten Neveu 2000, p. 2112; Touchent 2006; zie ook Tallon 1994, p. 10.
De goede trouw uit art. 1134 lid 3 Cc ziet in strikte zin niet op de totstandkoming van de overeenkomst, om de simpele reden dat deze bepaling in de afdeling over de gevolgen van contracten is opgenomen: Tallon 1994, p. 3. In de jurisprudentie blijkt zij echter ook een vooraanstaande rol te spelen in de precontractuele fase: Tallon 1994, p. 7-8; Neveu 2000, p. 2112 e.v.
Cass. Com. 22 februari 2005, nr. 01-13642.
Tallon 1994, p. 10. De Franse rechter heeft uit de goede trouw tal van (accessoire) gedragsregels afgeleid: `obligation précontractuelle d'information' (Neveu 2000, p. 2112-2114), `obligation de sécurité', `obligation de renseignement' (mededelingsplicht). Deze plichten zijn verder ontwikkeld en er is in bepaalde situaties zelfs sprake van een `obligation de conseil' (bij een ongelijke verdeling van bijv. specifieke technische kennis) en een `obligation de collaboration' (Tallon 1994, p. 8). Deze ontwikkelingen zijn bekritiseerd (door hen die tegen een `moralisation du droit' en bang voor rechtsonzekerheid zijn: Neveu 2000, p. 2114) en de reikwijdte van de uit de goede trouw af te leiden plichten staat geenszins vast (geen duidelijke `Fallgruppen' naar Duits model bijv.). Of sprake is van een `obligation de collaboration' en hoe ver deze strekt is onzeker (Tallon 1994, p. 8).
Outin-Adam 2000, p. 2144 ziet een verband tussen de ontwikkeling van de geobjectiveerde `devoir de loyauté' en de toegenomen betekenis van de inhoudstoetsing (par. 4.6.2).
Touchent 2006.
Outin-Adam 2000, p. 2140.
Touchent 2006.
De ml van de loyaliteitsplicht is niet beperkt tot het verbintenissenrecht, ook in het (niet-privaatrechtelijk) consumenten- en zelfs procesrecht is zij van invloed: Outin-Adam 2000, p. 2139.
Neveu 2000, p. 2112. De vernietiging van de overeenkomst vanwege een wilsgebrek vormt dan de sanctie van de schending van een uit de goede trouw afgeleide plicht.
Wie in overeenstemming met de lange reeks in de rechtspraak ontwikkelde verplichtingen handelt, is te goeder trouw.
Raymond 2008a, nr. 20 verwijst naar een aantal praktijken op de lijst (nr. 8 en 28).
'Le niveau de compétence spécialisée et de soins dont le professionnel est raisonnablement censé faire preuve vis-á-vis du consommateur, conformément awc pratiques de marché honnétes et/ou au principe général de bonne fbi dans son domaine d'activité.'
568. Art. L.120-1lid 1 C.conso. zet art. 5 lid 1 en 2 richtlijn om en bevat zowel het inhoudelijke als het effectcriterium.
`Les pratiques commerciales déloyales sont interdites.
Une pratique commerciale est déloyale lorsqu'elle est contraire aux exigences de la diligence professionnelle et qu'elle altère, ou est susceptible d'altérer de manière substantielle, le comportement économique du consommateur normalement informé et raisonnablement attentif et avisé, à l'égard d'un bien ou d'un service.'
De richtlijn introduceert in de Code de la consommation een algemene regeling inhoudende een open oneerlijkheidsnorm. De nieuwe hoofdnorm — het verbod op `pratiques commerciales déloyales' — wordt gekoppeld aan de schending van de `devoir de loyauté', de uit de goede trouw afgeleide objectieve positieve 'hoofdplicht' tot eerlijk gedrag.1 Alvorens in te gaan op de oneerlijkheidscriteria zal deze conceptuele aansluiting met het bestaande Franse recht worden toegelicht.
569. De 'loyauté' is de formulation nouvelle d'une idée très ancienne, celle de la bonne foi' .2 De `loyauté' wordt in de Franse literatuur van oudsher gelijkgesteld aan de subjectieve goede trouw, die in de Franse literatuur meer als een moreel, dan als een juridisch concept wordt beschouwd.3 De richtlijn in het algemeen en de hoofdnorm in het bijzonder zien in deze perceptie dus in beginsel toe op eerlijk gedrag, dat vrij is van kwade intenties.4 Oneerlijke praktijken zijn praktijken waarbij de handelaar gebruikmaakt van slinks gedrag.
De subjectieve goede trouw uit art. 1134 lid 3 Cc5 en dus de `loyauté' worden echter al geruime tijd geobjectiveerd: het ontstaan in het kader van het handelsrecht van de `devoir de loyauté' is hiervan het resultaat.6 Deze geobjectiveerde plicht tot loyaliteit veronderstelt de naleving van een reeks hieronder gerangschikte, in de jurisprudentie ontwikkelde, gedragsregels (genaamd `obligation') 7 De plicht tot loyaliteit houdt in dat de partijen elkaars belangen in acht nemen.8 De inaanmerkingneming van de belangen van de consument impliceert de naleving van de eerdergenoemde `obligation'.
De loyaliteitsplicht ten aanzien van de consument kan zowel negatief als positief worden geformuleerd.9 De handelaar mag in algemene zin geen misbruik maken van de zwakkere tegenpartij door zijn sterkere positie uit te buiten. De loyaliteitsplicht gaat echter verder en zet de handelaar ook aan om de consument van informatie te voorzien. De handelaar moet niet alleen voorkomen dat de wilsvorming van de consument wordt verstoord maar er tevens actief voor zorgen dat de consument een geïnformeerde en doordachte keuze kan maken.10 Het effectcriterium van de richtlijn heeft betrekking op de schending van de negatieve plicht. De inhoudelijke criteria van de hoofd- en de subnormen zetten de positieve plicht kracht bij. Art. 7 richtlijn gaat hierin het verst. In de richtlijn zelf is echter geen positief geformuleerde (informatie)plicht opgenomen.11
570. De `devoir de loyauté' loopt als een rode draad door de hele Code de la consommation. De algemene informatieverplichting uit art. L.111-1 C.conso. is hierop gebaseerd. De `loyauté' hangt tevens nauw samen met de wilsgebrekenregeling.12 De schending van het goede trouw-beginsel en bedrog door het onthouden van informatie (de 'dol par réticence', waarmee de misleidende omissie in verband wordt gebracht) zijn medio jaren tachtig door de Cour de cassation met elkaar gelijkgesteld.13 De schending van de objectieve loyaliteitsplicht behelst echter meer dan de door de wilsgebrekenregeling gedekte gedragingen en vereist,
anders dan bij de 'dol' , niet dat er kwade intenties in het spel zijn.14 Dit laatste is in lijn met de constatering, dat de `déloyauté' uit de richtlijn ook praktijken kenmerkt, die niet als 'dol' kunnen worden aangemerkt.15 De loyaliteitsplicht heeft een overkoepelend karakter.
Een verbod op `pratiques déloyales' sluit naadloos aan bij de geschetste objectivering in het Franse recht van het uit de goede trouw afgeleide loyaliteitsbeginsel. De vraag is of deze ontwikkeling doorwerkt in de interpretatie van de professionele toewijding, waarvan de richtlijndefmitie een verwijzing naar de goede trouw bevat.16 Hierna ga ik in op de wijze waarop het professionele toewijdingscriterium uit art. L.120-1lid 1 C.conso. naar Frans recht wordt uitgelegd.