Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/11.4.2.1
11.4.2.1 Integrale benadering van de fair hearing
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940558:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 5 november 2002 (Allan), NJ 2004/262, par. 42 (zie ook de verwijzingen aldaar, met name naar het arrest Khan (EHRM 12 mei 2000 (Khan), nr. 35394/97)). Het EHRM kiest deze integrale benadering ook als de onrechtmatigheid zijn grond vindt in een rechtstreekse schending van een (andere) verdragswaarborg uit het EVRM (zie bijvoorbeeld EHRM 11 juli 2006 (Jalloh), nr. 54810/00, NJ 2007/226, par. 95).
EHRM 12 mei 2000 (Khan), nr. 35394/97, par. 38 en EHRM 5 november 2002 (Allan), nr. 48539/99, NJ 2004/262, par. 43.
Merk in dit verband het verschil op met de rechtspraak van de Hoge Raad inzake getuigenbewijs, zie paragraaf 12.3.5.
EHRM 12 mei 2000 (Khan), nr. 35394/97, par. 37.
Het algemene belang van de opsporing van strafbare feiten kan geen rechtvaardiging zijn voor een schending van het nemo tenetur-beginsel, zie paragraaf 11.2.3.4.
Vrijwel letterlijk aldus: EHRM 11 juli 2006 (Jalloh), nr. 54810/00, NJ 2007/226, par. 97.
Het EHRM ziet het niet als zijn taak om zich in principiële bewoordingen uit te spreken over de (on)rechtmatigheid van de verkrijging van bewijsmateriaal. De wijze van verkrijging weegt echter wel mee bij de integrale toets aan de overkoepelende norm van de fair hearing.1 Van essentieel belang daarbij is volgens het EHRM of het recht op een behoorlijke verdediging in voldoende mate is geëerbiedigd, in het bijzonder doordat de verdachte de invloed van de verkrijgingswijze op de betrouwbaarheid van het bewijs ter discussie heeft kunnen stellen.2 Minder van belang is de vraag of en in hoeverre er naast het onrechtmatig verkregen bewijs nog ander, wel rechtmatig verkregen (steun)bewijs voor handen is.3 Ook als het onrechtmatig verkregen bewijs het doorslaggevende of zelfs het enige bewijs is, gaat het erom of er over het geheel genomen (toch) sprake is geweest van een fair hearing.4
Uit de jurisprudentie van het EHRM leid ik af, dat het belang van de rechtmatigheid van bewijsgaring mag worden afgewogen tegen het algemene belang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten. De essentiële verdedigingsrechten van art. 6 EVRM zelf, waartoe bijvoorbeeld het nemo tenetur-beginsel behoort,5 vormen daarbij de ondergrens. Die verdedigingsrechten zijn immers onderdeel van de fair hearing.6 Door een onrechtmatige verkrijging kán het recht op een fair hearing dus zijn geschonden, maar het is geen automatisme. Dat is mede afhankelijk van de aard van de geschonden rechtsnorm, de ernst van de schending en de omstandigheden van het geval.