Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.4.1.2.2.1
3.4.1.2.2.1 Gerichtheid op vergoeding
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291162:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633, m.nt. Bijl, r.o. 11 (Polysar).
HvJ EG 20 juni 1991, zaak C-60/90, FED 1991/633, m.nt. Bijl, r.o. 11 (Polysar). Hierbij past de kanttekening dat in art. 2 lid 1, onderdelen b (intracommunautaire verwervingen van goederen) en d (invoer van goederen) Btw-richtlijn ook belastbare handelingen door niet-belastingplichtigen worden opgesomd (G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 98).
HvJ EG 1 april 1982, nr. 89/81, BNB 1982/311, m.nt. Tuk, r.o. 11 (Hong Kong Trade Development Council) en HvJ EG 26 maart 1987, nr. 235/85, FED 1987/341, m.nt. Bijl, r.o. 9 (Commissie/Nederland).
HvJ EG 13 december 2007, zaak C-408/06, V-N 2008/3.21, r.o. 18 (Götz).
A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 154.
W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 42.
HvJ EG 21 september 1988, nr. 50/87, BNB 1994/306, m.nt. Simons (Commissie/Frankrijk).
HvJ EG 14 februari 1985, nr. 268/83, BNB 1985/315, m.nt. Simons (Rompelman), HvJ EG 29 februari 1996, zaak C-110/94, V-N 1996/1396, 27 (INZO), HvJ EG 21 maart 2000, gevoegde zaken C-110/98 t/m C-147/98, V-N 2000/22.12 (Gabalfrisa e.a), HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17 (Breitsohl) en HvJ EU 12 november 2020, zaak C-734/19, BNB 2021/31, m.nt. Merkx (ITH Commercial). De belastingdienst mag verlangen dat het voornemen met objectieve gegevens wordt ondersteund.
HvJ EG 3 maart 2005, zaak C-32/03, V-N 2005/15.8, r.o. 24 (Fini H).
A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 153.
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-246/08, BNB 2010/94, m.nt. Swinkels (Commissie/Finland) en HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels (Gemeente Borsele).
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-246/08, BNB 2010/94, m.nt. Swinkels, r.o. 50 (Commissie/Finland) en HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels, r.o. 33 en 34 (Gemeente Borsele). Op dit punt valt een parallel te bespeuren met de uitleg van het begrip ‘economische activiteit’ in het kader van de staatssteunregels. Volgens die uitleg wordt aan het niet-economische karakter van openbaar onderwijs niet afgedaan doordat leerlingen of ouders soms financiële bijdragen betalen, omdat deze bijdragen vaak slechts een fractie van de kosten dekt van de reële kosten van de dienst en dus niet beschouwd kunnen worden als de vergoeding voor een dienst (mededeling van de Europese Commissie betreffende het begrip “staatssteun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van 19 mei 2016, nr. 2016/C 262/01, PbEU 2016, C 262, punt 29). In deze mededeling verwijst de Europese Commissie naar EVA-Hof van Justitie 21 februari 2008, zaak E-5/07 (Private Barnehagers Landsforbund/Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie). In dit arrest oordeelde het EVA-Hof van Justitie dat Noorse gemeentelijke ‘kindergartens’ geen economische activiteit verrichten, maar hun verplichtingen vervullen jegens de eigen bevolking in het sociale, culturele en onderwijsdomein. Hierbij achtte het Hof van belang dat de kosten van deze kindergartens voor 80% uit overheidsmiddelen werden bekostigd en dat de ouderbijdrage geen verband hield met de daadwerkelijke kosten voor de verleende diensten. Ten aanzien van de ouderbijdrage overwoog het hof: “The parents’ fee which constitutes only a fraction of the true costs of the service cannot be qualified as a quid pro quo vis-à-vis the municipal kindergartens, but only as a contribution to a system which is predominantly funded by the public purse.” Het Hof van Justitie bedient zich in het Commissie/Finland-arrest - door verwijzing naar de conclusie van A-G Ruiz-Jarobo Colomer van 7 juli 2009, zaak C-246/08, ECLI:EU:C:2009:431, punten 50 en 51 (Commissie/Finland) - en het Gemeente Borsele-arrest dus van hetzelfde argument om het economische karakter van de activiteit te ontkennen: de bijdrage bedraagt slechts een fractie van de kosten en het verschil wordt uit overheidsmiddelen bekostigd. Ik acht het daarom niet uitgesloten dat ook een bijdrage die een aanzienlijk hoger percentage van de kosten van de activiteit dekt dan de 3% in het Gemeente Borsele-arrest of de circa 8% in het Commissie/Finland-arrest nog altijd onvoldoende kan zijn om een gerichtheid op een vergoeding aan te nemen.
HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels, r.o. 34 (Gemeente Borsele).
HvJ EG 29 oktober 2009, zaak C-246/08, BNB 2010/94, m.nt. Swinkels, r.o. 50 (Commissie/Finland) en HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels, r.o. 33 (Gemeente Borsele).
Indien deze bijzondere context niet speelt, dan is het enkele feit dat een activiteit tegen een niet-kostendekkende vergoeding wordt verricht of dat degene die de activiteit verricht slechts een gering deel van de gemaakte kosten terugverdient onvoldoende om te concluderen dat geen sprake is van een economische activiteit (zie bijv. HvJ EU 2 juni 2016, zaak C-263/15, V-N 2016/31.18, r.o. 35 (Lajvér)). Dat is naar mijn mening in overeenstemming met art. 9 lid Btw-richtlijn op grond waarvan het resultaat van de activiteit niet beslissend is voor de belastingplicht.
M. van der Wulp, ‘Borsele als schoolvoorbeeld’, BtwBrief 2018/51, p. 6. Ook Swinkels, Sanders en Redactie V-N wijzen daarop (Swinkels, noot bij HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186 (Gemeente Borsele), Sanders, commentaar bij HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, NTFR 2016/1399 (Gemeente Borsele) en Redactie V-N, aantekening bij HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, V-N 2016/27.20 (Gemeente Borsele)).
M. van der Wulp, ‘Borsele als schoolvoorbeeld’, BtwBrief 2018/51, p. 6. In gelijke zin: D.B. Bijl, ‘Scholen en omzetbelasting: wat is de prijs van een schoolgebouw’ in: J. Bouwman, N. Groefsema & W. Grooten (red.), Ode aan Bart. Van Zadelhoff-bundel, Deventer: Wolters Kluwer 2017, p. 28.
Het Hof van Justitie legt het begrip ‘economische activiteit’ uit tegen de achtergrond van art. 2 lid 1 Btw-richtlijn genoemde belastbare handelingen.1 Uit deze richtlijnbepaling volgt dat enkel activiteiten met een economisch karakter onder de werkingssfeer van de btw vallen.2 Hiermee doelt het Hof van Justitie op activiteiten die zijn verricht met het oog op het verkrijgen van een vergoeding.3 Een activiteit is daarom slechts een activiteit van een producent, handelaar of dienstverrichter indien zij gericht is op een vergoeding. In het Götz-arrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het criterium ‘om er opbrengst uit te verkrijgen’ niet alleen geldt voor de exploitatie van een zaak, maar ook voor de activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter.4 In de literatuur wordt daarom ook wel gesproken van een ‘gerichtheid op opbrengst’5 of het ‘opbrengstcriterium’6.
Dat een activiteit van een producent, handelaar of dienstverrichter een gerichtheid op een vergoeding veronderstelt, brengt met zich dat degene die regelmatig, maar uitsluitend prestaties om niet verricht, zoals de terbeschikkingstelling van vastgoed om niet, geen economische activiteit verricht.7 Hieruit volgt niet dat het begrip ‘economische activiteit’ alleen leveringen van goederen of het verrichten van diensten onder bezwarende titel (uitgaande belastbare handelingen) omvat. Het begrip ‘economische activiteit’ omvat alle activiteiten van een producent, handelaar of dienstverlener. Ook ingaande belastbare handelingen, zoals het kopen van goederen of diensten, die zijn verricht ten behoeve van het verrichten van handelingen onder bezwarende titel hebben een economisch karakter. Dit geldt reeds vanaf de eerste investeringsuitgave ten behoeve en ter verwezenlijking van een onderneming, zoals de aanschaf van grond, ook indien de voorbereidende activiteiten uiteindelijk niet uitmonden in belastbare handelingen.8 Het begrip ‘economische activiteit’ omvat ook de handelingen ter beëindiging van de onderneming.9 Het begrip ‘alle activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter’ omvat dus de gehele levensloop van een onderneming: de voorbereidende fase, de operationele fase en de liquidatiefase.10
Van een gerichtheid op vergoeding is geen sprake indien een publiekrechtelijk lichaam, zoals een gemeente, of een openbaar lichaam in het algemeen belang een bij wet opdragen activiteit verricht en het lichaam via bijdragen slechts een gering deel van de kosten terugkrijgt en het verschil uit de algemene middelen wordt gefinancierd.11 Er moet – wil het publiekrechtelijk of openbaar lichaam een economische activiteit verrichten – sprake zijn van een reëel verband tussen de ontvangen vergoeding en de gemaakte kosten. Wanneer hiervan (geen) sprake is, is nog niet uitgekristalliseerd. Van een reëel verband is in ieder geval geen sprake indien de bijdragen die het publiekrechtelijk of openbaar lichaam ontvangt slechts een gering deel (in de zaak Commissie Finland bijna 8% en in de zaak Gemeente Borsele 3%) van de kosten dekt.12 Het Hof van Justitie spreekt in dit verband van een asymmetrie tussen de ontvangen bedragen en de kosten voor een activiteit.13 Volgens het Hof moet de betaalde bijdrage in die situatie eerder gelijkgesteld worden met een heffing, dan met een vergoeding voor de verrichte werkzaamheden.14 Naar mijn mening is de vraag of sprake is van een reëel verband tussen de ontvangen bijdrage en de gemaakte kosten niet los te zien van de bijzondere context van de zaken Commissie/Finland en Gemeente Borsele: de activiteit van het openbaar of publiekrechtelijk lichaam bestaat in het in het algemeen belang verrichten van een bij wet opgedragen taak en wordt hoofdzakelijk uit de algemene middelen bekostigd.15 Die bijzondere context is naar mijn mening ook aan de orde bij Nederlandse gemeenten die op grond van de Wet op het primair onderwijs en de Wet op het voortgezet onderwijs tot taak hebben zorg te dragen voor de onderwijshuisvesting van scholen voor primair en voortgezet onderwijs.16 Bij de levering van nieuwe schoolgebouwen aan het bevoegd gezag worden door de gemeente bijdragen van de onderwijsinstellingen ontvangen, maar van een reëel verband tussen de ontvangen vergoedingen en de kosten voor deze onderwijshuisvestingsactiviteit is naar mijn mening geen sprake.17 Als de gemeente al een vergoeding ontvangt – dit is niet altijd het geval, dan is die namelijk altijd ver beneden de stichtingskosten van het betreffende schoolgebouw.