Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/3.4.1.2.2
3.4.1.2.2 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291589:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 26 maart 1987, nr. 235/85, FED 1987/341, m.nt. Bijl, r.o. 8 (Commissie/Nederland).
HvJ EG 4 december 1990, zaak C-186/89, BNB 1991/352, m.nt. Ploeger, r.o. 17 (Van Tiem).
HvJ EU 12 mei 2016, zaak C-520/14, BNB 2016/186, m.nt. Swinkels (Gemeente Borsele).
Zie bijv. HvJ EG 22 februari 2001, zaak C-408/98, V-N 2001/15.26, r.o. 24 (Abbey National I). In gelijke zin: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 151-152 en W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 40.
In vergelijkbare zin: A.J. van Doesum, Contractuele samenwerkingsverbanden in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2009, p. 151-152 en W.J. Blokland, Omzetbelastingaspecten van ondernemingsfinanciering (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 40.
M. van der Wulp, ‘Borsele als schoolvoorbeeld’, BtwBrief 2018/51, p. 5.
Zie bijv.: HvJ EG 14 februari 1985, zaak 268/83, BNB 1985/315, m.nt. Simons, r.o. 23 (Rompelman), HvJ EG 22 februari 2001, zaak C-408/98, V-N 2001/15.26, r.o. 35 (Abbey National I) en HvJ EU 11 mei 2017, zaak C-36/16, V-N 2017/26.13, r.o. 13 (Posnania).
De keuze voor het begrip ‘handelszaak’ in de Nederlandse vertaling acht ik niet gelukkig. Als een ‘gedeelte van een algemeenheid van goederen’ omschreven wordt als een autonoom bedrijfsonderdeel dan ligt het voor de hand om een ‘geheel van een algemeenheid van goederen’ als een bedrijf aan te duiden. Ook andere taalversies bieden steun voor de opvatting dat het ruimere begrip ‘bedrijf’ is bedoeld (‘forretning’, ‘Geschäftsbetriebs’ ‘business’, ‘fonds de commerce’ en azienda’). Het ruimere begrip ‘bedrijf’ is naar mijn mening te verkiezen boven het beperkere begrip ‘handelszaak’. De overgang van de gehele activiteit van een producent of dienstverrichter is immers geen overgang van een handelszaak, maar wel van een bedrijf. In soortgelijke zin: S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 158-159.
HvJ EG 27 november 2003, zaak C-497/01, V-N 2003/61.18, r.o. 40 (Zita Modes).
Zie bijv. HvJ EG 14 februari 1985, nr. 268/83, BNB 1985/315, m.nt. Simons, r.o. 23 (Rompelman).
Het Hof van Justitie heeft uit de definitie van het begrip ‘economische activiteit’ en met name het begrip ‘alle’ afgeleid dat het begrip ‘economische activiteit’ een ruime werkingssfeer heeft.1 Die werkingssfeer strekt zich uit tot alle stadia van de productie, de distributie (lees: de handel) en de dienstverrichting.2 Het begrip ‘activiteit’ heeft blijkens de Btw-richtlijn geen betrekking op een afzonderlijke transactie (zie paragraaf 3.4.1.2.1). Om die reden beoordeelt het Hof van Justitie in het Gemeente Borsele-arrest terecht of de gehele activiteit van het leerlingenvervoer van de gemeente Borsele op grond van de verordening leerlingenvervoer een economische activiteit is.3 Het Hof van Justitie is echter niet altijd even consistent in zijn woordkeuze. Het gebruikt het begrip ‘(economische) activiteit’ soms ook voor één of meer transacties.4 Dat is verwarrend. Voor een transactie hanteert de Btw-richtlijn het begrip ‘(belastbare) handeling’. Het begrip ‘activiteit’ heeft in de Btw-richtlijn betrekking op het geheel van handelingen.5 Dit is niet slechts een semantische kwestie. Een onzuiver gebruik van de begrippen ‘(economische) activiteit’ en ‘(belastbare) handeling’ kan ertoe leiden dat onduidelijk is of een beslissing van het Hof van Justitie betrekking heeft op de belastingplicht voor een activiteit of de belastbaarheid van één of meer transacties.6
Wil een activiteit een activiteit zijn van een producent, handelaar of dienstverrichter, dan moet sprake zijn van een materiële onderneming. Het Hof van Justitie gebruikt het begrip ‘onderneming’ of ‘ondernemer’ soms als synoniem voor het begrip ‘economische activiteit’.7 Een voorbeeld hiervan is de definitie van het (unie)begrip ‘overgang van een geheel of een gedeelte van een algemeenheid van goederen’: “de overdracht van een bedrijf8of van een autonoom bedrijfsonderdeel met lichamelijke en eventueel ook onlichamelijke zaken, welke tezamen een onderneming of een gedeelte van een onderneming vormen waarmee een autonome economische activiteit kan worden uitgeoefend (…)”.9Naar mijn mening is dit niet zuiver. Het is juist dat met het begrip ‘alle activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter’ gedoeld wordt op een materiële onderneming (zie paragraaf 3.4.1.2.1). Het begrip ‘economische activiteit’ is echter ruimer dan het begrip ‘alle activiteiten van een producent, handelaar of dienstverrichter’ en omvat ook ‘de exploitatie van een (on)lichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen’. Die exploitatie is naar mijn mening geen (type) onderneming (zie paragraaf 3.4.2). Dat het Hof van Justitie deze activiteit soms toch als zodanig duidt, acht ik dan ook onjuist.10 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie is naar mijn mening af te leiden dat sprake is van een activiteit van een producent handelaar of dienstverrichter, een materiële onderneming, indien de activiteit aan vier criteria voldoet:
gerichtheid op een vergoeding;
duurzaamheid;
een bedrijfsmatig of commercieel oogmerk; en
deelname aan een markt.
In de navolgende paragrafen komen deze ondernemingscriteria achtereenvolgens aan bod.
3.4.1.2.2.1 Gerichtheid op vergoeding3.4.1.2.2.2 Duurzaamheid3.4.1.2.2.3 Bedrijfsmatig of commercieel oogmerk3.4.1.2.2.4 Deelneming aan een markt