Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.1.2
4.1.2 Terminologie
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264517:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Van de Sande, Gewysder Saecken, nr. 3.12.10-3.12.11; Van Wassenaer 1661, nr. 14.79; Van Leeuwen, Censura Forensis, nr. 4.8.1; Noodt, De foenore et usuris, nr. 2.9; Voet, Ad Pandectas I, nr. 20.1.23; Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 2.48.6; Vinnius, Quaestiones Selectae, nr. 2.7; Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. 3.147 (De Groot); De Groot, De Iure Belli ac Pacis, nr. 2.12.20.2; De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5; Huber, Praelectionum juris civilis III, nr. 20.1.15; Van der Keessel, Praelectiones, nr. 3.8.5; Van der Linden 1806, nr. 1.15.7; vgl. Thomas 2007, p. 59.
Van Leeuwen, Censura Forensis, nr. 4.8.1. Vgl. Van Leeuwen, Rooms-Hollands-Regt, nr. 4.12.5. Eigen vertaling. Sed & pacta quaedam pignoribus adjiciuntur, aut tacite in continenti adjecta censentur. Primum est pactum Antichresis, quo inter debitorem, & creditorem convenit, ut quamdiu debitor creditori non satisfaciat, creditori pignore uti liceat, & fructus suos facere in compensationem usurarum pecuniae ipsi debitae.
De Groot, Inleydinge, nr. 3.8.5.
Huber/Huber, Hedendaegse Rechts-geleertheyt, nr. 20.1.15.
Zie § 4.4.1 en §4.4.5.
Nassau la Leck 1778, p. 659-660; Van Lamzweerde 1781, nr. 53 e.v; Van Lamzweerde 1782, nr. 11; Van den Bergh, Nederlands Advys-boek, nr. 1.36.
Van Lamzweerde 1781, nr. 5.
De betekenis die in het Rooms-Hollandse recht toekwam aan de term antichresis, wijkt af van de betekenis die de secundaire literatuur over het Romeinse recht aan dit woord toekent. Naar Rooms-Hollands recht duidde de term antichresis enkel op een recht van pandgebruik met rentefunctie. Antichresis was het recht van de pandhouder om een goed van de debiteur te gebruiken en de vruchten ervan te trekken in plaats van een rentepercentage over de gesecureerde vordering.1 Illustratief is de opvatting van Van Leeuwen:
“Maar ook enkele bedingen worden toegevoegd aan pandovereenkomsten, of worden geacht onmiddellijk [bij het sluiten van de overeenkomst] stilzwijgend te zijn toegevoegd. Het eerste is het pactum Antichresis, op grond waarvan men tussen de schuldeiser en de schuldenaar overeenkomt dat zolang de schuldenaar niet aan de schuldeiser betaalt, het de schuldeiser vrijstaat gebruik te maken van het pandobject en de vruchten tot de zijne te maken als vereffening van de rente over het hem verschuldigde geld.”2
In de toenmalige Nederlandstalige literatuur stond het recht van rentepandgebruik bekend onder verschillende andere benamingen, naast antichresis. De Groot duidde dit recht aan als wedertocht3, Huber sprak van pandgenot.4 Voor het aflossingspandgebruik bestond geen afzonderlijke term. Auteurs brachten het aflossingspandgebruik tot uitdrukking door te stellen dat de pandgebruiker de gebruiksopbrengst in mindering diende te brengen op de gesecureerde vordering of af diende te staan aan de pandgever.5
In Gelderse bronnen werd het recht van pandgebruik ook wel aangeduid als verwin.6 Het woord verwin kon echter zowel zien op rentepandgebruik of aflossingspandgebruik. Illustratief is een advies dat is gerapporteerd door Van Lamzweerde waarin werd overwogen dat een verwin een aflossingsfunctie of een rentefunctie kon hebben. De casus betrof een recht van pandgebruik dat rustte op een kapbos. In de eerste alinea bespraken de adviseurs inheemse rechtsstelsels waarin het verwin een rentefunctie had: de pandgebruiker mocht alle gebruiksopbrengsten van het onderpand houden. Hij hoefde die opbrengst niet in mindering te brengen op de gesecureerde vordering. In de tweede alinea komt het verwin met aflossingsfunctie aan de orde: de pandgebruiker diende de gebruiksopbrengst in mindering te brengen op de gesecureerde vordering en rekening en hierover verantwoording af te leggen aan de pandgever.
“dat hy [de crediteur], volgens de aan ons meede toegezondene ’s Hoves Sententie, moet verreekenen de penningen van ’t verkogte hout. En dat zulks zoude schynen te stryden tegens den aart en natuur van een Verwin, zoo als ’t in de Graafschap plaats heeft. Om dat aldaar volgens Landr. tit. 8 art. 5. een Verwinner behoud alle fructus of opkomsten, zonder dezelve te behoeven te verreekenen. […]
dat ’t zelve niet zoude zyn en blyven een Verwin, wanneer de opkomsten van ’t verwonnen goed wierden verreekent. Waar van ’t contrarie alleen constateert uit ’t landr. der vier Boven-Ampten tit. 13 art. 2. daar een Verwinhebber tot ’t doen van reken[ing] expressis verbis word verpligt, en uit ’t Landrecht van Veluwen Cap. 15 art. 1 daar ’t van de keur en optie van een Verwinhebber word gelaaten, de vrugten te verrekenen of niet. Zonder dat een dier dispositien strydig is tegens den aart en natuur van een Verwin.”7
In afwijking van de toenmalige schrijvers gebruik ik in dit hoofdstuk dezelfde terminologie als elders in dit proefschrift.