Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/4.1.3
4.1.3 De verpanding van Woerden
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264568:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Anders dan tegenwoordig, lag de stad Woerden in het graafschap Holland.
§3.3.2 en §4.3.4.
Groeneyk 1829, p. 20 en 30.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. CXCI.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. CXCI. Deze kwestie heeft betrekking op de aflossingsfunctie van het recht van pandgebruik (§4.4.1).
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. CXCII. Deze kwestie heeft betrekking op de aflossingsfunctie van het recht van pandgebruik (§4.4.1).
De Groot, Inleydinge, nr. 3.14.13-3.14.17; De Blécourt 1939, p. 288-289; Zwalve 2014, p. 9-19; Van Oostrom-Streep 2015; Druwé 2018, p. 322.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. CXCII. Deze kwestie heeft betrekking op de onderwerpen van §4.3.3 en §4.3.6.
Naeranus, Hollandsche Consultatien, nr. CXCII. Deze kwestie heeft betrekking op §4.3.6.
Bobbink 2019a, p. 25.
Op 10 augustus 1557 leverden de legers van Frankrijk en het Rooms-Duitse Keizerrijk slag bij St. Quentin, Frankrijk. De Fransen leden een verpletterende nederlaag. Twee kopstukken van de Franse legerleiding werden gevangengenomen. De man die hierin was geslaagd, was Hertog Erik van Brunswijk en Lünenburg.1 Koning Filips II van Spanje wilde de gevangenen van Hertog Erik overnemen. Partijen kwamen overeen dat Filips II de gevangenen mocht overnemen voor 112.000 Vlaamse ponden. Van dit bedrag voldeed Filips II 76.174 ponden onmiddellijk aan Hertog Erik.2 Het restant, 35.826 ponden, bleef Filips II verschuldigd. Over dit bedrag liep een rente ter hoogte van de penning 16, oftewel 6,25% rente per jaar. Dit stond gelijk aan 2.239 ponden per jaar. Tot zekerheid van betaling van rente en hoofdsom verkreeg Hertog Erik een recht van aflossingspandgebruik op Stad, Slot en Heerlijkheid Woerden.3 Deze transactie had plaats op 30 juli 1558.4 Filips II maakte melding van de details van deze transactie aan zijn Hollandse5 onderdanen, en beval hen om het recht van pandgebruik van Hertog Erik te respecteren.6 De voorwaarden die uit deze brief blijken, komen aan de orde in §4.3.4 en §4.3.6.
Het recht van pandgebruik bracht mee dat Hertog Erik, in zijn hoedanigheid van pandgebruiker, de heerschappij over Woerden verkreeg.7 In 1572 voegde Woerden zich bij de prins van Oranje. De Staten van Holland respecteerden echter de vermogensrechtelijke positie van Hertog Erik als pandgebruiker van Woerden. Dit betekende dat de Hertog nog altijd gerechtigd was tot alle inkomsten die betrekking hadden op Stad, Slot en Heerlijkheid Woerden.8 Om aan deze situatie een einde te maken, dienden de Staten van Holland Woerden te lossen. De Staten dienden dus de vordering waarvoor het pandrecht op Woerden was gevestigd te voldoen aan (de nazaten van) Hertog Erik. Hierover hebben de Staten advies gevraagd aan Hollandse juristen. De vragen van de Staten hadden betrekking op het recht van pandgebruik. Deze vragen geef ik hieronder kort weer, samen met het advies dat de Staten op deze vragen kregen.
De Staten van Holland wilden hun schuld voldoen in een valuta die afweek van de valuta waarin de overeenkomst van geldlening luidde. De Staten vroegen advies over de vraag of dit mogelijk was. Het advies luidde bevestigend. De Staten mochten hun schuld voldoen in iedere gangbare valuta.9
Over de geldlening liep een rentepercentage van 6,25% (2.239 pond per jaar). De Hertog van Brunswijk verkreeg dit bedrag jaarlijks uit de gebruiksopbrengst van Woerden. De gebruiksopbrengst was echter groter dan 2.239 pond per jaar. De vraag was of de Hertog dit meerdere in mindering moest brengen op de hoofdsom. Het advies luidde bevestigend. De pandgebruiker diende een staat op te maken waaruit bleek hoeveel het gebruik van het onderpand jaarlijks had opgebracht. Als de gebruiksopbrengst hoger uitviel dan het verschuldigde rentebedrag, moest de pandgebruiker het meerdere in mindering brengen op de gesecureerde vordering. Was de gebruiksopbrengst lager dan het verschuldigde rentebedrag, was de schuldenaar het verschil aan de pandgebruiker verschuldigd.10
De pandgebruiker was enkele jaren niet in staat geweest om Woerden te gebruiken in verband met de Tachtigjarige Oorlog. De vraag was of de pandgebruiker gecompenseerd diende te worden voor de inkomsten die hij hierdoor had misgelopen. Het antwoord luidde positief. Als de pandgebruiker geen inkomsten uit het onderpand kon genereren, kwam niets in mindering op de verschuldigde rente en de gesecureerde vordering. Aldus was voor ieder jaar waarin de pandgebruiker het onderpand niet had kunnen gebruiken, het volledige rentebedrag van 2.239 pond verschuldigd.11
Op Woerden rustte een grondrente van 572 ponden per jaar. Grondrente was een beperkt recht dat rustte op een onroerende zaak dat aan de begunstigde van de rente, de renteheffer, het recht gaf op een jaarlijkse uitkering. Dit recht kon de renteheffer uitoefenen tegen de eigenaar van de bezwaarde onroerende zaak. Bij vestiging van de rente ontving de (toenmalige) eigenaar een geldsom ineens van de begunstigde. De Hertog had deze grondrente gelost. Grondrente was afkoopbaar tegen de som die de renteheffer ineens aan de toenmalige eigenaar had uitgekeerd.12 De vraag was of de Hertog het afgekochte rentebedrag mocht optellen bij de vordering op de Staten van Holland. Het antwoord hierop was bevestigend. De Hertog was immers niet gehouden om de rente te lossen. De lossing was in het voordeel van de pandgever. Doordat de Hertog de rente had gelost, nam de jaarlijkse gebruiksopbrengst van Woerden toe met 572 ponden. Deze extra 572 ponden kwamen jaarlijks in mindering op de verschenen rente en de gesecureerde vordering en kwamen zo ten goede aan de pandgever. Hij werd dus verrijkt ten koste van de pandhouder. Daarom mocht de Hertog de afgekochte rente in rekening brengen bij de Staten.13
De Hertog had met medeweten van de Staten kosten gemaakt ter verbetering van Woerden. De vraag was of de Hertog deze kosten mocht verhalen op de Staten. Het antwoord luidde bevestigend. Alle kosten waarvoor de Staten toestemming hadden gegeven, moesten zij vergoeden. Bovendien waren de Staten aansprakelijk voor alle ten behoeve van het onderpand gemaakte noodzakelijke kosten, zelfs als hierover in de pandovereenkomst geen afspraken waren gemaakt. In casu ging het om kosten die waren gemaakt ter reparatie van het slot.14
De adviezen over de verpanding van Woerden hadden weinig bekendheid onder beoefenaars van het Rooms-Hollandse recht. Mij zijn geen werken van Rooms-Hollands recht bekend waarin de adviezen over de verpanding van Woerden zijn aangehaald. Het lijkt er dan ook niet op dat de adviezen invloed hebben gehad op de rechtsontwikkeling. Toch is de bestudering van de verpanding van Woerden relevant voor dit proefschrift. De bestudering van adviezen over de verpanding van Woerden draagt bij aan de reconstructie van het Rooms-Hollandse recht van pandgebruik. Dit geldt in het bijzonder voor de aansprakelijkheid van de pandhouder, en zijn verplichting om rekening en verantwoording af te leggen. De adviezen over de verpanding van Woerden zijn één van de weinige bronnen waarin deze kwesties aan de orde komt. Bovendien illustreert de verpanding van Woerden de werking van het recht van pandgebruik in de Rooms-Hollandse rechtspraktijk.15