Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.8.3
2.8.3 Afsplitsingsvarianten
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491660:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de schema’s hierna wordt dit afgewisseld.
Zie ook Koster 2009, onderdeel 9.3.3, p. 284.
In onderdeel 2.8.2, onder c, is aandacht besteed aan de evenredige zuivere splitsing. Een evenredige splitsing is een vereenvoudigde splitsing waardoor - in vergelijking met reguliere splitsingen - minder procedurele voorschriften gelden. Zie onderdeel 2.9. De evenredige splitsing is uitgebreid van commentaar voorzien door Roelofs & Van Eck, TvO 2011/6.
Er kunnen meerdere verkrijgende zustermaatschappijen aan de afsplitsing deelnemen.
Aandeelhouder X kan een natuurlijk persoon zijn.
Zie daarover ook Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.1.1, p. 113-114.
Zie ook Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 5, Overes, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334a BW, aantekening 7 (bijgewerkt 12-5-2020) en Boschma & Schutte-Veenstra, Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:334a BW, aantekening 3 (bijgewerkt 1-7-2021).
Zie art. 2:334a, lid 3 jo. 2:334e, lid 3, onderdeel a, BW.
Dit ligt – uiteraard – anders ingeval de verkrijger aandelen toekent aan de aandeelhouders van de splitser. Alsdan wordt namelijk binnen de afsplitsingsdefinitie van art. 2:334a, lid 3, BW gebleven. Zie ook Zaman, WPNR 2001/6447, onderdeel 3.1, p. 519. In zo’n geval ontstaat echter een doorgaans onwenselijke eindstructuur.
Zie hierover ook Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 8-9, Koster 2009, onderdeel 8.3, p. 263 en Roelofs 2014, onderdeel 3.6.1, p. 152.
Ook in deze constellatie kan ervoor worden gekozen om het gehele vermogen van de afsplitsende rechtspersoon (S) over te laten gaan op de verkrijgende rechtspersonen (V1 en V2).
In onderdeel 2.8.1 is al besproken dat het omgekeerde niet mogelijk is.
Zie, bijvoorbeeld, Leemrijse, V&O 2003/11, Dortmond, Ondernemingsrecht 2005/159, onderdeel 2, Koster 2009, onderdeel 10.4, p. 317-318, Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.2.2, p. 121-122, Roelofs, Sdu Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:334a BW, aantekening 4.7 (bijgewerkt 15-10-2020), Van Veen, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334ii BW, aantekening 3 (bijgewerkt 12-5-2020) en Boschma & Schutte-Veenstra, Tekst & Commentaar Ondernemingsrecht, commentaar op art. 2:334ii BW, aantekening 2 (bijgewerkt 1-7-2021), en de door deze auteurs gemaakte overige literatuurverwijzingen.
De vraag of een driehoeksafsplitsing mogelijk is waarbij de verkrijgende vennootschap niet de dochtermaatschappij is van de afsplitsende vennootschap maar de kleindochtermaatschappij is een variant op het thema dat in onderdeel 2.8.2, onder j, is behandeld. Ik verwijs naar de daar gemaakte literatuurverwijzingen.
Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 2, p. 13. Dit vierde lid is vervolgens vrij snel in het wetgevingsproces geschrapt bij NvW, zie Kamerstukken II 1996/97, 24 702, nr. 7, p. 2.
Zie daarover Zaman, WPNR 2001/6448, onderdeel 4.2 en Koster 2009, onderdeel 10.2, p. 297-299.
De hier bedoelde eindstructuur kan overigens via een omweg worden bereikt. De rechtspersonen die een joint-venture willen creëren, splitsen ieder afzonderlijk vermogen af naar een nieuw opgerichte dochtermaatschappij (stap 1). Deze twee dochtermaatschappijen (verkrijgers) brengen vervolgens een juridische fusie tot stand (stap 2).
Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 3, p. 5. De visie van de wetgever wordt onderschreven door, bijvoorbeeld, Zaman, WPNR 2001/6447, onderdeel 3.1, p. 519.
Zie Koster 2009, onderdeel 10.4, p. 318-319.
Koster, t.a.p., onderkent dat de wetgever deze route afwijst, maar acht dat betoog niet overtuigend. In zijn ogen stelt de uitzondering van art. 2:334e, lid 2, BW de hoofdregel van art. 2:334e, lid 1, BW en de in art. 2:334a, lid 3, BW besloten liggende structuurwijziging volledig buiten werking. Anders, Schoonbrood & Van Olffen, WPNR 2011/6873, punt 18, p. 110-111 en Van Veen, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334ff BW, aantekening 3 (bijgewerkt 12-5-2020).
Koster, t.a.p., geeft aan dat in dit geval op grond van art. 2:334ii, lid 2, BW vereist is dat de dochtervennootschap (S) minimaal één aandeel houdt in de verkrijger (V) en dat de overige aandelen in handen zijn van een andere groepsmaatschappij (GM). Dat ene aandeel zou direct vóór de splitsing door GM kunnen worden overgedragen aan S. In de hierna weergegeven schematische weergave is dit aangeduid met de dikke lijn die eindigt met een pijl.
Dit artikellid is ingevoerd bij Wet van 12 mei 2011, Stb. 2011, 234. Tenzij de statuten anders bepalen is het op grond daarvan mogelijk dat de splitsende vennootschap bij bestuursbesluit tot splitsing besluit ingeval de verkrijgende vennootschappen alle aandelen houden in de splitsende vennootschap.
Zie Roelofs 2014, onderdeel 3.7.5, p. 189 in combinatie met onderdeel 3.8.7, p. 200-203. Koster, Ondernemingsrecht 2016/65, punt 6, sluit zich daarbij aan.
Zie Van Veen, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334ff BW, aantekening 3 (bijgewerkt 12-5-2020).
Een afsplitsing vereist minimaal één verkrijgende rechtspersoon maar er kunnen meerdere verkrijgers aan de afsplitsing deelnemen.1 Anders dan bij zuivere splitsingen blijft de splitsende rechtspersoon bij een afsplitsing voortbestaan. Dit blijkt uit de definitie in art. 2:334a, lid 3, BW. Volgens dezelfde definitie kan bij een afsplitsing het hele vermogen van de afsplitsende rechtspersoon of een deel daarvan overgaan op de verkrijger(s). Een overgang van het hele vermogen bij een afsplitsing is gelet op art. 2:334c, lid 1 en lid 2, BW alleen mogelijk indien minimaal één van de verkrijgers een bij de splitsing opgerichte NV/BV is, waarvan de afsplitser bij de splitsing alle aandelen verkrijgt; een moeder-dochterafsplitsing.2 Tenzij anders is vermeld, geldt bij de bespreking van de diverse afsplitsingsvarianten hierna dat een deel van het vermogen achterblijft bij de afsplitsende rechtspersoon.
a. Afsplitsing naar (een) bestaande verkrijger(s)
Een gedeelte van het vermogen van de afsplitsende rechtspersoon (S) gaat onder algemene titel over naar (in dit voorbeeld) één bestaande verkrijgende rechtspersoon (V). Aandeelhouder X van de afsplitser wordt aandeelhouder van de verkrijger (V). Zowel vóór als na deze afsplitsing houdt Y aandelen in de verkrijgende rechtspersoon.
b. Afsplitsing naar nieuw opgerichte verkrijgers; evenredige afsplitsing
Een deel van het vermogen van de afsplitsende rechtspersoon (S) gaat onder algemene titel over naar – in dit geval – twee nieuw op te richten verkrijgende rechtspersonen: V1 en V2. De aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon, X en Y, worden evenredig aan hun aandeel in de afsplitser, 80%-20%, aandeelhouder van de beide verkrijgers. Dit betreft een ‘evenredige afsplitsing’.3
c. Afsplitsing met (een) bestaande verkrijger(s) en (een) nieuw opgerichte verkrijger(s)
S is de afsplitsende rechtspersoon en een deel van zijn vermogen gaat onder algemene titel over naar enerzijds de al bestaande V1 en anderzijds de nieuw opgerichte V2. X en Y worden als gevolg van de afsplitsing aandeelhouders van zowel V1 als V2. Z blijft aandeelhouder van V1. Omdat Z geen aandelen hield in de afsplitser S, verkrijgt hij geen aandelen in V2.
d. Afsplitsing naar (een) bestaande zustervennootschap(pen) (zusterafsplitsing)
Een deel van het vermogen van de afsplitsende rechtspersoon (S) wordt afgesplitst naar diens al vóór de afsplitsing bestaande zustermaatschappij (V).4 Het is vereist dat de verkrijgende rechtspersoon (V) aandelen toekent aan de aandeelhouder (X)5 van de afsplitsende rechtspersoon. Dat geldt ook ingeval deze aandeelhouder vóór de afsplitsing alle aandelen in de verkrijger houdt.6 Een variant op deze splitsingsvorm is die waarin de verkrijger(s) nieuw word(t)(en) opgericht.7
Bijzondere vermelding verdient de afsplitsing van een stichting. Vereist is dat ten minste één van de verkrijgende stichtingen bij de splitsing wordt opgericht, omdat anders niet wordt voldaan aan de omschrijving van afsplitsing in art. 2:334a, lid 2, BW. De reden is dat een stichting geen deelgerechtigden kent (art. 2:285, lid 1, BW), zodat een verkrijgende stichting geen bewijzen van deelgerechtigdheid (aandelen of lidmaatschapsrechten) kan toekennen. Is sprake van een afsplitsing met slechts één verkrijgende stichting, dan dient deze dus bij de splitsing te worden opgericht.8
e. Moeder-dochterafsplitsing
Bij deze variant gaat (een deel van) het vermogen van de afsplitser (S) onder algemene titel over naar de nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersoon (V). Deze verkrijger kent geen aandelen toe aan de aandeelhouder(s) van de afsplitser (X), maar aan de afsplitser (S) zelf. Dit wordt ook wel ‘uitzaksplitsing’ of ‘afsplitsing omlaag’ genoemd.9 Langs deze weg kan relatief eenvoudig een holdingstructuur worden gecreëerd. Deze variant is ook om een andere reden bijzonder: zij maakt het mogelijk om het gehele vermogen van de afsplitsende rechtspersoon over te laten gaan naar de verkrijgende rechtspersoon zonder dat de afsplitser als gevolg van de afsplitsing ophoudt te bestaan (art. 2:334c, lid 2, BW).
f. Moeder-dochterafsplitsing met een bestaande verkrijgende rechtspersoon?
De zojuist behandelde moeder-dochterafsplitsing – waarbij dus de verkrijger geen aandelen toekent aan de aandeelhouder(s) van de afsplitser, maar aan de afsplitser zelf – is niet mogelijk als de verkrijger al vóór de afsplitsing bestaat en de afsplitser daarvan alle aandelen houdt en behoudt. Schematisch:
De onmogelijkheid van deze variant vloeit voort uit de definitie van afsplitsing in art. 2:334a, lid 3, BW en het daarin besloten liggende vereiste van de structuurwijziging (zie onderdeel 2.3). Op grond daarvan is immers vereist dat ofwel minimaal één verkrijger aandelen (of lidmaatschapsrechten) in zijn kapitaal toekent aan de aandeelhouders (of leden) van de afsplitsende rechtspersoon, ofwel ten minste één verkrijger bij de splitsing wordt opgericht. De zojuist beschreven afsplitsing naar een volle, al vóór de afsplitsing bestaande dochtermaatschappij past niet in deze definitie.10
Ik wijs erop dat door middel van een driehoeksafsplitsing feitelijk toch een moeder-dochterafsplitsing met een bestaande verkrijger tot stand kan worden gebracht zonder de 100%-verhouding tussen de splitser en de verkrijger te frustreren. Ik verwijs naar de bespreking van deze bijzondere driehoeksafsplitsing in onderdeel 2.8.3, onder k.
g. Moeder-dochterafsplitsing met meerdere verkrijgende rechtspersonen
Een variant op de zojuist gepresenteerde moeder-dochterafsplitsing met één nieuw opgerichte verkrijger is die waarin meerdere verkrijgende rechtspersonen (V1 en V2) aan de afsplitsing deelnemen:
h. Combinatie van moeder-dochterafsplitsing en reguliere afsplitsing11
In deze splitsingsvorm gaat (een deel van12) het vermogen van de afsplitsende rechtspersoon (S) over naar – in dit voorbeeld – twee nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersonen (V1 en V2). Deze variant is ook mogelijk indien V2 een bestaande rechtspersoon is. Per verkrijgende rechtspersoon wordt voor een verschillende benadering gekozen: V1 kent aandelen toe aan de afsplitsende rechtspersoon (S) en V2 kent aandelen toe aan de aandeelhouders (X en Y) van de splitser.
i. Afsplitsing door een vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting met (een) nieuw opgerichte NV(‘s)/BV(‘s) als verkrijger(s)
Zoals vermeld in onderdeel 2.8.1, bestaat er een belangrijke uitzondering op de hoofdregel dat de bij de splitsing betrokken rechtspersonen dezelfde rechtsvorm moeten hebben.13 In het kader van een afsplitsing bestaat namelijk de mogelijkheid (een deel van) het vermogen van een afsplitsende vereniging, coöperatie (zoals in dit voorbeeld), onderlinge waarborgmaatschappij of stichting onder algemene titel te laten overgaan naar één of meer bij de splitsing nieuw opgerichte verkrijgende NV’s of BV’s.14 Deze uitzaksplitsing is alleen mogelijk als de afsplitsende vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij of stichting alle aandelen in de verkrijger(s) verkrijgt.
j. Driehoeksafsplitsing
Het vermogen van de afsplitsende rechtspersoon (S) gaat onder algemene titel over naar de verkrijgende rechtspersoon (V). Niet de verkrijgende rechtspersoon (V), maar een vennootschap (GM) die, eventueel samen met een andere groepsmaatschappij, het hele geplaatste kapitaal van de verkrijger (V) verschaft, kent aandelen toe aan de aandeelhouder (X) van de afsplitser (S). Deze splitsingsvariant is alleen mogelijk tussen NV’s/BV’s. Zie verder mijn commentaar bij de driehoekssplitsing in de vorm van een zuivere splitsing in onderdeel 2.8.2, onder j.
k. Moeder-dochterafsplitsing met een bestaande verkrijger via een driehoeksafsplitsing
Onder punt f hiervóór is geconstateerd dat het wegens de definitie van afsplitsing in art. 2:334a, lid 3, BW, niet mogelijk is om een moeder-dochterafsplitsing tot stand te brengen waarbij het vermogen overgaat van de afsplitsende rechtspersoon naar een al bestaande verkrijgende rechtspersoon waarvan de afsplitser alle aandelen houdt. In de literatuur wordt echter vrij algemeen aangenomen dat een vergelijkbare eindstructuur kan worden bereikt door middel van de driehoeksafsplitsing.15 Deze variant, die uitsluitend mogelijk is tussen NV’s/BV’s, laat zich bijvoorbeeld als volgt weergeven:
De splitsende vennootschap (S) splitst een deel van haar vermogen af naar haar al bestaande 100%-dochtervennootschap (V).16 Op grond van art. 2:334ii, lid 1, BW worden niet door de verkrijgende vennootschap (V) aandelen toegekend aan de aandeelhouder (X) van de splitser (S), maar door een groepsmaatschappij (GM) van deze verkrijger. In dit geval is die groepsmaatschappij dezelfde als de splitsende vennootschap, maar de tekst van art. 2:334ii BW verzet zich daar niet tegen. Overigens was deze afsplitsingsvorm aanvankelijk niet mogelijk, omdat art. 2:334ii, lid 4, BW bepaalde dat een driehoekssplitsing niet mogelijk was voor een verkrijgende vennootschap die een groepsmaatschappij is van de splitsende vennootschap.17
l. Het tot stand brengen van een joint-venture door middel van afsplitsing?
Deze variant is naar huidig Nederlands civiel recht onmogelijk.18 De definitie van de afsplitsing in art. 2:334a, lid 3, BW gaat uit van slechts één afsplitsende rechtspersoon. Daarnaast geldt, toegespitst op vennootschappen, als hoofdregel dat de aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon (X en Y) aandeelhouders worden van alle verkrijgende rechtspersonen. Bij de hier bedoelde splitsingsvariant is dat niet het geval. De enige uitzondering op deze hoofdregel die hier relevant zou kunnen zijn, is die waarin de verkrijger(s) bij de afsplitsing wordt (worden) opgericht. Zie art. 2:334e, lid 3, onderdeel a, BW. Die uitzondering is evenwel in dit geval niet toepasbaar: daarvoor is immers vereist dat de splitsende rechtspersoon (enkelvoud) daarvan alle aandelen verkrijgt.19
m. Dochter-moederafsplitsing?
Levert deze constellatie een rechtsgeldige splitsing op? Een deel van het vermogen van de splitsende rechtspersoon (S) gaat over naar diens 100%-moedermaatschappij (V). De wetgever heeft uitdrukkelijk opgemerkt dat deze dochter-moederafsplitsing niet mogelijk is.20 Toch is in de literatuur verdedigd dat deze splitsingsvariant op de volgende twee manieren rechtsgeldig tot stand kan komen:21
Bij de eerste mogelijkheid (zie het schema hiervóór) geldt dat de verkrijger (V) op grond van art. 2:334e, lid 1, BW als hoofdregel aandelen moet toekennen aan de aandeelhouder(s) van de splitsende vennootschap, wat in dit geval zou betekenen dat deze verkrijgende rechtspersoon (V) aandelen aan zichzelf moet toekennen. Op grond van art. 2:334e, lid 2, BW zou deze aandelentoekenning in dit geval evenwel niet aan de orde zijn.22 Nu deze splitsingsvariant wordt gebaseerd op art. 2:334e, lid 2, BW waarin wordt gesproken over ‘aandelen’, kan zij – áls zij al mogelijk is – alleen in beeld komen in geval van een splitsing tussen NV’s/BV’s.
De tweede mogelijkheid is een bijzondere vorm van de driehoeksafsplitsing ex art. 2:334ii BW. De verkrijgende rechtspersoon, die tegelijkertijd aandeelhouder is van de splitsende rechtspersoon, krijgt als gevolg van de afsplitsing aandelen toegekend in een groepsmaatschappij van de verkrijgende rechtspersoon. Deze aandeel toekennende groepsmaatschappij is de splitsende rechtspersoon zelf.23
In de literatuurwordt daarnaast gewezen op de introductie van art. 2:334ff, lid 4, BW.24 Deze lijn van redeneren houdt allereerst in dat met die bepaling duidelijk is geworden dat (in algemene zin) een splitsing van een dochtervennootschap naar haar moedervennootschap(pen) mogelijk is. Hoewel art. 2:334ff, lid 4, BW spreekt van verkrijgende vennootschappen (meervoud), wordt bovendien de stelling ingenomen dat een dochter-moederafsplitsing met één verkrijgende vennootschap mogelijk is.25 Hier wordt dan weer door anderen tegen ingebracht dat de invoering van art. 2:334ff, lid 4, BW niet met zich brengt dat de hier bedoelde afsplitsing naar een 100%-moedervennootschap mogelijk is. De uitleg daarbij is dat de verkrijgende vennootschap in zo’n geval aandelen aan zichzelf zou moeten toekennen, wat niet mogelijk is op grond van art. 2:334e, lid 2, BW.26
Met het voorgaande is wat mij betreft in ieder geval duidelijk dat onzekerheid bestaat met betrekking tot de civielrechtelijke geldigheid van een afsplitsing waarbij een deel van het vermogen van een dochtervennootschap overgaat naar haar 100%-moedervennootschap.