Pandrecht op aandelen
Einde inhoudsopgave
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.3:2.3 Verpanding van aandelen in het algemeen
Pandrecht op aandelen (O&R nr. 140) 2023/2.3
2.3 Verpanding van aandelen in het algemeen
Documentgegevens:
mr. T. Hutten, datum 01-05-2023
- Datum
01-05-2023
- Auteur
mr. T. Hutten
- JCDI
JCDI:ADS706204:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Insolventierecht (V)
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de parlementaire geschiedenis bij aandelenoverdracht wordt met de levering van een aandeel ook bedoeld de vestiging van beperkt recht daarop, zie Kamerstukken II 1990/91, 21 155, nr. 7, p. 4. Zie verder §1.6.
Zie bijv. HR 28 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3460 (Snippers q.q./Rabobank) waarin aanvankelijk sprake was van een nietige verpanding. Zie over bekrachtiging Asser/Sieburgh 6-III 2022/659-662.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
20. Op aandelen kan alleen een pandrecht worden gevestigd als zij vatbaar zijn voor verpanding (art. 3:81 lid 1 en 3:228 BW). In dat geval kunnen ze worden verpand overeenkomstig de regels die gelden voor de overdracht (art. 3:98 BW jo. 3:236 lid 2 BW).1 Verpanding van aandelen vereist daarom – kort gezegd – een geldige titel, de bevoegdheid de aandelen te verpanden, en de geldige vestiging van het pandrecht (art. 3:98 jo. 3:84 lid 1 BW). Bij aandelen moet de vestiging worden neergelegd in een notariële akte (art. 2:86/196 lid 2 BW). Deze eisen voor aandelenverpanding zijn constitutief. Wordt er aan een van hen niet voldaan, dan komt het pandrecht in beginsel niet tot stand. Desalniettemin bestaan er op deze regel uitzonderingen. Twee belangrijke voorbeelden daarvan zijn het geval waarin de verpanding later wordt bekrachtigd (art. 3:58 BW), en het geval waarin er sprake is van derdenbescherming (art. 3:36 BW en 3:88 BW). In deze gevallen treedt het rechtsgevolg verpanding met (gedeeltelijke) terugwerkende kracht toch in, ook al was er niet voldaan aan een of meer van de wettelijke vereisten.
Bekrachtiging vindt plaats als een voor de geldigheid van de verpanding gesteld wettelijk vereiste nadien alsnog wordt vervuld, en alle onmiddellijk belanghebbenden die zich op de nietigheid hadden kunnen beroepen tot het moment van de vervulling, de handeling als geldig aanmerkten.2 Door bekrachtiging kan achteraf onder andere een titelgebrek, of een gebrek met betrekking tot de notariële akte worden geheeld. Naast de algemene bepaling uit artikel 3:58 BW bestaan er aanvullende bepalingen die gaan over de bekrachtiging bij onbevoegde vertegenwoordiging (art. 3:69 BW) en rechtshandelingen die in de oprichtingsfase namens de toen nog net bestaande nv of bv zijn verricht (art. 2:93/203 BW). Op grond van derdenbescherming kan in bepaalde situaties een gebrek bij de verpanding niet worden tegengeworpen aan een pandhouder die te goeder trouw was wat het gebrek betreft (art. 3:36 en 3:98 jo. 3:88 BW). Bescherming tegen onverpandbaarheid komt aan bod in §2.5.2. Over de bescherming tegen beschikkingsonbevoegdheid gaat §2.7.3.