Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/IV.4.6
IV.4.6 Gevolgen van de schorsing of het ontslag voor de contractuele band
mr. N. Kreileman, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242907:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Onder anderen Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 739; Handboek 2013/253, p. 548; en Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:134/244 BW, aant. 22.1.
HR 15 april 2005, NJ 2005, 484 m.nt. Heerma van Voss; JOR 2005/145 m.nt. Witteveen (Eggenhuizen/ Unidek Volumebouw).
HR 15 april 2005, NJ 2005, 483; JOR 2005/144 m.nt. Witteveen (Ciris/Bartelink).
HR 15 april 2005, NJ 2005, 484; JOR 2005/145 (Eggenhuizen/Unidek Volumebouw); en HR 15 april 2005, NJ 2005, 483; JOR 2005/144 (Ciris/Bartelink).
Zie voor een overzicht van de verschillende standpunten Trap, ArbeidsRecht 2016/41. Onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/263; Assink|Slagter 2013 (Deel 1), § 43.6, p. 753; Bennaars 2015, p. 256; Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:134/244 BW, aant. 3; en Verburg 2015, p. 99-103, menen dat de leer van de 15 april-arresten eveneens van toepassing is als de contractuele band de hoedanigheid van een overeenkomst van opdracht heeft. Uiteraard kan een wettelijk ontslagverbod in dat geval niet aan de beëindiging van de overeenkomst in de weg staan. Daarentegen is onder anderen Van Delden, ArbeidsRecht 2015/15, van mening dat de 15 april-arresten niet analogisch van toepassing zijn.
Zo gingen Rb. Haarlem 16 februari 2012, JOR 2012/139 m.nt. Verburg; Rb. Midden-Nederland 7 juli 2014, JAR 2014/207; en Hof Amsterdam 16 september 2014, JOR 2015/128 m.nt. Schepel (Maes & Lunau), van een analoge toepassing van de 15 april-arresten op de overeenkomst van opdracht uit. Rb. Leeuwarden 17 augustus 2011, JIN 2011, 746; Hof ‘s-Gravenhage 11 juni 2013, RO 2013/53 (Pannonia/Cadac); en Hof Amsterdam 12 november 2013, JAR 2014/66 m.nt. Wiersma, trokken de lijn van de 15 april-arresten daarentegen niet door naar de overeenkomst van opdracht.
Verburg 2015, p. 100.
Idem onder anderen Bennaars 2015, p. 256; Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:134/244 BW, aant. 3; en Wiersma, in zijn annotatie bij Hof Amsterdam van 12 november 2013, JAR 2014/66.
Aldus ook onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/263; en Wiersma, JAR 2014/66.
Idem onder anderen Bennaars 2015, p. 256; en Wiersma, JAR 2014/66.
Mijns inziens is de Ondernemingskamer daartoe overigens bevoegd. Ik bepleitte dat eerder al in Kreileman & Bulten, Ondernemingsrecht 2016/109. Met dit standpunt bevind ik mij in gezelschap van onder anderen Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/263; Assink|Slagter 2013 (Deel 2), § 93.3 p. 1787; en Lennarts, T&C Ondernemingsrecht, art. 2:134/244 BW, aant. 3. Bennaars 2015, p. 258-259; en Verburg 2015, p. 96, zijn daarentegen van mening dat de Ondernemingskamer de arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht niet kan ontbinden.
Dit betoogde ik eerder al met Bulten in Kreileman & Bulten, Ondernemingsrecht 2016/109.
De vennootschapsrechtelijke gevolgen van het schorsings- en ontslagbesluit zijn zonneklaar. Zoals ik in § IV.4.1 al schreef, heeft de schorsing van de niet-uitvoerende bestuurder tot gevolg dat hij zijn taken en bevoegdheden tijdelijk niet kan uitoefenen. Wordt de niet-uitvoerende bestuurder niet geschorst maar ontslagen, dan moet hij zijn functie voorgoed neerleggen. Maar wat zijn nu precies de gevolgen van het schorsings- en ontslagbesluit voor de contractuele band tussen de vennootschap en de niet-uitvoerende bestuurder? Algemeen wordt aangenomen dat een geschorste bestuurder aanspraak behoudt op zijn beloning, tenzij anders is overeengekomen.1 De vraag rijst of dit eveneens opgaat wanneer de niet-uitvoerende bestuurder wordt ontslagen.
Jurisprudentie van de Hoge Raad leert dat het ontslag van een bestuurder tevens het einde van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft.2 Dit is niet anders indien een bestuurder zelf opstapt.3 Voor een uitzondering op de regel dat het ontslag tevens het einde van de arbeidsverhouding tot gevolg heeft, is slechts plaats indien een wettelijk ontslagverbod aan die beëindiging in de weg staat of partijen anders zijn overeengekomen.4 Ik breng in herinnering dat de niet-uitvoerende bestuurder doorgaans niet werkzaam is op basis van een arbeidsovereenkomst, maar een overeenkomst van opdracht. Raakt het ontslagbesluit ook de overeenkomst van opdracht? Of is het bereik van de 15 april-arresten beperkt tot arbeidsovereenkomsten? Dat is nog geen uitgemaakte zaak. In de literatuur lopen de antwoorden uiteen.5 Ook de lagere rechtspraak is verdeeld.6 Desondanks ga ik ervan uit dat het ontslagbesluit tevens de overeenkomst van opdracht beëindigt.
Net als Verburg leid ik uit de 15 april-arresten af dat het ontslagbesluit direct externe werking heeft en het bijbehorende contract tot een einde brengt. Of dat contract als een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht kwalificeert, is daarbij niet relevant.7 In beide gevallen zijn de vennootschapsrechtelijke en de contractuele betrekking zodanig verweven dat na het ontslagbesluit slechts een lege huls overblijft.8 Bovendien zie ik niet in waarom een bestuurder met een overeenkomst van opdracht meer bescherming zou moeten genieten dan een bestuurder met een arbeidsovereenkomst.9 Zolang de Hoge Raad zich niet expliciet heeft uitgelaten over deze kwestie, doet de vennootschap er niettemin verstandig aan de overeenkomst van opdracht expliciet op te zeggen.10
De Hoge Raad heeft zich tot op heden evenmin hoeven te buigen over de gevolgen van een rechterlijk ontslag voor de contractuele band. In de literatuur is men niet eensgezind over het antwoord op de vraag of de Ondernemingskamer bij het ontslag in het kader van de enquêteprocedure tevens de arbeidsovereenkomst of de overeenkomst van opdracht kan ontbinden.11 Duidelijk is wel dat de rechtbank dat kan indien de niet-uitvoerende bestuurder door de rechtbank uit zijn functie wordt ontheven ex art. 106b lid 2 Fw. Ter onderbouwing van mijn standpunt wijs ik op art. 106b lid 4 Fw. Deze bepaling biedt de rechtbank de mogelijkheid om alle overige gevolgen van het bestuursverbod te regelen.12