Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.4.2:12.4.2 Mate van steunbewijs
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.4.2
12.4.2 Mate van steunbewijs
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Walton 2008, p. 35.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wet schrijft voor dat het bewijs tegen een verdachte niet uitsluitend mag berusten op één getuigenverklaring. Er dient altijd een bewijsmiddel uit een andere bron aanwezig te zijn, dat voldoende steun biedt aan de getuigenverklaring. Aangezien de invulling van deze bewijsminimumregel in de Nederlandse rechtspraak in het achtste hoofdstuk al uitvoerig aan de orde is geweest, wordt op deze plaats slechts kort stilgestaan bij de vraag hoe de toetsing van de individuele verklaring zich verhoudt tot het gebruik in de constructie als geheel en het daaraan verbonden wettelijk bewijsminimum van artikel 342 lid 2 Sv. De rechter die een verklaring voor het bewijs wil gebruiken, dient – in ieder geval in theorie – eerst de geloofwaardigheid van die verklaring te beoordelen, alvorens hij toekomt aan de vraag of de getuigenverklaring (in samenhang met het overige beschikbare bewijs) als (dragend) bewijsmiddel kan fungeren. Het lastige is echter dat de rechter voor de waardering van de inhoud van de verklaring veelal ook al kijkt naar het overige bewijsmateriaal. Zoals we hiervoor reeds zagen, is de verantwoording van de geloofwaardigheid van de verklaring en een eventuele selectie van relevante beweringen uit die verklaring, veelal gelegen in het feit dat voor de gebruikte beweringen steunbewijs bestaat. De toetsing van een individuele (getuigen)verklaring laat zich dus niet volledig loskoppelen van de bewijsconstructie als geheel. Echter, het feit dat de bewijsminimumregels wel uitdrukkelijk in de wet zijn geregeld terwijl normering van de waardering van de geloofwaardigheid (in de zin van betrouwbaarheid) van de verklaring in het Wetboek van Strafvordering in zijn geheel ontbreekt, wekt de suggestie alsof de rechter met de vaststelling dat er voor een getuigenverklaring voldoende steunbewijs bestaat, zich voldoende van zijn taak heeft gekweten. Echter, zonder een intrinsieke toetsing van de verklaring zelf bestaat het risico dat de rechter te veel of juist te weinig gewicht hecht aan de verklaring in de bewijsconstructie en dat deze ten onrechte wel of niet als (dragend) bewijsmiddel wordt gehanteerd. Tevens ligt het gevaar op de loer dat men ten prooi valt aan de zogenaamde double counting fallacy, waarbij bewijsmateriaal ten onrechte dubbel wordt ‘geteld’. Walton noemt in dit verband het voorbeeld waarin een getuige wijst naar de verdachte en waarbij de verdachte later bekent dat hij het strafbare feit heeft begaan. Elk bewijsstuk afzonderlijk wijst naar de conclusie dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. De bekentenis ondersteunt ook de getuigenverklaring in de zin dat het meer waarschijnlijk wordt dat het is gegaan zoals de getuige heeft verklaard. De dubbeltelling is daarin gelegen dat de bekentenis (impliciet) voor twee doeleinden wordt gebruikt, namelijk ten eerste als bewijs dat de verdachte het feit heeft gepleegd en ten tweede als bewijs dat de getuige de waarheid heeft verteld. Een dergelijk (onbewuste) dubbeltelling kan worden voorkomen door de waarde van de verklaring als bewijs dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd op zichzelf te bezien. Dit betekent dat deze moet worden getoetst op zijn geloofwaardigheid los van de bekentenis.1