Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.4.3:12.4.3 Bewijswaarde van de getuigenverklaring
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/12.4.3
12.4.3 Bewijswaarde van de getuigenverklaring
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De bewijswaarde van een verklaring kan worden bepaald door de verklaring te bekijken vanuit twee scenario’s. Dit geldt niet alleen op het niveau van de bewijsconstructie als geheel maar ook op het niveau van individuele bewijsmiddelen. Als voorbeeld kan worden genoemd een identificatie die tot stand komt als gevolg van een eenpersoons- of enkelvoudige confrontatie. Er is een overval begaan op een tankstation, de tankbediende geeft een signalement af van de dader en een halfuur later wordt Jan in een naburig winkelcentrum aangehouden omdat hij voldoet aan het afgegeven signalement. Jan wordt aan de tankbediende getoond in een enkelvoudige confrontatie, waarbij hij wordt herkend als zijnde de persoon in het tankstation en de dader van de overval. Om deze herkenning voor het bewijs te kunnen gebruiken, moet de rechter zich de vraag stellen of, en hoeveel, bewijswaarde aan die herkenning toekomt. Om dit te bepalen dient zowel naar het schuld- als naar het onschuldscenario te worden gekeken: de waarschijnlijkheid van de identificatie als de verdachte in het tankstation was versus de waarschijnlijkheid van de identificatie als de verdachte niet in het tankstation was.1 In het genoemde voorbeeld is in het scenario dat de verdachte aanwezig was het zeer waarschijnlijk dat de tankbediende Jan correct identificeert (er gemakshalve van uitgaande dat hij de dader goed heeft gezien). Het lijkt dus alsof bewijswaarde aan deze identificatie toekomt. Echter, de kans op een positieve identificatie is ook groot bij het scenario dat niet de verdachte maar een andere persoon in het tankstation was. Onderzoek laat immers zien dat mensen snel geneigd zijn om de getoonde persoon aan te wijzen als zijnde de dader.2 Dit is in de gegeven casus temeer een reëel risico nu de getoonde persoon is aangehouden op basis van het afgegeven signalement (en dus vooraf vaststaat dat er enige gelijkenis moet bestaan tussen de aangehouden persoon en de dader). Met andere woorden, deze herkenning discrimineert nauwelijks tussen het scenario ‘Jan was aanwezig in het tankstation’ en het scenario ‘Een andere man was in het tankstation en heeft de overval gepleegd’ en komt daarom – afhankelijk van de meer concrete omstandigheden van het geval – slechts beperkte of misschien wel helemaal geen bewijswaarde toe. We zien echter in de rechtspraak dat de resultaten van dergelijke (enkelvoudige) confrontaties wel voor het bewijs worden gebruikt.3 Gevreesd wordt dat de rechter zich niet of onvoldoende realiseert dat het bewijsstuk niet of nauwelijks diagnostisch is. Het gevolg van het gebruik is dat de bewijsconstructie – op het eerste gezicht – veel sterker lijkt dan hij in werkelijkheid is. Als in het vonnis wordt opgenomen dat de tankbediende Jan heeft aangewezen als de dader dan lijkt dat een zeer belastende bevinding, maar dat is gegeven de omstandigheden waaronder de identificatie is gedaan, dus niet het geval.