Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.3.3
8.4.3.3 De reactie in de literatuur op de onmogelijkheid om toekomstige vorderingen te cederen
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS418325:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van de literatuur: Wiarda 1937, p. 409 e.v. Overigens werd de uitspraak van de Hoge Raad ook door verschillende auteurs verdedigd, zoals: Mesritz 1929, p. 511; Coebergh 1934, p. 335; Bosch 1935, p. 572.
In zijn noot bij HR 29 december 1933 NJ 1934/346 (Fijn van Draat/Credietmij De Nederlanden).
In zijn noot bij HR 29 december 1933 NJ 1934/346 (Fijn van Draat/Credietmij De Nederlanden) m.nt. P. Scholten.
Hof Amsterdam 30 maart 1933, NJ 1933/1250 (Fijn van Draat/Credietmij De Nederlanden). Zie voor een overzicht van de auteurs die dit standpunt huldigden: Wiarda 1937, p. 412. Later o.a. ook Eggens in zijn noot bij het Sio-arrest in AA 1951- 2, p. 178.
Zij verschilden van mening ten aanzien van de beantwoording van de vraag of roerende zaken bij voorbaat konden worden geleverd.
Zie: §8.3.6.
Wiarda 1937, p. 414 e.v.
De meerderheid van de literatuur bestreed de onmogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te cederen.1 Zo meende Scholten dat de Hoge Raad onterecht de overdraagbaarheid van vorderingen en roerende zaken op één lijn stelde. In 1933 had de Hoge Raad de levering van toekomstige roerende zaken bij voorbaat nog niet aanvaard – dat gebeurde pas in het Sio-arrest van 1953 – en kennelijk wilde de Hoge Raad dit ook niet voor vorderingen aanvaarden. Volgens Scholten kon een schuldenaar zijn toekomstige roerende zaken niet bij voorbaat overdragen, omdat voor eigendomsoverdracht levering was vereist en dit in beginsel een fysieke handeling was. Een schuldenaar kon vorderingen door enkele wilsovereenstemming overdragen waardoor niets er aan in de weg stond om zowel bestaande als toekomstige vorderingen bij voorbaat over te dragen.2 Hij meende dat de beperking die de Hoge Raad had geformuleerd, voortkwam uit een afkeer van cessie met een generaal karakter.3
Het Hof Amsterdam had zich eerder dat jaar in de Fijn van Draatzaak in vergelijkbare bewoordingen uitgelaten over dit verschil tussen roerende zaken en vorderingen.4 Het college oordeelde dat ‘levering van een zaak vereischt het bestaan daarvan, wanneer zij geschiedt door bezitsoverdracht, vermits van de uitoefening van feitelijke heerschappij over eene zaak slechts sprake kan zijn, wanneer die zaak bestaat; dat echter niet is in te zien, waarom dit vereischte ook zou moeten worden gesteld, waar levering geschiedt door eene overeenkomst.’
Wiarda verdedigde evenals Scholten de mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te cederen.5 Net als bij de levering bij voorbaat van roerende zaken ging hij uit van de zakelijke binding van de wil.6 Wiarda legde het arrest zo uit dat een overdracht bij voorbaat wel stand had gehouden indien partijen de overdracht als een voorwaardelijke hadden ingekleed.7