Einde inhoudsopgave
De prioriteitsregel in het vermogensrecht (AN nr. 167) 2018/6.2.3
6.2.3 Zekerheidsrechten op roerend goed
mr. L.M. de Hoog, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. L.M. de Hoog
- JCDI
JCDI:ADS387091:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Uit de definitieomschrijving in art. 2071 (oud) Cc volgt dat nantissement een contract was waarbij de schuldenaar aan zijn schuldeiser een zaak afgeeft tot zekerheid van de schuld. Er kwam eerst een overeenkomst van verpanding tot stand na dépossession, hetgeen dus een vereiste was voor de vestiging van het pandrecht alsook voor de totstandkoming van de pandovereenkomst. Een gage is daarmee een reëel contract. Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 6 en 36 en Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 86. Het is opmerkelijk dat voor de vestiging van een pandrecht anders dan voor de eigendomsoverdracht van roerende zaken bezitsverschaffing wordt vereist.
Aan deze vereisten werd door de Cour de cassation strikt de hand gehouden. Zie de rechtspraakverwijzingen bij Aubry & Rau VI, § 432, voetnoot 19.
In 1863 is ter zake van de gage commercial (handelspand) als bedoeld in art. 91 Code de Commerce het vereiste van art. 2074 (oud) Cc losgelaten. Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 148 en Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 131.
Ook het gebruik van de constructie van verkoop met het recht van wederinkoop ter verzekering van de terugbetaling van een schuld werd door de rechterlijke macht de pas afgesneden. Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 88 met diverse rechtspraakverwijzingen.
Via de mogelijkheid die de Code civil in art. 2076 (oud) bood om zaken aan een derde af te geven, is een systeem van warrants tot ontwikkeling gekomen. De in pand gegeven zaak werd bij zogeheten magasins generaux afgegeven, waarna de verpanding kon plaatsvinden door de overhandiging van het ontvangstbewijs (endossement). Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 160 en 161 en Aubry & Rau VI, § 432.
De naam is afgeleid van het in de vorige voetnoot beschreven systeem. De boer overhandigt aan de schuldeiser een ‘warrant’, een akte die de bezwaarde bedrijfsgoederen vertegenwoordigt. Zie Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 256.
Zie Baudry-Lacantinerie & De Loynes I, nr. 86 en Planiol & Ripert/Becqué XII, p. 307. In Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 256 wordt opgemerkt dat van deze warrant agricole maar weinig gebruik is gemaakt.
Hoewel de wetgever aldus de warrants als pandrechten heeft geïntroduceerd worden deze in de literatuur beschouwd als hypotheken op roerend goed. Gelet op het feit dat niet zozeer het onderscheid tussen roerend of onroerend – nantissements kunnen ook op onroerende zaken worden gevestigd – als wel de bezitsverschaffing naar Frans het onderscheid tussen pand en hypotheek kenmerkt, valt voor deze kwalificatie veel te zeggen.
Zie Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 266-272 quater.
Deze problematiek van artikel 2279 (oud, thans 2276) Cc komt uitgebreid aan de orde in par. 6.3.2 ter zake van botsende verbintenissen bij de verkrijging van een goed.
Hoewel een warrant voor werking tegen andere crediteuren moest worden geregistreerd bij de griffie van het kantongerecht, werd door de inschrijving de mogelijkheid van een beroep op goede trouw door een derdeverkrijger niet uitgesloten. De praktische onmogelijkheid om een goed systeem van registratie voor roerende zaken te ontwerpen ligt aan deze consequentie ten grondslag. Bovendien is het ondoenlijk om bij de verkrijging van iedere roerende zaak de registers te raadplegen. Zie Planiol & Ripert/Becqué XII, nr. 265.
Ordonnance relative aux sûretés, nr. 2006-346 van 23 maart 2006. Deze wijziging kon door de regering bij ordonnantie plaatsvinden omdat daartoe een machtigingswet (Wet nr. 2005-842 van 26 juli 2005) is uitgevaardigd en de ordonnantie bij wet van 20 februari 2007 (Wet nr. 2007-212) is bevestigd. Zie Simler & Delebecque 2016, nr. 5. Deze ordonnantie is voorbereid door het ‘Rapport à Monsieur Dominique Perben, Garde des Sceaux, Ministre de la Justice’, opgesteld door de in juli 2003 door de Minister van Justitie ingestelde ‘Groupe de travail relatif à la réforme du droit des sûretés’, onder leiding van Michel Grimaldi.
Het invoegen van een nieuw boek alsmede de verschuiving van bepaalde rechtsfiguren heeft een grote vernummering tot gevolg gehad. Het oude boek IV is boek V geworden.
Men vergelijke art. 1606 met 1607 Cc. Zie over het onderscheid Planiol & Ripert/Picard III, nr. 54 en 55. Naar Nederlands recht is het onderscheid tussen lichamelijke en onlichamelijk zaken in 1992 vervangen door een indeling in ‘goed’ als genusbegrip, uitgesplitst in ‘zaak’ en ‘vermogensrecht’, art. 3:1 BW.
Zie Simler & Delebecque 2016, nr. 628 en Cabrillac e.a. 2015, nr. 758.
Nogmaals zij benadrukt dat dépossession thans slechts van belang is voor het antwoord op de vraag of het zekerheidsrecht aan derden kan worden tegengeworpen, niet voor de rechtsgeldige totstandkoming van de gage zoals onder de vigeur van het art. 2071 (oud) Cc gold. In de literatuur wordt wel opgemerkt dat bezitsverschaffing een gebrekkige wijze van publiciteit is omdat aan derden niet kenbaar is onder welke titel de pandnemer de zaak op zijn beurt onder zich houdt. Zie Aynès & Crocq 2017, nr. 509.
Zie decreet nr. 2006-1804 van 23 december 2006 waarin de wijze van registratie als bedoelde in art. 2338 Cc nader wordt uitgewerkt.
Het loslaten van de eis van dépossession heeft tevens de verpanding van toekomstige zaken mogelijk gemaakt, hetgeen sindsdien ook bij wet (art. 2333, eerste alinea Cc) is geregeld. Zie Simler & Delebecque 2016, nr. 627.
Volgens Aynès & Crocq 2017, nr. 509 is die centralisatie een van de sleutels tot succes. Zie voorts Cabrillac e.a. 2015, nr. 779 en Bouteiller 2007, p. 4 en 5.
De datum waarop de gage tot stand is gekomen is voor de derdenwerking nimmer relevant. Daarin ligt een belangrijk verschil met het hypotheekrecht (art. 2425, tweede alinea Cc) omdat ook twee op dezelfde dag ingeschreven pandrechten rang innemen naar de volgorde van hun inschrijving. Zie Bouteiller 2007, p. 3.
Zie Cabrillac e.a. 2015, nr. 1038, Simler & Delebecque 2016, nr. 630 en Aynès & Crocq 2017, nr. 510.
Art. 2340, tweede alinea Cc is met de bepaling ‘nonobstant le droit de rétention’ één van de weinige gevallen waarin het retentierecht van art. 2286 Cc wordt ontkracht, hetgeen evenwel een noodzakelijke voorwaarde is van de doeltreffendheid van het ‘bezitloze’ pandrecht. Zie Cabrillac e.a. 2015, nr. 1038 en Simler & Delebecque 2016, nr. 630.
Deze bescherming van de verkrijger te goeder trouw komt hierna in par. 6.3.2 nader aan de orde.
Zie Aynès & Crocq 2017, nr. 509, Cabrillac e.a. 2015, nr. 781 en Danos, diss. 2007, p. 353 en 354.
De Code civil stond bij haar invoering in 1804 slechts één zekerheidsrecht op roerende zaken toe, te weten gage. Het hypotheekrecht was gereserveerd voor onroerende zaken, met als gevolg dat alleen het zekerheidsrecht van costumiere origine – te weten nantissement, waarvan de toepassing op roerende zaken op de voet van het art. 2072 (oud) Cc gage werd genoemd – kon worden gevestigd op roerende zaken. Voor de geldige totstandkoming van een gage was vereist dat de in zekerheid gegeven zaak uit de macht van deschuldenaar werd gebracht, de zogenoemde eis van ‘dépossession’.1 Art. 2076 (oud) Cc bepaalde dat een pandrecht slechts geldig is voor zover het pand in het bezit is gesteld en gebleven van de schuldeiser of van een derde omtrent wie partijen zijn overeengekomen. De bezitsverschaffing door middel van constitutum possessorium voldeed dientengevolge niet aan het vereiste van dépossession en bovendien moest het bezwaarde goed op straffe van het tenietgaan van het pandrecht uit de macht van de schuldenaar blijven.2 Tevens diende krachtens art. 2074 (oud) Cc een gage te worden gevestigd bij authentieke of geregistreerde onderhandse akte waarin de omvang van de schuld alsmede een precieze en volledige beschrijving van de in pand gegeven zaak moest worden opgenomen.3
Hoewel prioriteitsconflicten werden voorkomen – nadat de zaak uit de macht van de schuldenaar is gebracht kan hij immers niet opnieuw dezelfde zaak ten behoeve van een ander verpanden – was de eis van dépossession vanuit bedrijfseconomisch perspectief hinderlijk voor de ontwikkeling van het kredietverkeer.4 Voor het bedrijfsleven is het niet gunstig om de feitelijke macht over bedrijfsgoederen te moeten afstaan om krediet te kunnen aantrekken en voor kredietverstrekkers is het eveneens bezwaarlijk om de in pand gegeven goederen te moeten opslaan.5 Pas in 1898 heeft de wetgever een eerste uitzondering gecreëerd waarbij ten behoeve van de agrarische sector een stil pandrecht werd geïntroduceerd, de zogenoemde warrant agricole.6 De verpanding geschiedde door het opmaken een akte (warrant) die – in plaats van de bezwaarde zaken – aan de crediteur werd overgedragenen geregistreerd op de griffie van het kantongerecht.7 Met het overdragen van de akte die de zaken vertegenwoordigde werd aan het vereiste van dépossession voldaan.8 Hierna volgden ook pandrechten met fictieve bezitsverschaffing ten behoeve van andere categorieën schuldenaren, zoals de warrant hôtelier (1913), de warrant pétrolier (1932) en de warrant industriel (1940).9
De positie van een schuldeiser met een dergelijk stil pandrecht was niet anders dan die van de vuistpandhouder. Beiden hadden voorrang op concurrente crediteuren. Toch liep de houder van een warrant meer risico dan de vuistpandhouder. Aan het pandrecht was weliswaar het recht van zaaksgevolg verbonden, een derdeverkrijger te goeder trouw werd evenwel beschermd.10 Indien de zaak in de macht van de schuldenaar bleef, was het mogelijk dat het zekerheidsrecht teniet ging doordat de zaak aan een derde te goeder trouw werd overgedragen.11
Bij ordonnantie van 23 maart 2006 is het Franse zekerhedenrecht ingrijpend gewijzigd.12 Er is een nieuw Boek IV ingevoegd dat de titel ‘Des sûretés’ draagt, waarin alle zekerheidsrechten, zowel persoonlijke als zakelijke, zijn ondergebracht.13 De inhoudelijke aanpassingen treffen onder meer de regeling van het pandrecht. In de eerste plaats zij opgemerkt dat er een terminologische wijziging is doorgevoerd die overigens ook gevolgen heeft voor de inhoud van het pandrecht. Nantissements worden niet langer uitgesplitst in gages en antichrèses (zie art. 2072 (oud) Cc). Voortaan is een gage een pandrecht op lichamelijke (art. 2333 Cc) en een nantissement een pandrecht op onlichamelijke zaken (art. 2355 Cc). Het onderscheid tussen lichamelijke en onlichamelijke zaken – hetgeen grofweg een indeling in ‘zaken’ en ‘rechten’ behelst – wordt niet expliciet in de Code gemaakt, maar komt onder meer tot uitdrukking bij de levering van goederen.14
Naar de definitie van art. 2333 Cc is een gage een contract waarbij de pandgever aan de schuldeiser het recht verleent om zijn vordering met voorrang boven de andere schuldeisers op een roerende zaak te verhalen. Onder het huidige Franse recht komt het pandrecht reeds bij schriftelijke overeenkomst tot stand. Het afgeven van de zaak (‘remettre une chose’, art. 2071 (oud) Cc) is geschrapt als vereiste voor de totstandkoming. Daarmee is een gage niet langer een reëel contract.15 Evenals bij het recht van hypotheek het geval is, moet eerst kenbaarheid aan het zekerheidsrecht worden gegeven voordat er derdenwerking aan het recht wordt verbonden (art. 2337, eerste alinea Cc). Een contract werkt immers alleen tussen partijen. Die kenbaarheid kan op twee wijzen plaatsvinden. In de eerste plaats kan de bezwaarde zaak uit de macht van de schuldenaar worden gebracht.16 Daarnaast kan een gage aan derden worden tegengeworpen na inschrijving in een speciaal register dat bij de griffie van de rechtbank van koophandel wordt gehouden.17 Daarmee heeft de Code civil na ruim 200 jaar het stille pandrecht mogelijk gemaakt.18 De publiciteit wordt gerealiseerd doordat de inschrijvingen worden doorgevoerd in een gecentraliseerd nationaal register dat kosteloos via het internet kan worden geraadpleegd.19
Met het loslaten van het strikte vereiste van dépossession, heeft een debiteur de mogelijkheid gekregen de waarde van zijn zaken optimaal te benutten door deze verscheidene malen te verpanden. Een meermalige bezwa-ring kan echter aanleiding geven tot conflicten tussen de schuldeisers indien het totaal van de vorderingen de waarde van het onderpand overstijgt. De wetgever heeft in art. 2340, eerste alinea Cc een met het hypotheekrecht vergelijkbare rangorderegel opgenomen die aansluit bij de volgorde van inschrijving.20 Een pandhouder kan zijn recht na de inschrijving immers tegenwerpen aan derden, waaronder pandhouders met een later geregistreerd pandrecht. Hetzelfde geldt als de opvolgende verpanding met dépossession plaatsvindt. Onder de toepassing van het prioriteitsprincipe zal de vuistpandhouder de stil pandhouder in rang voor moeten laten gaan (art. 2340, tweede alinea Cc).21 Het retentierecht dat de vuistpandhouder toekomt moet wijken voor het oudere recht van de stil pandhouder.22 De vuistpandhouder had zich door raadpleging van het voor eenieder kosteloos en digitaal te raadplegen register van het bestaan van het eerste pandrecht kunnen vergewissen. Diezelfde gedachte gaat op indien de stil pandgever de zaak heimelijk overdraagt en de derdeverkrijger zich beroept op de bescherming bij een verkrijging te goeder trouw van art. 2276 Cc.23 Het conflict dat aldus kan ontstaan werkt niet ten nadele van de stil pandhouder omdat de inschrijving van het pandrecht het beroep op goede trouw van de derdeverkrijger uitsluit (art. 2337, derde alinea Cc).24