Grenzen van het strafrecht in de voorfase
Einde inhoudsopgave
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/6.2.1:6.2.1 Het raamwerk van Ferrajoli
Grenzen van het strafrecht in de voorfase (SteR nr. 60) 2023/6.2.1
6.2.1 Het raamwerk van Ferrajoli
Documentgegevens:
mr. E.A.J. Nab, datum 12-01-2023
- Datum
12-01-2023
- Auteur
mr. E.A.J. Nab
- JCDI
JCDI:ADS715407:1
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Merk op dat dit in wezen het ‘zijaanzicht’ is van de concentrische cirkels uit §1.2.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hiervoor is getoond welke bevindingen het raamwerk van Ferrajoli, zoals geschetst in §1.2.1, in combinatie met een benadering vanuit verschillende perspectieven oplevert voor wat betreft de grenzen van het strafrecht in de voorfase. Het raamwerk dat Ferrajoli schetst over de verhouding tussen beginselen is mijns inziens echter vooral waardevol bij de onderlinge afbakening van beginselen. Doordat een beginsel binnen dit kader steeds een verbinding vormt tussen twee andere beginselen, wordt op retorisch fraaie wijze enerzijds de onderlinge verwevenheid van beginselen benadrukt en wordt anderzijds en tegelijkertijd inzichtelijk gemaakt dat beginselen voldoende scherp van elkaar moeten worden onderscheiden, omdat ze elkaar anders volledig dreigen te absorberen.
Ferrajolis raamwerk helpt ook om bepaalde interpretaties van beginselen beter te begrijpen. Het idee dat de gedraging de schakel is tussen enerzijds opzet of culpa en anderzijds schade (nulla iniuria sine actione, nulla actio sine culpa) biedt bijvoorbeeld binnen de liberale interpretatie van het daadstrafrechtbeginsel een heldere en logische basis voor de rol van het causaliteitsleerstuk. Ook de aandacht voor het onderscheid tussen voltooide en onvoltooide pogingen en deugdelijke en ondeugdelijke pogingen is goed te begrijpen vanuit dit causaliteitsoogpunt. Ook de dogmatisch zeer fraaie wijze waarop uit een beperkt aantal hoofdbeginselen een veelvoud aan afgeleide (sub)beginselen kan worden geconstrueerd, spreekt tot de verbeelding. Binnen het bestek van dit proefschrift zijn die afgeleide beginselen grotendeels buiten beschouwing gebleven, maar voor toekomstig onderzoek zit daar – ook buiten de voorfase – nog de nodige potentie in.
Op een hoger abstractieniveau is Ferrajolis raamwerk ook nuttig om de veelvuldig aan bod gekomen vrees voor de opkomst van een intentiestrafrecht nader te kunnen duiden. Als we kijken naar samenhang tussen de zes materieelrechtelijke beginselen zoals Ferrajoli die schetst, is namelijk – in ieder geval op theoretisch niveau – wel te verklaren hoe het gevaar van een intentiestrafrecht samenhangt met ruime interpretaties van de beginselen van het materiële strafrecht. Als de beginselen zich namelijk tot elkaar verhouden als een soort syllogismen en een auteur vervolgens ieder opvolgend beginsel niet alleen als noodzakelijke, maar ook als voldoende voorwaarde voor vervulling van het voorgaande beginsel ziet, kan de gehele keten aan materieelrechtelijke beginselen immers worden teruggebracht tot één overkoepelend beginsel: nulla poena sine culpa. Uiteraard is dat een wel erg (mijns inziens: te) vergaande doorredenering van Ferrajolis raamwerk, maar het punt is vooral dat een syllogistische visie op de verhouding tussen beginselen ook een gebrek aan onderscheid tussen beginselen kan uitlokken en zodoende tot een verwatering kan leiden van de beperkende functie die ieder beginsel heeft. Dat kan uiteindelijk uitmonden in een strafrecht waarin het mentale aspect het centrale, of zelfs enige, relevante criterium is voor strafbaarheid.
De koppeling tussen vrees voor een intentiestrafrecht en de in dit boek gehanteerde perspectieven is vervolgens ook snel gemaakt. Vanuit liberaal oogpunt moet ieder beginsel immers een nadere beperking aanbrengen op het voorgaande beginsel, zodat de reikwijdte van het strafrecht door ieder beginsel steeds verder wordt ingeperkt en de vrijheid van burgers zoveel mogelijk intact blijft. De liberaal zal voor deze interpretatie ook steun vinden in de formulering van de beginselen. ‘Geen straf zonder wet’ betekent immers niet dat omgekeerd met de aanwezigheid van een wettelijke grondslag de oplegging van straf een verplichting is. Een wettelijke grondslag is – op grond van de formulering van de beginselen – dus wel een noodzakelijke, maar niet per se een voldoende reden om te straffen. Vanuit functionalistisch oogpunt gaat een vergelijkbare redenering op, maar dan in het licht van overwegingen van effectiviteit en efficiëntie. Vanuit communitaristisch oogpunt hebben beginselen daarentegen vooral een beschrijvende functie en reflecteren ze de geldende normen in de samenleving. De vraag of, en zo ja in hoeverre, een verdachte in de ogen van de samenleving een verwijt kan worden gemaakt, is vanuit dit oogpunt inderdaad de hamvraag, niet alleen voor de invulling van het schuldbeginsel, maar ook voor de invulling van het daadstrafrechtbeginsel, het wederrechtelijkheidsbeginsel, het ultimum remedium-beginsel en het lex certa-beginsel. Een reeds ingevoerde (en dus in beginsel door de samenleving aanvaarde) norm kan vanuit communitaristisch oogpunt daarom ook moeilijk in strijd met beginselen zijn, die immers diezelfde normen reflecteren, terwijl bij de invoering van nieuwe normen toetsing aan het huidige normenkader wel mogelijk is, maar altijd in het besef dat indien de samenleving er alsnog voor kiest de gedraging strafbaar te stellen, beginselen daarmee ook kunnen veranderen. Ook deze communitaristische benadering kan zich op het in §1.2.1 geschetste raamwerk van Ferrajoli beroepen, in die zin dat het schuldbeginsel daarin als laatste aan bod komt en dus een noodzakelijk vereiste is voor alle daaropvolgende beginselen. Schematisch zijn deze twee manieren om naar (de verhouding tussen) beginselen te kijken weer te geven in het onderstaande schema, waarbij de trechtervorm de liberale, syllogistische visie op de verhouding tussen beginselen weergeeft en de stippellijnen de communitaristische, organische visie (zie ook §1.2.1).1
Een strafbepaling die op de eerste trede van de piramide stukloopt, voldoet als gevolg van de syllogistische aard van Ferrajolis raamwerk logischerwijs reeds daarom al niet aan de eisen van de daaropvolgende treden. Vandaar dat, vooral in geval van toetsing aan één beginsel, de neiging kan bestaan (aspecten van) voorgaande beginselen in de interpretatie van dat ene beginsel op te nemen en het gekozen beginsel dus breder uit te leggen dan nodig is. Het is mijns inziens van groot belang dat auteurs scherp nagaan binnen welk beginsel een probleem primair ontstaat, om zo de vinger op de (meest) zere plek te leggen. Dat is niet zozeer van belang omdat het niet nuttig is om nog verder te kijken naar de overige beginselen, maar om de toegevoegde waarde daarvan te kunnen beoordelen. De toetsing aan overige beginselen moet mijns inziens namelijk worden toegespitst op nieuwe problemen die ontstaan, los van de reeds geconstateerde problemen. Anders voegt toetsing aan navolgende beginselen weinig meer toe en wordt vooral de indruk gewekt dat een zeker retorisch effect is beoogd met de conclusie dat een fenomeen niet op gespannen voet met één, maar met meerdere beginselen staat. Ook hier kan het kader van Ferrajoli van toegevoegde waarde zijn, omdat daaruit een vaste volgorde volgt waarin beginselen moeten worden doorlopen. Binnen de organische visie op de verhouding tussen beginselen (zoals in §1.2.1 werd geschetst) doet ditzelfde probleem zich namelijk ook voor, maar binnen die benadering bestaat een dergelijke vaste volgorde niet.
Verschuiven we tot slot de aandacht van het schuldbeginsel, aan de basis van de piramide, naar het vergeldingsbeginsel, aan de top van de piramide, dan zien we in de marge van de behandeling van diverse beginselen al dat ook het strafdoel vergelding op gespannen voet staat met de opkomst van strafbaarheid in de voorfase. Hoewel bij voorfasedelicten preventie als strafdoel op het eerste gezicht wellicht meer voor de hand ligt, gaat het zowel in wetgevingsdocumenten als in rechtsgeleerde literatuur opvallend weinig daarover. Ook de vraag of bestraffing van voorfasedelicten daadwerkelijk tot minder criminaliteit leidt, komt niet aan bod. Wel gaat het vaak over preventie in de zin van het voorkomen van de voltooiing van het concrete delict waar de dader reeds mee bezig is. Dat is echter iets fundamenteel anders dan preventie als strafdoel. Het strafdoel achter voorfasedelicten is in dit proefschrift grotendeels buiten beschouwing gebleven, omdat daarover zowel in de literatuur als in wetgevingsdocumenten maar weinig wordt gezegd. Dat is in zekere zin juist veelzeggend: kennelijk wordt het dermate vanzelfsprekend geacht dat voorfasedelicten moeten worden bestraft (zelfs als het concrete delict reeds is voorkomen), dat geen woorden vuil hoeven te worden gemaakt aan het doel dat met die bestraffing wordt gediend. Dat is een voorzichtige indicatie dat – ondanks de gesignaleerde spanningen – het strafdoel toch vergelding is, aangezien bij vergelding de straf geen middel is voor een bepaald doel, maar doel op zich is.