Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/II.3.1
II.3.1 België
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178922:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hellemans 2001, p. 239 en 288-310, Van Gerven 2007, p. 154 en 175, Braeckmans 2010, p. 1673-1674, Geens & Wyckaert 2011, p. 596 en 598, Braeckmans & Houben 2012, p. 438, De Dier 2016/40 en Van Gerven 2016, p. 552-554. Anders: Ronse 1966, p. 12-13 (‘partijbeslissing’) en Van Ommeslaghe 2010, p. 1017-1018 (‘collectieve rechtshandeling’).
Zo ook De Dier 2016/40, die hieraan zelf wel ruime aandacht besteedt.
Zie Hellemans 2001, p. 275.
Hellemans 2001, p. 240-241 en De Dier 2016/40, nt. 99. Zie ook Van Gerven 2016, p. 553.
Hellemans 2001, p. 240, nt. 756.
De Dier 2016/79.
De in noot 38 vermelde schrijvers halen althans geen rechtspraak aan.
Kh. Antwerpen 16 september 2011, TRV 2013, 175, m.nt. Marien (zie ook De Dier 2016/42, nt. 117). Vgl. ook Kh. Brussel 16 augustus 2000, TRV 2000, 384.
De Dier 2016/42.
Ook de Belgen typeren het besluit als rechtshandeling van eigen aard.1 Maar veel belangstelling voor de gevolgen van deze kwalificatie heeft de Belgische literatuur niet.2 Wel gaat de rechtsleer ervan uit dat aan een besluit – zoals aan elke rechtshandeling – de wil van een orgaan ten grondslag moet liggen, bij gebreke waarvan een besluit wegens een wilsgebrek nietig kan worden verklaard.3 Ook zeggen sommigen dat met een beslissing rechtsgevolg moet zijn beoogd om van een besluit te spreken. Deze eis zetten zij echter niet sterk aan. Hellemans en De Dier benadrukken bijvoorbeeld dat een besluit ook voorligt wanneer nog uitvoering nodig is. De beslissing om een machine te kopen is een besluit. Het rechtsgevolg hoeft slechts te zijn beoogd, niet door het besluit zelf te worden bewerkstelligd.4 Tegelijk voeren ze aan dat zo’n rechtsgevolg niet zoveel om het lijf hoeft te hebben. Hellemans geeft het voorbeeld van de algemene vergadering die beslist om een gewezen bestuurder voor bewezen diensten met de titel van ‘ere-bestuurder’ te danken. Die beslissing heeft volgens hem geen rechtsgevolg en is derhalve rechtshandeling noch besluit. Maar, zo merkt Hellemans dan op, dat ligt anders wanneer die ere-bestuurder het recht heeft de vergaderingen van de raad van bestuur met raadgevende stem bij te wonen. In dat geval is er wel degelijk een rechtsgevolg en dus een besluit.5 Datzelfde geldt volgens De Dier voor negatieve beslissingen – die beogen als rechtsgevolg iets niet te doen en zijn dus besluiten.6
Intussen verliest ook de Belgische rechtspraak zich niet in de vraag wanneer precies voldoende rechtsgevolg voorhanden is om van een rechtshandeling en dus van een besluit te kunnen spreken. Zie ik het goed, dan is geen jurisprudentie voorhanden.7 Wel vernietigt de rechter een enkele keer een negatieve beslissing zonder daarbij stil te staan. Zo vernietigde de Antwerpse Rechtbank van koophandel de bestuursbeslissing om geen vordering in te stellen tot vernietiging van een voor de vennootschap zeer belangrijke koopovereenkomst.8
Het Belgische recht steekt kortom hetzelfde in elkaar als het onze, maar de zuiderburen lijken weinig zin te hebben in haarkloverij rondom het besluit. De Dier bijvoorbeeld kijkt hoofdschuddend naar de ‘verwarring die in het Nederlandse recht bestaat’.9 Volgens hem is er geen reden het besluitbegrip streng op te vatten. Het valt op dat in België wat meer pragmatisch naar het besluit wordt gekeken. Blijkbaar kan het ook eenvoudiger.