Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/2.2.5
2.2.5 De winstbelasting 1940
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS305605:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie MJ. Prinsen, Eenige beschouwingen betreffende het Besluit op de Winstbelasting 1940 (diss. UvA), Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.EJ. Tjeenk Willink 1941, p. 18-19.
Kamerstukken II 1939/40, 239, nr. 3 (MvT), p. 6 lk.
Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Financiën in zake het heffen van een winstbelasting en tot afschaffing van de dividend- en tantièmebelasting, 26 juli 1940, Stb. 1940, 405.
Met opcenten 11,5%.
Kamerstukken II 1939/40, 239, nr. 5 (MvA), p. 29 rk.
MJ. Prinsen, Enige beschouwingen betreffende het Besluit op de Winstbelasting 1940 (diss. UvA), Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.EJ. Tjeenk Willink 1941, p. 130.
MJ. Prinsen, Enige beschouwingen betreffende het Besluit op de Winstbelasting 1940 (diss. UvA), Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.EJ. Tjeenk Willink 1941, p. 50.
Kamerstukken II 1939/40, 239, 3 (MvT), p. 10 (rk).
In de jaren die volgden werd steeds duidelijker dat de dividend- en tantièmebelasting eenvoudig kon worden ontgaan door de winst niet uit te keren maar te reserveren. Nadat een aantal pogingen om deze trend te keren op niets was uitgelopen,1 stelde Minister van Financiën De Geer daarom voor de dividend- en tantièmebelasting te vervangen door een winstbelasting. De Geer, die in verband met de oorlogsdreiging geld nodig had, deed zijn best om de verschillen tussen de dividend- en tantièmebelasting en de winstbelasting te bagatelliseren. Beide belastingen hadden in zijn ogen de strekking om de winst van de daaraan onderworpen lichamen te treffen; slechts het tijdstip waarop de belasting werd geheven, verschilde. De voorgestelde vervanging van de dividend- en tantièmebelasting door een winstbelasting moest vooral worden gezien als een kwestie van belastingtechniek.2 Tot een principiële discussie over de rechtsgrond van de winstbelasting is het in de Kamer niet gekomen.
De Eerste Kamer heeft de behandeling van het wetsontwerp niet kunnen afmaken, omdat de oorlog uitbrak. Op 3 augustus 1940 is de Wet op de winstbelasting 1940 in het Staatsblad gepubliceerd krachtens besluit van de secretaris-generaal van Financiën.3
De winstbelasting werd geheven naar een tarief van 10%.4 Het tarief was daarmee aanzienlijk lager dan bijvoorbeeld het Engelse (37,5%), maar daar kon de winstbelasting van NV’s worden verrekend met de inkomstenbelasting van aandeelhouders.5 In Nederland kon dat niet.
De winst werd bepaald volgens de vermogensvergelijkingsmethode. Art. 5 Wet op de winstbelasting 1940 bepaalde dat de winst van een jaar gelijk was aan het saldo van het eind- en beginvermogen, vermeerderd met de terugbetalingen van kapitaal en hetgeen ‘als uitdeeling aan deelgerechtigden in de winst, en in het algemeen, anders dan voor bedrijfsdoeleinden aan het vermogen is onttrokken’ en verminderd met de stortingen. Zou de aftrek van de winstuitdelingen in art. 5 Wet op de winstbelasting niet zijn uitgesloten, dan had men, aldus Prinsen, kunnen verdedigen dat het normale dividend op de aandelen in het bedrijf geen andere functie heeft dan de rente van obligaties en dus aftrekbaar zou moeten zijn.6 Dit standpunt vloeide voort uit zijn opvatting dat de NV een economisch zelfstandig subject is. Toch kon Prinsen billijken dat de belasting over de totale winst zonder aftrek van de uitdelingen werd geheven, terwijl aan de genieters daarvan geen restitutie werd toegekend, zolang daar bij de vaststelling van het tarief maar rekening mee werd gehouden.7
Met ‘uitdeeling aan deelgerechtigden in de winst’ werd hetzelfde bedoeld als in art. 2 van de dividend en tantièmebelasting 1917. Ook hier was de term ‘uitdeeling’ dus een materieel begrip. Het was niet van belang welke vorm aan de uitdeling werd gegeven.8