HR, 17-04-2025, nr. 22/01909, nr. 22/03307
22/01909, 22/03307
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
17-04-2025
- Zaaknummer
22/01909
22/03307
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:618, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑04‑2025; (Cassatie)
In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBZWB:2022:4115
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:226
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑04‑2025
ECLI:NL:HR:2025:552, Uitspraak, Hoge Raad, 17‑04‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2023:226
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2022:1198
Beroepschrift, Hoge Raad, 17‑04‑2025
ECLI:NL:PHR:2023:226, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 24‑02‑2023
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:552
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:618
- Vindplaatsen
Viditax (FutD) 2025041802
FutD 2025-0816
NTFR 2025/685
NLF 2025/0973
NDFR Nieuws 2025/701
Viditax (FutD) 2025041802
FutD 2025-0816
Sdu Nieuws Belastingzaken 2025/455
NTFR 2025/684 met annotatie van mr. dr. B.F.M. Coebergh
NLF 2025/0941 met annotatie van Charlie Bruijsten
V-N 2025/19.5 met annotatie van Redactie
BNB 2025/74 met annotatie van A.O. Lubbers
FED 2025/72 met annotatie van K.N.C. van Buuren
NLF 2023/0736 met annotatie van Wouter Antonisse
V-N 2023/17.6 met annotatie van Redactie
NTFR 2023/471 met annotatie van mr. N.I. Groenland
Viditax (FutD) 2023031703
FutD 2023-0707
Uitspraak 17‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Goed koopmansgebruik; samenhangende waardering van vermogensbestanddelen; zeer effectieve hedge.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/03307
Datum 17 april 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
en
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 juli 2022, nr. BRE 18/86161., betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2013 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door B.J. Rubbens, advocaat te Rotterdam, en T.C. Gerverdinck, advocaat te Amsterdam, als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris en belanghebbende hebben over en weer een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door B.J. Rubbens voornoemd.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 24 februari 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris en ongegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
2.1
Het middel slaagt op de gronden die zijn vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 22/01909, ECLI:NL:HR:2025:552, tussen dezelfde partijen.
2.2
Gelet op hetgeen hiervoor in 2.1 is overwogen, kan de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd voor een samenhangende waardering van USD-schuld I en USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen.
3. Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden, gelet op de gronden die zijn vermeld in het hiervoor in 2.1 bedoelde arrest van de Hoge Raad.
4. Proceskosten
Wat betreft beide beroepen in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑04‑2025
Beroepschrift 17‑04‑2025
Motivering van het beroepschrift in cassatie (rolnr. 22/01909) tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 april 2022, nrs. 19/00771 en 19/00779, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de aanslag vennootschapsbelasting (Vpb) voor het jaar 2012 en de daarbij gegeven beschikking belastingrente.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Naar aanleiding van uw bericht van 30 mei 2022 heb ik de eer het volgende op te merken.
Als middel van cassatie draag ik voor:
Schending van het Nederlandse recht, met name van artikel 8, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 in verbinding met artikel 3.25 van de Wet inkomstenbelasting 2001 en artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht, doordat het Hof heeft geoordeeld dat samenhangende waardering van de vorderingen1. en schulden van belanghebbende in US-dollar (USD) uitsluitend aan de orde is voor de valutatermijncontracten en de schulden van in totaal USD 750 mln (USD-schuld I) en USD 479 mln (USD-schuld II) (in die zin dat de valutatermijncontracten USD 200 mln gezamenlijk gewaardeerd worden met USD-schuld I en de valutatermijncontracten USD 225 mln samenhangend met USD-schuld I en USD-schuld II) en dat, terwijl vaststaat dat sprake is van een zeer effectieve hedge aangezien het gaat om de waardeontwikkelingen als gevolg van de mutatie in de koers van dezelfde valuta, niet alle in USD luidende vorderingen en schulden van belanghebbende samenhangend gewaardeerd moeten worden en meer bepaald geen aanleiding bestaat voor samenhangende waardering van de Braziliaanse vorderingen in USD (Braziliaanse vorderingen) en voornoemde USD-schulden omdat volgens het Hof ook op grond van de aard van de contracten waaruit de vorderingen en schulden zijn ontstaan en eventueel het oogmerk van de belastingplichtige, sprake moet zijn van samenhang in de door het Hof voorgestane zin van zakelijk (historisch-causaal) verband en van deze samenhang in casu geen sprake is, zulks evenwel ten onrechte dan wel op gronden die de beslissing niet kunnen dragen, zoals hieronder nader wordt toegelicht.
Toelichting
Vooraf en geschil
Voor de vaststaande feiten verwijs ik naar onderdeel 2 van de Hofuitspraak, met name naar de onderdelen Algemeen (r.o. 2.1 t/m 2.6) en Samenhangende waardering (r.o. 2.17 t/m 2.26). Hieruit volgt dat de fiscale eenheid ultimo 2012 de volgende vorderingen en schulden in USD heeft (r.o. 2.17)2.:
Vorderingen | USD | Ontstaan |
|---|---|---|
Kortlopend Brazilië (Braziliaanse vorderingen) | 261.292.322 | 2011 en volgende |
Valutatermijncontract | 200.000.000 | 21-03-2004 en volgende |
Valutatermijncontract | 225.000.000 | 01-03-2012 en volgende |
Schulden | ||
Lening (USD-schuld I) | 500.000.000 | 21-03-2004 |
Lening (USD-schuld I) | 250.000.000 | 21-03-2004 |
Lening (USD-schuld II) | 479.000.000 | 29-12-2009 |
Op haar fiscale balans waardeert belanghebbende de vorderingen en schulden in USD tegen historische kostprijs of lagere bedrijfswaarde (d.w.z. waardering op actuele koers indien dit leidt tot een ongerealiseerd verlies).3. Valutawinsten rekent zij tot het belastbaar bedrag indien deze zijn gerealiseerd en valutaverliezen neemt zij in aanmerking zodra een vordering lager of een schuld hoger wordt gewaardeerd (r.o. 2.18). De op de valutatermijncontracten gerealiseerde winsten en verliezen en ongerealiseerde verliezen worden in de aangiften verantwoord maar ongerealiseerde winsten niet (r.o. 2.20.1, 2.20.2 en 2.22)
In de commerciële jaarrekening zijn de vorderingen en schulden op actuele koers gewaardeerd. Eind 2012 is er een verschil in balanswaardering commercieel-fiscaal van € 57.311.031, zijnde fiscaal niet tot uitdrukking gebrachte ongerealiseerde winsten.4.
In r.o. 2.1 en r.o. 2.26 heeft het Hof passages uit het […] Financial Report 2012 weergegeven. In aanvulling hierop wijs ik op de diverse citaten uit dit rapport opgenomen in de motivering van het hoger beroep van de inspecteur (hierna: hoger beroepschrift), blz. 28–31. Hieruit volgt dat sprake is van een concernbeleid gericht op het beheersen van onder meer valutarisico's:
‘[Blz. 30] RISK MANAGEMENT AND HEDGE ACCOUNTING RISK MANAGEMENT POLICIES. Risk management in [X] is based on the principle that risk evaluation is an integral part of all business activities. [X] has established procedures for determining appropriate risk levels for the main risks and monitoring these risk exposures. Based on the overall evaluation of risk, [X] may use derivative instruments such as forward contracts, options and swaps to reduce exposures. [X]'s business model and positions provide natural hedges to reduce business risks inherent in the market. (…).
[X]'s Finance & Treasury function provides services to the business, co-ordinates access to domestic and international financial markets, monitors and manages the financial risks relating to the operations of the Group through internal risk reports which analyses exposures by degree and magnitude of risks. These risks include market risks such as currency and interest rate risk, credit risk and liquidity risk. The Finance & Treasury function reports regularly to the Group's management. The Group may seek to manage the effects of these risks by using derivative financial instruments to hedge these risk exposures. (…).
CURRENCY RISK Prices of [X]'s most important products are either directly denominated or determined in US dollars. (…). In order to hedge [X]'s long-term exposure to fluctuations in the US dollar exchange rate, [X] incurs most of its debt in US dollars. A certain portion of the total debt is, however, kept in various local currencies in order to finance local currency exposed business positions. [X] manages foreign currency exchange rate risks by adjusting the composition of the debt portfolio to changes in [X]'s overall risk exposure. (…).’
In r.o. 2.25 is vermeld dat de inspecteur het aangegeven belastbaar bedrag heeft verhoogd met € 4.227.785 in verband met de vermeende samenhang tussen USD-schuld I, USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen; dit betreft echter niet de correctie maar uitsluitend het bedrag van de ongerealiseerde verliezen op deze vorderingen in het boekjaar 2012.5. Zulks geldt ook voor r.o. 2.23; het daar genoemde bedrag betreft de ongerealiseerde verliezen (2012) op het valutatermijncontract USD 225 mln.
De inspecteur heeft bij de aanslagregeling van belanghebbende correcties in verband met de samenhangende waardering van vorderingen en schulden in USD aangebracht van in totaal € 56.386.165 (zie r.o. 2.4). Deze correcties berusten voor een deel op het — door het Hof verworpen — standpunt van de inspecteur dat alle USD-posities gewaardeerd dienen te worden op actuele koers; het cassatieberoep is niet tegen dit in r.o. 4.36 en 4.37 vervatte oordeel gericht.
Beschouwing
Bij de beoordeling voor welke in USD luidende activa en passiva aanleiding bestaat voor samenhangende waardering, is het Hof mijns inziens van een onjuiste maatstaf uitgegaan, althans zijn oordeel is, zonder nadere motivering die echter ontbreekt, onbegrijpelijk.
Het Hof heeft de waardering in samenhang naar mijn mening ten onrechte beperkt tot de valutatermijncontracten en de schulden (USD-schuld I en II), terwijl vaststaat dat voor alle vorderingen en schulden in USD (genoemd in r.o. 2.17) met betrekking tot het valutarisico sprake is van een zeer effectieve hedge: de waardeontwikkelingen van genoemde vermogensbestanddelen als gevolg van een mutatie in de koers van de USD hangen direct samen en deze zullen, zoals ook het Hof vaststelt (r.o. 4.23), (hoogstwaarschijnlijk)6. correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125% (hierna ook: correlatievereiste of bandbreedtesamenhang). Ten aanzien van het USD-valutarisico is dus sprake van directe samenhang tussen de vermogensbestanddelen en dit risico is in hoge mate beperkt; de samenhang (functioneel verband; evident negatief gecorreleerde risico's) volgt uit de aard van de contracten (alle monetaire posten) in het licht van de aard van de risico's (hetzelfde USD-valutarisico). Daarnaast is deze samenhang volgens de inspecteur ook beoogd hetgeen o.m. blijkt uit de risicoanalyse op concernniveau waaruit volgt dat het risico wordt gestuurd en wordt afgedekt.
Jurisprudentie en literatuur samenhangende waardering
Voor de samenhangende waardering van vorderingen en schulden in vreemde valuta zijn o.a. de volgende arresten van belang: HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0670, BNB 2004/214 (Valutaswap-arrest), HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, BNB 2008/26 (Calloptiearrest), HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, BNB 2009/271 (Cacaobonenarrest), HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:635, BNB 2014/116 (Marketmakersarrest), HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:199, BNB 2019/58 (Kunstmestarrest) en HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1721, BNB 2020/13 (Interest rate swap-arrest).
In het Valutaswap-arrest overwoog uw Raad, voor zover hier van belang:
‘4.4.
Indien, zoals in het onderhavige geval, een vordering in een vreemde valuta tegenover een schuld in dezelfde valuta staat, treedt bij wijziging van de koers van die valuta per saldo geen vermogensmutatie op en zal mitsdien een wijziging van de waardering met betrekking tot de valutakoers van de schuld en de vordering niet los van elkaar mogen plaatsvinden. Dit is niet anders indien de looptijd van de schuld en de vordering niet gelijk zijn aan elkaar. Weliswaar zal ten gevolge van het niet gelijk lopen van de looptijden van de vordering en de schuld uiteindelijk een niet-gedekte valutapositie ontstaan, dit rechtvaardigt niet reeds in de jaren waarin wel een zodanige positie bestaat een verlies of een winst te nemen die gecompenseerd wordt door een even grote winst, respectievelijk even groot verlies op de tegengestelde valutapositie. Het valutarisico ontstaat pas nadat na aflossing van de schuld of na inning van de vordering de valutapost niet langer gesloten is.’
In het Calloptiearrest werd overwogen:
‘3.3.1.
Indien, zoals in het onderhavige geval, een verplichting uit hoofde van een geschreven calloptie volledig wordt gedekt door het bezit van de desbetreffende beursaandelen, zal een verlies op die optieverplichting tot ten minste een gelijk bedrag worden gecompenseerd door een opgetreden waardestijging van de desbetreffende beursaandelen. Hierdoor treedt bij een stijging van de koers van die calloptie en dus een stijging van de verplichting uit hoofde daarvan, per saldo geen vermogensverlies op. In een dergelijk geval is het niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik, met name het realiteitsbeginsel dat daaraan ten grondslag ligt, de optieverplichting anders dan in samenhang met de desbetreffende beursaandelen te waarderen. Waardering in samenhang houdt in een geval als het onderhavige in waardering van beide op de vergoeding respectievelijk de kostprijs dan wel van beide op de beurswaarde indien dit laatste per saldo tot een lagere waardering leidt.’
En in het Cacaobonenarrest:
‘5.3.1.
(…). Voor zover ten aanzien van het prijsrisico op cacao
- a)
sprake is van samenhang tussen enerzijds de voorverkopen en anderzijds voorinkopen en futures dan wel de aanwezigheid van een technische voorraad, en
- b)
dit prijsrisico op balansdatum in hoge mate beperkt is, brengt het tot goed koopmansgebruik behorende realiteitsbeginsel mee dat deze voorverkopen, voorinkopen, futures en technische voorraad in zoverre in samenhang worden gewaardeerd.
5.3.2.
Of sprake is van samenhang als hiervoor in 5.3.1 onder a) bedoeld, dient naar de omstandigheden te worden beoordeeld. Daarbij kan onder meer betekenis worden toegekend aan de aard van de contracten, bezien in het licht van de aard van de aanwezige risico's, en aan de eventuele omstandigheid dat de afdekking van risico's is beoogd. Dit laatste kan volgen uit de administratie, de jaarrekening en/of de economische doelstellingen van de onderneming.
5.3.3.
Van een prijsrisico dat in hoge mate beperkt is ais hiervoor in 5.3.1 onder b) bedoeld, is sprake indien op balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de cacao die begrepen is in de verschillende posten hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 percent. Bij deze toets kunnen gegevens over het waardeverloop van de posten in het verleden een rol spelen, evenals de aard van het dekkingscontract.
5.3.4.
In geval van een samenhangende waardering als hiervoor bedoeld, zal een ongerealiseerd verlies op de voorverkopen — bijvoorbeeld in de vorm van een voorziening — uitsluitend in aanmerking mogen worden genomen indien en voor zover op alle in samenhang te waarderen posten gezamenlijk per saldo een ongerealiseerd verlies wordt geleden.
(…).
5.5.1.
(…). Met betrekking tot de valutarisico's op die vorderingen en schulden en op valutatermijncontracten is het hiervoor in 5.3.1 tot en met 5.3.4 overwogene van overeenkomstige toepassing.’
In het Marketmakersarrest werd onder meer overwogen:
‘3.5.1.
(…). Een samenhangende waardering als hiervoor bedoeld, moet plaatsvinden indien sprake is van een zeer effectieve hedge. Daarvan is sprake indien op balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 percent (vgl. HR 10 april 2009, nr. 42916, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, BNB 2009/271).
3.5.2.
(…). Thans oordeelt de Hoge Raad dat voor alle vermogensbestanddelen waarvan het waardeverloop direct samenhangt met het waardeverloop van aandelen (hierna tezamen met die aandelen ook: een groep effecten) goed koopmansgebruik gezamenlijke waardering vereist. Het zou in strijd zijn met het aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende realiteitsbeginsel in een zodanig geval een verlies in aanmerking te nemen indien dat voor de groep effecten niet (latent) aanwezig is. (…).’
In het Kunstmestarrest, dat is gewezen voor belanghebbende (belastingjaar 2008), overwoog uw Raad, voor zover hier van belang:
‘3.1.3.
Zoals is overwogen in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:635 (hierna: het marketmakerarrest), moet een samenhangende waardering van vermogensbestanddelen plaatsvinden indien zich met betrekking tot hun waardeontwikkeling een zeer effectieve hedge voordoet. (…).
3.1.4.
Deze verplichting tot een samenhangende waardering vloeit voort uit het aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende realiteitsbeginsel. Zij strekt ertoe te voorkomen dat verliezen op bepaalde vermogensbestanddelen tot uitdrukking worden gebracht die in werkelijkheid niet zijn geleden omdat zij tegenover (vrijwel) gelijke winsten op andere vermogensbestanddelen staan (vgl.
HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, rechtsoverweging 3.3.1). In het licht van deze strekking van een samenhangende waardering is het niet van belang of het gaat om gerealiseerde dan wel ongerealiseerde winsten of verliezen. Dat brengt bijvoorbeeld mee dat een verlies ter zake van de verkoop van een vermogensbestanddeel niet bij gelegenheid van die verkoop in aanmerking mag worden genomen indien tegenover dat verlies een ten minste even grote (latente) winst staat op een ander vermogensbestanddeel dat in samenhang met het verkochte vermogensbestanddeel moet worden gewaardeerd (vgl. het marketmakerarrest, rechtsoverweging 3.5.3). In een geval als dat van belanghebbende kan een gerealiseerd verlies op een valutatermijncontract daarom niet ter gelegenheid van de afwikkeling van dat contract in aanmerking worden genomen voor zover dit verlies correspondeert met een ongerealiseerde valutawinst op een vordering die in samenhang met dat contract moet worden gewaardeerd. Dit geldt ook indien die valutawinst niet onmiddellijk of slechts tegen een discount kan worden gerealiseerd doordat de desbetreffende vordering moeilijk verhandelbaar is.
(…).
3.2.2.
(…). Voor de beantwoording van de vraag of een samenhangende waardering van een vordering en een daarmee samenhangend dekkingsinstrument is vereist, zal dan ook voor elk zodanig risico een afzonderlijke beoordeling moeten plaatsvinden (vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, hierna: het cacaobonenarrest, rechtsoverweging 5.5.1). Indien die beoordeling leidt tot de slotsom dat een bepaald risico op een dusdanige wijze is afgedekt dat een samenhangende waardering verplicht is, mag het afgedekte risico het fiscale resultaat niet beïnvloeden. (…).’
A.O. Lubbers schrijft in zijn annotatie in BNB 2019/58 (met weglating van voetnoten):
‘Voor de beantwoording van de vraag of vermogensbestanddelen in het kader van de fiscale jaarwinstbepaling gezamenlijk moeten worden gewaardeerd, zijn — zo volgt uit het Cacaobonen-arrest — twee elementen van belang:
- a.
de afdekkingsrelatie tussen de vermogensbestanddelen (hierna: samenhangvereiste);
- b.
de correlatie tussen de resultaten van de vermogensbestanddelen (hierna: correlatievereiste).
In mijn noot bij het Marketmaker-arrest constateerde ik dat het samenhangvereiste naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen. (…). Ook in de onderhavige zaak richt de Hoge Raad zich enkel op het correlatievereiste (r.o. 3.1.3). Wel brengt hij impliciet tot uitdrukking dat aan het samenhangvereiste is voldaan door te spreken over'een vordering en een dekkingsinstrument' (r.o. 3.1.2). Hoewel het correlatievereiste verreweg het belangrijkste criterium is voor toepassing van het leerstuk van samenhangende waardering — als er sprake is van een ‘zeer effectieve hedge’ zal ook zijn voldaan aan het samenhangvereiste — vervult het criterium vermoedelijk een nuttige rol indien een dekkingsinstrument op meerdere vermogensbestanddelen betrekking kan hebben. Uit de hofuitspraak (r.o. 4.1.3) blijkt dat belanghebbende nog een aantal andere dollarvorderingen en — schulden voor substantiële bedragen in de balans had staan. Kennelijk (en terecht) heeft belanghebbende ten aanzien van deze posten niet het standpunt ingenomen dat sprake was van een in aanmerking te nemen valutaverlies. Voor zover die vorderingen en schulden tegenover elkaar staan, verzet het Valuta[swap]-arrest (…) zich immers tegen het in aanmerking nemen van een valutaverlies. (…).’
Ook in de literatuur over samenhangende waardering ligt de nadruk in het algemeen op het correlatievereiste (bandbreedtesamenhang).7. Zie bijvoorbeeld het artikel van W. Bruins Slot, ‘Cacaobonenarrest: stellig onbedoelde gevolgen’, NTFR-B 2009/27, waarin wordt betoogd dat wanneer aan het correlatievereiste wordt voldaan, samenhang tussen de vermogensbestanddelen wel haast per definitie aanwezig is; hiermee is het eerder ingenomen standpunt van deze auteur bevestigd dat een toevallig (in hoge mate correlerend) verband in aanmerking komt voor samenhangende waardering. Immers, ook bij een toevallig verband hebben gedurende de periode dat de vorderingen en schulden — in valutair opzicht — tegen elkaar wegvallen de valutakoersmutaties per saldo geen invloed op de winst en zou het in strijd zijn met het realiteitsbeginsel om daarmee geen rekening te houden. In gelijke zin ook bijvoorbeeld C. Bruijsten, Valutaresultaten in de winstsfeer, TFO 2016/145.1, en de Redactie V-N 2020/8.10, die bij de uitspraak van de Rechtbank aantekent:
''Samenhangende waardering
[…][U]it [het Cacao-bonenarrest] kan naar ons oordeel niet worden afgeleid dat van samenhangende waardering alleen sprake kan zijn, indien de belanghebbende risico-afdekking heeft beoogd. In het algemeen wordt aangenomen dat uit het cacaobonen-arrest voortvloeit dat samenhangende waardering verplicht is, indien er voldoende samenhang bestaat tussen de risico's in de gezamenlijk te waarderen balansposten en het prijsrisico op balansdatum beperkt is (vgl. de annotatie van Van der Geld bij het cacaobonen-arrest in BNB 2009/271). Ook in het (…) [Cjalloptie-arrest lijkt het subjectieve oogmerk irrelevant. Indien sprake is van een volledig gedekt risico, komt samenhangende waardering aan de orde. Lubbers meent in zijn annotatie in BNB 2019/58 ook dat het zogenoemde correlatievereiste voldoende is om tot een samenhangende waardering te komen; het subjectieve oogmerk speelt dan geen rol meer.
In het Valutaswap-arrest en het Calloptiearrest zijn door uw Raad geen inhoudelijke eisen gesteld aan het verband dat tussen de vermogensbestanddelen moet bestaan om tot verplichte samenhangende waardering te concluderen; een historisch of causaal verband tussen de balansposten is niet vereist. Ik wijs in dit kader op de gezamenlijke bijlage bij de conclusie van A-G Wattel voor o.m. het Calloptiearrest en het Cacaobonenarrest, onderdelen 3.3 tot en met 3.7 en onderdeel 5, in het bijzonder:
‘3.7.
U heeft in het hedge-arrest niet zichtbaar betekenis gehecht aan het historisch-causale verband tussen de uit de doliarswap voortvloeiende valutaschuid en de valutavordering, die enkele dagen na elkaar ontstonden. Uw rechtsregel is bovendien algemeen geformuleerd. Dit suggereert dat uw benadering ook geldt bij toevallige tegengestelde posities en dat u de bedoeling van de ondernemer dus niet beslissend acht. Van der Geld betoogde in 1994 al dat het bij hedge accounting niet zo zeer gaat om het historische verband tussen vermogensbestanddelen, als wel om hun functionele verband (evident negatief gecorreleerde risico's): (voetnoot 29: Van der Geld, [Fiscale aspecten van valutawaardeveranderingen in de winstsfeer], TFO 1994/193). (…). Deze auteur heeft zijn opvatting aldus herhaald in een recentere publicatie: (Voetnoot 30: Van der Geld, [Goed koopmansgebruik en risicobeheersinstrumenten], TFO 2003/151) (…).
(…).
5.2
Vermogensbestanddelen behoren in onderling verband te worden gewaardeerd indien de factoren die hun tegengestelde waardebeweging bepalen, in voldoende mate gelijk zijn, dat wil zeggen indien een zeer hoge mate van correlatie bestaat tussen tegengestelde (elkaar uitdovende) waardebewegingen.’
Samenhangende waardering vormt een beginsel van goed koopmansgebruik (zie conclusie A-G Wattel van 30 april 2021 ECLI:NL:PHR:2021:440, BNB 2022/61), inhoudende dat:
‘5.3.
(…) als de waardeontwikkeling van activa en passiva (vrij) nauwkeurig (tegengesteld) correleert, moeten zij in samenhang gewaardeerd worden om te voorkomen dat de asymmetrie van het voorzichtigheidsbeginsel tot strijd met het realiteitsbeginsel leidt.’
Samenhangende waardering in het onderhavige gevat
Zoals aangegeven, heeft de inspecteur zich in de procedure op het standpunt gesteld dat alle in USD luidende (monetaire) activa en passiva van belanghebbende (de valutatermijncontracten, Braziliaanse vorderingen en USD-schuld I en II; zie r.o. 2.17) samenhangend gewaardeerd moeten worden. Gelet op de hiervoor geciteerde jurisprudentie (zie met name het Marketmakersarrest, r.o. 3.5.1 en 3.5.2 en het Kunstmestarrest, r.o. 3.1.3) en de strekking van dit leerstuk (o.m. het Kunstmestarrest, r.o. 3.1.4) heeft ook voor posities in (dezelfde) vreemde valuta (hier: USD) te gelden dat deze bij te verwachten directe samenhang (op balansdatum) in samenhang moeten worden gewaardeerd. Ik verwijs naar het hoger beroepschrift waarin o.m. is betoogd:
‘[blz. 37-38], a. Het criterium directe samenhang (BNB 2014/116) en het criterium bandbreedtesamenhang, (…), (BNB 2009/271, BNB 2019/58 en BNB 2020/13), geven, in het onderhavige geval aangaande valutarisico, dezelfde uitkomst (…). Samenhangende waardering moet op dezelfde wijze en voor hetzelfde verband worden toegepast om te bereiken dat een afgedekte risico het fiscale resultaat niet beïnvloedt (o.a. in het onderhavige geval door het vergelijken van de historische kostprijs van het samenhangende verband op basis van historische dollarkoers, rekening houdend met aanpassingen na eerdere realisaties, of lagere historische kostprijs van het verband op basis van actuele koers).
(…).
- d.
Bij het bepalen van het verband moet rekening worden gehouden met de ontwikkelingen daarvan. Dit betekent dat met het verdwijnen en verschijnen van vermogensbestanddelen luidende in dollars rekening moet worden gehouden8.. Dit door een vermogensbestanddeel luidende in dollars dat tot het vermogen gaat behoren op te nemen in het verband. (…).
- e.
(…). Directe samenhang‘ is ook af te leiden uit (…) het Cacaobonenarrest (…). Dit omdat de dollar in ons geval, die begrepen is in de verschillende posten, dezelfde is (en mogelijk bij cacao anders gelet op de soorten cacao) en het dan niet anders kan zijn dan dat, gelet op de aard van de contracten (…) de prijs daarvan op eenzelfde wijze correleert en naar verwachting zal correleren. (…). Van belang is (…) de waardeontwikkeling als gevolg van een specifieke prijsontwikkeling en derhalve in het onderhavige geval als risicocomponent de dollar. (…).’
Het Hof heeft het vorenstaande naar mijn mening bij zijn oordeel miskend.
Bewijslastverdeling
Voorts meen ik dat het oordeel van het Hof omtrent de bewijslastverdeling bij het leerstuk van waardering in samenhang (r.o. 4.22) zo algemeen gesteld, niet juist is.
Ik weerspreek op zichzelf niet dat samenhangende waardering een afwijking van de hoofdregel (afzonderlijke waardering) vormt. Als achterliggend beginsel van de bewijslastverdeling naar redelijkheid is echter ook van belang de bewijslast te leggen op de partij die hem met het minste bezwaar kan dragen.9. De belastingplichtige beschikt bij uitstek over de benodigde kennis van haar bedrijfsvoering (risicobeheersingsstrategie) en de relevante administratieve gegevens. Zij is de meest gerede partij om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken dat en in hoeverre geen sprake is van samenhang of een zeer effectieve hedge c.q. dat sprake is van andere verbanden die aanleiding geven tot een lagere belastbare winst.10.
Valutatermijncontracten USD 200 mln
De vaststelling van het Hof in r.o. 4.26 dat partijen in hoger beroep eensluidend van mening zijn dat de valutatermijncontracten USD 200 mln gezamenlijk gewaardeerd moeten worden met (een deel van) USD-schuld I, acht ik gelet op de stukken van het geding onbegrijpelijk. De inspecteur heeft zich (primair) op het standpunt gesteld dat waardering in samenhang moet plaatsvinden met zowel USD-schuld I als USD-schuld II; na het ontstaan van USD-schuld II dekken de valutatermijncontracten ook een deel van het USD-valutakoersrisico op deze schuld af. Het verband van samenhangende vermogensbestanddelen is derhalve gelet op de economische realiteit dynamisch; dit doet ook recht aan het realiteitsbeginsel. Dit laat onverlet dat het gevolg is dat aangaande een in samenhang te waarderen vermogensbestanddeel het deel van het risico dat is afgedekt niet en het deel dat niet is afgedekt wel het fiscale resultaat mag beïnvloeden.
Ontbreken zakelijk verband en aard van de contracten
Het Hof overweegt in r.o. 4.23 van de uitspraak dat ‘[Een oogmerk van afdekking van risico's (…) een belangrijk gegeven [vormt], maar [dat] de afwezigheid van een dergelijk oogmerk (…) nog niet [betekent] dat geen samenhang aanwezig kan zijn.’ Voor zover het Hof hiermee bedoelt te oordelen dat de aanwezigheid van een oogmerk van afdekking van risico's niet is vereist voor samenhangende waardering, getuigt dit oordeel van een juiste rechtsopvatting.11. Het Hof beslist echter in de slotzin van r.o. 4.23 dat niet voldoende is dat sprake is van een zeer effectieve hedge, omdat ‘ook op grond van de aard van de contracten en eventueel het oogmerk van de belastingplichtige sprake [moet] zijn van samenhang.’ Dit oordeel acht ik niet in overeenstemming met r.o. 5.3.2 van het Cacaobonenarrest, waaruit volgt dat de beoordeling of sprake is van samenhang naar de omstandigheden dient te geschieden waarbij onder meer betekenis kan worden toegekend aan (i) de aard van de contracten, bezien in het licht van de aard van de aanwezige risico's (en (ii) aan de eventuele omstandigheid dat de afdekking van risico's is beoogd). Uit het Cacaobonenarrest (na het Kunstmestarrest) volgt voorts dat er betreffende het te beoordelen risico voldoende samenhang dient te zijn tussen de risico's in de gezamenlijk te waarderen balansposten; het gaat er met andere woorden om of sprake is van zodanige samenhang dat het prijs- of valutarisico in hoge mate is beperkt (zie in dat kader ook het Interest rate-swap arrest, r.o. 3.2.2 en 3.2.3).12. Zie ook r.o. 5.3.3. van het Cacaobonenarrest waarin de ‘aard van het contract’ wordt geplaatst in relatie tot de toets of aan het correlatievereiste wordt voldaan. In r.o. 4.27 kent het Hof voor zijn oordeel dat er geen aanleiding bestaat voor samenhangende waardering doorslaggevende betekenis toe aan het ontbreken van een zakelijk verband en aan de (te verschillende) aard van de contracten waaruit de vorderingen en schulden zijn ontstaan. Het Hof past hier mijns inziens een onjuiste maatstaf toe. Ten onrechte wordt een zakelijk (historisch of causaal) verband vereist tussen vermogensbestanddelen die functioneel (in het licht van de aard van de risico's) samenhangen. Daarmee acht het Hof in feite de bedoeling van de ondernemer (oogmerk tot afdekking) alsnog doorslaggevend; zie ook r.o. 4.26 waarin het Hof van belang acht dat de valutatermijncontracten zijn aangegaan met als doel om valutarisico's op schulden in dezelfde valuta's af te dekken. Het Hof had de aard van de contracten moeten bezien in het licht van de aard van de aanwezige risico's.
Het Hof toetst bovendien alleen de aard van de contracten waaruit USD-schuld II zijn ontstaan en niet die van USD-schuld I, zodat diens oordeel ook onvoldoende gemotiveerd is.
(Eventuele) oogmerk tot afdekking
Uit de enkele vaststelling dat er geen zakelijk verband is tussen de Braziliaanse vorderingen en USD-schuld I respectievelijk USD-schuld II, leidt het Hof af dat een oogmerk om valutarisico's af te dekken niet ten grondslag ligt aan deze vorderingen en schulden (r.o. 4.27). Uit het Cacaobonenarrest volgt echter dat de eventuele omstandigheid dat de afdekking van risico's is beoogd, kan volgen uit de administratie, de jaarrekening en/of de economische doelstellingen van de onderneming (r.o. 5.3.2). De inspecteur heeft gemotiveerd betoogd dat samenhang is beoogd en dat dit blijkt uit de risico-analyse op concernniveau zoals dit volgt uit de jaarrekening en de feitelijke gang van zaken.13. Zo heeft de inspecteur erop gewezen dat de Braziliaanse vorderingen de rol met betrekking tot afdekking van USD-valutarisico's zijn gaan overnemen van de valutatermijncontracten.14. Het Hof is echter ongemotiveerd aan deze stellingen voorbij gegaan, zodat de Hofuitspraak mijns inziens ook om deze reden geen stand kan houden. Het betreft o.m. de volgende passages uit het hoger beroepschrift:
‘[Blz. 43-44]. 17. Voorts is, ook al meen ik (…) dat dit geen zelfstandig criterium is (…), in het onderhavige geval afdekking beoogd. (…). Ik leid dit af uit de toelichting in de jaarrekening van [X] omtrent risico management: ‘risico management binnen [X] is gebaseerd op het principe dat risico evaluatie een integraal deel uitmaakt van alle activiteiten. [X] heeft procedures ontwikkeld om de juiste risico's te bepalen en te monitoren. Gebaseerd op de totale risico evaluatie kan [X] gebruik maken van financiële instrumenten, zoals termijncontracten en swap contracten, om het risico te verminderen.’ Ook op concernniveau worden risico’s afgedekt (vgl. [X] Financial report 2012, blz. 31, en oudere rapporten op http://www.[…].aspx). Hieruit volgt dat dollarposities op concernniveau worden bezien en niet alleen afdekking plaatsvindt middels afdekkingsinstrumenten in een lichaam.’
En:
‘[blz. 45] Braziliaanse vorderingen.
- 20.
(…).
- b.
Verder geldt ook het eerder onder punt 17 door mij gestelde. Daarnaast wijs ik op het volgende.
- —
Het valutarisico op de Braziliaanse vorderingen wordt feitelijk gedekt door de schulden van USD 500, USD 250 en USD 479 min [USD-schuld I en II; mijn toevoeging] en is derhalve afgedekt. De schulden zijn gezamenlijk steeds in omvang groter dan alle dollarvorderingen inclusief de valutatermijncontracten van USD 200 mln. en USD 225 mln.
- —
De waardeontwikkeling van een Braziliaanse vordering uit hoofde van wijzigingen van de dollarkoers wordt volledig gedekt door een verwachte toekomstige correlatie van negatief 1 van compenserende waardeontwikkelingen uit hoofde van wijzigingen van de dollarkoers. Deze verwachting volgt alleen al uit de aard van de contracten van zowel de vorderingen als de schulden.
(…).
[Blz. 46] De Braziliaanse USD-vorderingen ontstaan in 2011 en later zijn gefinancierd met eigen vermogen. Ter zake is geen derivatencontract als afdekkingsinstrument afgesloten. In de risicoanalyse zal rekening zijn gehouden met o.a. de bestaande drie USD-schulden.
In 2014 is de positie dusdanig opgelopen dat mede daarom is besloten niet langer valutatermijncontracten af te sluiten. Zoals uit de feiten volgt wordt er rekening gehouden met valutarisico's en zal hieraan voorafgaand een risicoanalyse van de totale dollarpositie zijn gemaakt. In het algemeen richt zo'n analyse zich erop in hoeverre valutarisico wordt gelopen, in hoeverre deze is afgedekt en in hoeverre deze meer of minder afdekking behoeft. Dat verschil in looptijd, realisatiemoment, en omvang niet gelijk zijn doet hier niet aan af. Noch dat de schulden en de Braziliaanse vorderingen qua omvang niet aan elkaar gelijk zijn.'
Conclusie
De inspecteur heeft voor de diverse jaren (op basis van door belanghebbende zelf aangeleverde cijfers) overzichten gemaakt met correcties; zie ook het hoger beroepschrift en bijlage 4 met de uitvoerige toelichtingen bij deze bijlage. Daarbij zijn berekeningen gemaakt voor meerdere scenario's van samenhangende waardering van samenhangende vermogensbestanddelen, voor diverse jaren die in dezelfde spreadsheet zijn opgenomen (met toepassing van de foutenleer). De correctie op het punt van het in samenhang waarderen is door het Hof berekend op € 1.348.868, zijnde € 13.038.042 minus een verlies van € 11.689.174 (waarvan de hoogte niet in geschil is); (r.o. 4.33 t/m 4.35). Het Hof is voor de uitwerking van de correctie uitgegaan van werkblad 7b2 bij bijlage 4.15.
Buiten geschil is dat uitgegaan moet worden van berekeningen op basis van de spotkoers (r.o. 4.33).
Zoals hiervoor door mij is betoogd, heeft het Hof ten onrechte te beperkt in samenhang gewaardeerd. Gelet op de door het Hof vastgesteide zeer effectieve hedge dienen alle USD-posities in samenhang te worden gewaardeerd. Het realiteitsbeginsel strekt ertoe te voorkomen dat verliezen op bepaalde vermogensbestanddelen tot uitdrukking worden gebracht die in werkelijkheid niet zijn geleden omdat zij tegenover (vrijwel) gelijke winsten op andere vermogensbestanddelen staan. Het gevolg van de waardering in samenhang is dat ongerealiseerde USD-valutakoersverliezen pas mogen worden genomen indien en voor zover op alle in samenhang te waarderen posten gezamenlijk per saldo een ongerealiseerd valutakoersverlies wordt geleden (vgl. het Calloptiearrest en het Cacaobonenarrest, r.o. 5.3.4). In het licht van de strekking van het realiteitsbeginsel is niet van belang of het gaat om gerealiseerde of ongerealiseerde winsten of verliezen (zie het Kunstmestarrest, r.o. 3.4.1). Een en ander betekent dat naast de valutatermijncontracten (USD 200 en USD 225 mln), de USD-schulden I en II (USD 500, USD 250 en USD 479 mln) en de Braziliaanse vorderingen in samenhang gewaardeerd dienen te worden. De berekening van de correctie op basis van dit uitgangspunt en op basis van de spotkoers. is te vinden in werkblad 4b2 bij bijlage 4.16. De correctie bedraagt dan C 19.760.796, verminderd met het niet in geschil zijnde verlies van € 11.689.174 dus € 8.071.622. Het Hof heeft gelet op het voorgaande wat betreft de samenhangende waardering van de USD-posities de aanslag derhalve voor een bedrag van € 8.071.622 -/- € 1.348.868 = € 6.722.754 te laag vastgesteld.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze,
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑04‑2025
Onder vorderingen vallen ook valutatermijncontracten.
Tevens was er een vordering op […] SA van USD 60 mln en een schuld wegens een valutatermijncontract tot eenzelfde bedrag. Partijen verschillen er niet van mening over dat deze vordering en de schuld samenhangend gewaardeerd dienen te worden (r.o. 2.17); dit naar aanleiding van de procedure over het jaar 2008.
Zie het hoger beroepschrift, blz, 55 en 58–59, en het verweerschrift in hoger beroep, blz. 51.
Zie het hoger beroepschrift, blz. 24–25, en het verweerschrift in hoger beroep, blz. 35.
Zie voetnoot 4.
In HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1721, BNB 2020/13 (Interest rate swap-arrest), r.o. 3.2.4, komt de term ‘hoogstwaarschijnlijk’ niet meer voor.
Zie Vakstudie Vennootschapsbelasting, art. 3.25 Wet IB 2001, aant. 3.7 en aldaar genoemde literatuur. Ik wijs op o.m. R.P.C. Cornelissen en A.O. Lubbers, De ontwikkeling van goed koopmansgebruik door de Hoge Raad, WFR 2004/1214, M.J. Peters, Hedgeaccounting: eeuwige strijd tussen voorzichtigheid en realiteit, NTFR 2007/493, W. Bruins Slot, Naar een gemeenschappelijke waardering van het realiteitsbeginsel, WFR 2008/213, J.C.M. van Sonderen, Hedge accounting bij aandelen en aandelenopties, WFR 2008/225, L.A. Lutz en W.J.W. Vosse, ‘Het Cacaobonen-arrest: nadere regels met betrekking tot (verplichte) samenhangende waardering’, MBB februari 2010, J. Doornebal, ‘… goed koopmansgebruik, naarde eisen des tijds uitgelegd…’, NTFR Beschouwingen 2014/21.
Voetnoot 36 (originele tekst): ‘In het onderhavige geval met het verschijnen van de schuld van USD 479 mln (29 december 2009), verschijnen/verdwijnen van Braziliaanse vorderingen (2011 en volgende), verschijnen valutatermijncontract van USD 225 (2012), [en] verdwijnen valutatermijncontracten (2014).’
Zie S.F.M. Niekel, Een multidisciplinaire analyse naar aanleiding van het cacaobonenarrest, WFR 2010/576, paragraaf 8 en Fiscale hedge accounting in het IFRS-tijdperk, TFO 2005/115, paragraaf 5: ‘Een andere mogelijkheid is de bewijslast te verleggen naar de belastingplichtige: ongerealiseerde verliezen op financiële instrumenten kunnen niet worden genomen, tenzij de belastingplichtige aantoont dat het ongerealiseerde verlies niet door een samenhangende positie wordt gecompenseerd.’
Zie ook Meyjes e.a., Fiscaal Procesrecht (Fiscale Flandboeken nr. 6) 2020/3.2, hoofdstuk 3 (Bewijs, Koopman).
Zie ook het hoger beroepschrift, blz. 42–43.
Ook uit het Calloptiearrest volgt dat het gaat om een verband tussen de waardeontwikkelingen op grond van het prijsrisico.
Zie het hoger beroepschrift, blz. 38–46.
Zie ook het hoger beroepschrift, blz. 21, punt 41.
Getiteld: ‘Aangiften bij toerekening USD 200 aan USD 500 en USD 250 alsmede USD 225 aan USD 500, USD 250 en USD 479 op basis spotkoers.’ De valutatermijncontracten van USD 200 mln worden in deze bijlage (werkblad) samenhangend gewaardeerd met USD-schuld I en de valutatermijncontracten van USD 225 mln samenhangend met USD-schuld I en II.
Getiteld: ‘Aangiften bij toerekening USD 200, USD 225 en Brazilië (ook aan USD 479 per 29-12-2009) op basis spotkoers.’
Uitspraak 17‑04‑2025
Inhoudsindicatie
Vennootschapsbelasting; goed koopmansgebruik; samenhangende waardering van vermogensbestanddelen; zeer effectieve hedge.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 22/01909
Datum 17 april 2025
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
en
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het door zowel belanghebbende als de Staatssecretaris ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 april 2022, nrs. 19/00771 en 19/007791., op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 17/4994) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2012 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.
1. Geding in cassatie
1.1
Zowel belanghebbende, vertegenwoordigd door B.J. Rubbens, advocaat te Rotterdam, en T.C. Gerverdinck, advocaat te Amsterdam, als de Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De beroepschriften in cassatie zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.De Staatssecretaris en belanghebbende hebben over en weer een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door B.J. Rubbens voornoemd.
1.2
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 24 februari 2023 geconcludeerd tot gegrondverklaring van het beroep in cassatie van de Staatssecretaris en ongegrondverklaring van het beroep in cassatie van belanghebbende.2.Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
2. Uitgangspunten in cassatie
2.1
Belanghebbende, een besloten vennootschap, maakt als Nederlandse houdstervennootschap deel uit van een internationaal concern (hierna: het concern) met een buitenlandse tophoudster (hierna: de topholding). Het concern houdt zich met name bezig met de productie, verkoop en distributie van kunstmest en kunstmestproducten. Belanghebbende is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting. Tot de met haar gevoegde vennootschappen behoren BV 1, een Nederlandse tussenhoudster, en BV 2, een Nederlandse werkmaatschappij.
2.2
Belanghebbende berekent het belastbare bedrag in euro’s. Zij waardeert haar in Amerikaanse dollars (hierna: USD) luidende vorderingen en schulden op de fiscale balans (in euro’s) tegen historische verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Zij rekent valutawinsten tot het belastbare bedrag indien deze zijn gerealiseerd, en neemt valutaverliezen in aanmerking zodra een vordering lager of een schuld hoger wordt gewaardeerd.
2.3
Op 21 maart 2004 heeft belanghebbende twee leningen opgenomen bij de topholding. De eerste lening bedraagt USD 500 miljoen en heeft een looptijd tot 8 december 2014. De tweede lening bedraagt USD 250 miljoen. De leningen worden hierna tezamen aangeduid als USD-schuld I. Ultimo 2012 heeft nog geen aflossing op USD-schuld I plaatsgevonden.
2.4
Belanghebbende heeft in de periode 21 maart 2004 tot medio december 2014 telkens aansluitende valutatermijncontracten gesloten met een buitenlandse groepsfinancieringsmaatschappij (hierna: Finance). Zij heeft op grond van deze contracten recht op levering van USD 200 miljoen tegen een vooraf bepaalde wisselkoers (hierna: de 200-valutatermijncontracten). De 200-valutatermijncontracten hebben alle een looptijd van zes maanden en worden steeds via een cash settlement afgewikkeld. Vervolgens wordt een nieuw valutatermijncontract gesloten ter grootte van hetzelfde bedrag. Belanghebbende heeft de door haar in 2012 op de 200-valutatermijncontracten gerealiseerde winsten en verliezen en het ongerealiseerde verlies verantwoord in haar aangifte voor de vennootschapsbelasting voor dat jaar. Ongerealiseerde winsten heeft zij niet verantwoord.
2.5
In verband met de volgens hem bestaande samenhang tussen USD-schuld I en de 200-valutatermijncontracten heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare bedrag verhoogd.
2.6
Op 29 december 2009 heeft BV 1 een bedrag van USD 479 miljoen geleend van de topholding ter financiering van de overname van een belang in een buitenlandse vennootschap (hierna: USD-schuld II). Ultimo 2012 heeft nog geen aflossing op USD-schuld II plaatsgevonden.
2.7
Belanghebbende heeft van 1 maart 2012 tot medio december 2014 telkens met Finance aansluitende valutatermijncontracten gesloten voor een periode van drie tot zes maanden. Belanghebbende heeft op grond van deze contracten recht op levering van USD 225 miljoen tegen een vooraf bepaalde wisselkoers (hierna: de 225-valutatermijncontracten). De 225-valutatermijncontracten zijn op de hiervoor in 2.4 beschreven wijze afgewikkeld. Ook de resultaten op deze contracten zijn in de aangifte voor het jaar 2012 opgenomen op de wijze zoals hiervoor in 2.4 beschreven.
2.8
In verband met de volgens hem bestaande samenhang tussen USD-schuld I, USD-schuld II en de 225-valutatermijncontracten heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare bedrag verhoogd.
2.9
Vanaf het najaar van 2011 heeft belanghebbende een groot aantal kortlopende vorderingen op een Braziliaanse deelneming, die dienen om inkopen ten behoeve van de Braziliaanse (productie)activiteiten van die deelneming te financieren (hierna: de Braziliaanse vorderingen). De Braziliaanse vorderingen variëren (per stuk) van USD 20.000 tot USD 20 miljoen. De looptijd is telkens een of enkele maanden. Ultimo 2012 bedroeg de totale waarde van deze vorderingen ruim USD 260 miljoen.
2.10
In verband met de volgens hem bestaande samenhang tussen USD-schuld I, USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen heeft de Inspecteur het aangegeven belastbare bedrag verhoogd.
2.11
In het “Financial Report 2012” van het concern staat omtrent de wijze waarop financiële risico's worden beheerst, onder meer het volgende:
“(...) 2.26. Financial risks
Due to its global operation [het concern] is exposed to various financial risks. [Het concern] has in place, and is constantly developing, comprehensive policies, procedures and tools to manage these risks. In some cases [het concern] may utilize derivative instruments, such as forwards, options and swaps, to reduce these risk exposures. (...)”
2.12
In 2008 heeft BV 2 besloten tot investering van € 400 miljoen in een nieuwe fabriek, die begin september 2011 in gebruik is genomen en BV 2 in staat stelt om meer ureum en kunstmestproducten te produceren (hierna: het surplus). Het surplus bedraagt 39 procent van de totale productie van BV 2. Op 14 september 2011 hebben BV 2 en een in Zwitserland gevestigde dochtervennootschap van BV 1 (hierna: de Ltd) een leveringsovereenkomst (hierna: de Supply Agreement) gesloten, die de Ltd verplicht het surplus af te nemen. Op grond van de Supply Agreement factureert BV 2 maandelijks 39 procent van de door haar geproduceerde goederen aan de Ltd, tegen een verrekenprijs die bestaat uit de kostprijs verhoogd met een opslag van 5 procent.Bij het bepalen van de belastbare winst heeft belanghebbende het surplus tegen de aldus bepaalde verrekenprijs in aanmerking genomen. De overige 61 procent van de door BV 2 geproduceerde goederen zijn verkocht aan gelieerde verkooporganisaties. Daarvoor heeft BV 2 verrekenprijzen gehanteerd die zijn gebaseerd op de “Transfer Pricing Master File” van het concern (hierna: de TP Master File), waarin is opgenomen dat producerende groepsvennootschappen zoals BV 2 worden beloond op basis van de ‘comparable uncontrolled price method’.
2.13
Volgens de Inspecteur leiden de voor het surplus gebruikte verrekenprijzen in combinatie met de facturering tussen BV 2 en de Ltd tot een onzakelijke winstoverheveling van BV 2 naar de Ltd. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur de aangifte op dit punt gecorrigeerd en het verschil tussen de door belanghebbende voor het surplus gehanteerde verrekenprijs en de verrekenprijs die volgt uit de TP Master File, tot de belastbare winst gerekend.
3. De oordelen van het Hof
Samenhangende waardering
3.1
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur terecht correcties heeft aangebracht in verband met een samenhangende waardering van de in USD luidende vorderingen en schulden van belanghebbende.
3.2
Het Hof heeft geoordeeld dat de hoofdregel binnen goed koopmansgebruik is dat activa en passiva elk afzonderlijk worden gewaardeerd. Uitzondering op deze hoofdregel betreft de situatie dat op grond van feiten en omstandigheden een samenhangende waardering dient plaats te vinden. De bewijslast dat van een dergelijke situatie sprake is, rust op de inspecteur, aldus het Hof.Het Hof heeft het andersluidende standpunt van de Inspecteur over de bewijslastverworpen.
3.3.1
Het Hof heeft overwogen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, dat voor de beantwoording van de vraag of activa en passiva samenhangend moeten worden gewaardeerd betekenis kan worden toegekend aan de aard van de contracten, bezien in het licht van de aanwezige risico’s, en aan de eventuele omstandigheid dat de afdekking van risico’s is beoogd. De enkele omstandigheid dat activa en passiva in een bepaalde valuta zijn uitgedrukt, is naar het oordeel van het Hof onvoldoende om tot samenhang te concluderen. Een oogmerk van afdekking van risico’s vormt een belangrijk gegeven, maar de afwezigheid van een dergelijk oogmerk betekent nog niet dat geen samenhang aanwezig kan zijn. Het Hof heeft voorts overwogen, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, dat de aard van de contracten voor de vaststelling van de hier bedoelde samenhang relevant kan zijn. Verder geldt als voorwaarde dat sprake is van een zeer effectieve hedge, waarbij de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 procent, aldus het Hof. Indien het gaat om waardeontwikkelingen als gevolg van een mutatie in de koers van dezelfde valuta, is volgens het Hof sprake van een dergelijke zeer effectieve hedge.
3.3.2
Het Hof heeft tot slot, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:199, erop gewezen dat de waarde van een vermogensbestanddeel afhankelijk kan zijn van verschillende factoren. Elk van die factoren kan zelfstandig het fiscale resultaat beïnvloeden en de daarmee samenhangende risico’s kunnen afzonderlijk worden afgedekt, aldus het Hof. Voor de beantwoording van de vraag of een samenhangende waardering van een vordering en een daarmee samenhangend afdekkingsinstrument is vereist, zal volgens het Hof dan ook voor elk zodanig risico een afzonderlijke beoordeling moeten plaatsvinden.
3.4
Gelet op zijn hiervoor in 3.3.1 en 3.3.2 weergegeven oordelen, heeft het Hof de stelling van de Inspecteur verworpen dat per definitie alle in USD luidende activa en passiva samenhangend moeten worden gewaardeerd. Het Hof heeft om die reden vervolgens beoordeeld voor welke activa en passiva sprake is van een samenhang.
3.5
Volgens het Hof bestaat de kern van de activiteiten van belanghebbende niet uit het aangaan van valutatermijncontracten, maar kan uit het Financial Report 2012 van het concern wel worden afgeleid dat belanghebbende gebruikmaakt van financiële instrumenten, zoals termijncontracten en swapcontracten, om risico’s te verminderen. Het Hof acht daarom aannemelijk dat de 200-valutatermijncontracten en de 225-valutatermijncontracten zijn aangegaan met als doel om valutarisico’s op schulden af te dekken. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat het eerste 200-valutatermijncontract op dezelfde datum is gesloten als USD-schuld I. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0670, oordeelt het Hof dat het feit dat het 225-valutatermijncontract op een later moment is gesloten, niet aan een samenhangende waardering in de weg staat aangezien voor een deel van de looptijd van een lening het valutarisico aldus wordt afgedekt. Ook het feit dat de 200-valutatermijncontracten en de 225-valutatermijncontracten slechts een deel van het valutarisico van de schuld(en) afdekken, staat aan samenhangende waardering niet in de weg. Dit betekent slechts dat voor een deel samenhangend moet worden gewaardeerd en voor een deel van de schulden niet, aldus het Hof.
3.6
De kortlopende vorderingen die ontstaan als gevolg van de activiteiten in Brazilië staan volgens het Hof in geen enkel zakelijk verband met USD-schuld I respectievelijk USD-schuld II. Het Hof is van oordeel dat een oogmerk om valutarisico’s af te dekken dan ook niet ten grondslag ligt aan deze vorderingen en schulden. Ook uit de aard van de contracten waaruit deze vorderingen en schulden zijn ontstaan, kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van samenhang. De Braziliaanse vorderingen zijn ontstaan als gevolg van (productie)activiteiten aldaar en USD-schuld II is aangegaan ter financiering van de aankoop van een deelneming. De aard van deze vermogensbestanddelen is daarom zodanig verschillend dat geen aanleiding bestaat voor een samenhangende waardering, aldus het Hof.
3.7
Zijn hiervoor in 3.5 en 3.6 weergegeven oordelen brengen volgens het Hof mee dat een samenhangende waardering uitsluitend aan de orde is voor de 200-valutatermijncontracten (samenhangend met USD-schuld I) en de 225-valutatermijncontracten (samenhangend met USD-schuld I en met USD-schuld II).
Verrekenprijzen
3.8
Voor het Hof was voorts in geschil of de Inspecteur terecht een winstcorrectie heeft aangebracht in verband met de tussen BV 2 en de Ltd gesloten Supply Agreement.
3.9.1
Het Hof heeft met betrekking tot dit geschilpunt – in cassatie onbetwist – vastgesteld dat BV 2 in eerdere jaren producten aan de Ltd verkocht tegen prijzen op basis van de TP Master File en dat BV 2 ook in het onderhavige jaar (2012) haar producten aan andere gelieerde verkooporganisaties verkocht tegen prijzen op basis van de TP Master File. Het ligt dan, aldus het Hof, op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat er voor BV 2 een zakelijke reden is om het surplus aan de Ltd te verkopen tegen prijzen die afwijken van prijzen op basis van de TP Master File. Belanghebbende was immers zelf lange tijd van mening dat de prijzen op basis van de TP Master File zakelijk waren en is dat in de verhouding tot andere gelieerde verkooporganisaties nog steeds. Aldus rust volgens het Hof op belanghebbende de bewijslast ten aanzien van de vraag of de door BV 2 gehanteerde verrekenprijzen met betrekking tot het surplus als at arm’s length kunnen worden beschouwd.
3.9.2
Het Hof is tot het oordeel gekomen dat het uitvoering geven aan de Supply Agreement moet worden beschouwd als een onzakelijk handelen, hetgeen ingevolge het bepaalde in artikel 8b van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 zodanig dient te worden gecorrigeerd dat een resultaat wordt bereikt waarin de fiscale winst vergelijkbaar is met de winst die onafhankelijke ondernemingen onder vergelijkbare omstandigheden met vergelijkbare transacties zouden behalen. In ongelieerde verhoudingen zou de Supply Agreement niet zijn overeengekomen en zou de maandelijkse winstoverheveling van BV 2 naar de Ltd niet hebben plaatsgevonden, aldus het Hof. Daarom moet volgens het Hof niet al bij het sluiten van de Supply Agreement, in 2011, de winst worden gecorrigeerd, maar van maand tot maand, in de maand waarin het onzakelijk handelen zich voordoet.
4. Beoordeling van het door de Staatssecretaris voorgestelde middel
4.1
Het middel richt zich tegen het oordeel van het Hof dat geen aanleiding bestaat voor een samenhangende waardering van de Braziliaanse vorderingen met USD-schuld I en USD-schuld II, terwijl volgens het middel vaststaat dat met betrekking tot het valutarisico sprake is van een zeer effectieve hedge. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat ook op grond van de aard van de contracten waaruit de vorderingen en schulden zijn ontstaan en eventueel het oogmerk van de belastingplichtige, sprake moet zijn van samenhang in de door het Hof voorgestane zin van zakelijk (historisch-causaal) verband, aldus het middel.
4.2
Bij de beoordeling van het middel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.
4.2.1
Goed koopmansgebruik kent de hoofdregel dat vermogensbestanddelen op de fiscale balans elk afzonderlijk worden gewaardeerd. Die regel lijdt uitzondering indien zich met betrekking tot hun waardeontwikkeling een zeer effectieve hedge voordoet. Een zeer effectieve hedge doet zich voor indien en voor zover:a) vermogensbestanddelen samenhangen, en wel
b) zodanig dat het risico met betrekking tot hun waardeontwikkeling op balansdatum in hoge mate is beperkt.In een dergelijk geval verzet het tot goed koopmansgebruik behorende realiteitsbeginsel zich tegen een afzonderlijke waardering. Deze verplichting tot een samenhangende waardering strekt ertoe te voorkomen dat verliezen op bepaalde vermogensbestanddelen tot uitdrukking worden gebracht die in werkelijkheid niet zijn geleden omdat zij tegenover (vrijwel) gelijke winsten op andere vermogensbestanddelen staan. In het licht hiervan is het niet van belang of het gaat om gerealiseerde dan wel ongerealiseerde winsten of verliezen.3.
4.2.2
Of sprake is van samenhang als hiervoor in 4.2.1 onder a) bedoeld, moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad naar de omstandigheden van het geval worden beoordeeld.4.De Hoge Raad heeft in die rechtspraak geen rangorde aangebracht tussen de daarin genoemde omstandigheden die van belang kunnen zijn. In de voortgaande ontwikkeling van een op grond van het realiteitsbeginsel verplichte samenhangende waardering ziet de Hoge Raad aanleiding thans als enig vereiste te stellen dat, beoordeeld naar objectieve maatstaven, de afdekking van risico’s is beoogd. Bij die beoordeling kan betekenis toekomen aan de aard van de betrokken vermogensbestanddelen en van de in verband daarmee relevante contracten, bezien in het licht van de aard van de aanwezige risico's. Ook kan belang worden gehecht aan de administratie, de jaarrekening en/of de economische doelstellingen van de onderneming. Zo kan het oogmerk tot risicoafdekking worden afgeleid uit bepaalde correlerende balansposities of contractuele verbanden, indien deze objectief bezien kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op het tot stand brengen van samenhang tussen de betrokken vermogensbestanddelen dat het niet anders kan zijn dan dat een zodanige samenhang is beoogd.Aan het aannemen van de hiervoor bedoelde samenhang staat niet in de weg de omstandigheid dat vermogensbestanddelen of contracten een verschillende levensduur of looptijd kennen.5.
4.2.3
Van een in hoge mate beperkt risico als hiervoor in 4.2.1 onder b) bedoeld, is sprake indien op balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de betrokken vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 procent.6.Die waardeontwikkeling is afhankelijk van verschillende factoren. Zo is de waarde van een vastrentende vordering of schuld die een vaste looptijd heeft en luidt in vreemde valuta, niet alleen afhankelijk van de wisselkoers van die valuta maar ook van het debiteurenrisico en het verloop van de marktrente. Elk van die factoren kan zelfstandig het fiscale resultaat beïnvloeden en de daarmee samenhangende risico’s kunnen afzonderlijk worden afgedekt. Voor de beantwoording van de vraag of een samenhangende waardering van een vordering of schuld en een daarmee samenhangend afdekkingsinstrument is vereist, zal dan ook voor elk zodanig risico een afzonderlijke beoordeling moeten plaatsvinden.7.
4.2.4
Een zeer effectieve hedge betekent dus dat een afdekking van risico’s is beoogd en bewerkstelligd.
4.3
Op de inspecteur rust de last te bewijzen dat zich met betrekking tot bepaalde vermogensbestanddelen een zeer effectieve hedge voordoet als hiervoor in 4.2.1 bedoeld.
4.3.1
De inspecteur heeft aan zijn bewijslast voldaan indien hij stelt en, bij betwisting, aannemelijk maakt dat tegenover een bepaald vermogensbestanddeel, bijvoorbeeld een vordering of een schuld, een specifiek afdekkingsinstrument zoals een swapcontract of een termijncontract is gesloten dat meebrengt dat een met betrekking tot dat vermogensbestanddeel gelopen risico, zoals een rente- of valutarisico, in hoge mate is beperkt. In een dergelijk geval kan het niet anders zijn dan dat die beperking ook is beoogd als hiervoor in 4.2.2 bedoeld. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een verplichting uit hoofde van een geschreven optie volledig wordt gedekt door het bezit van de desbetreffende effecten8..
4.3.2
Denkbaar zijn ook minder evidente gevallen, zoals de situatie waarin op de balans naast een vordering of een schuld ook vermogensbestanddelen staan die weliswaar meebrengen dat een met betrekking tot die vordering of die schuld gelopen risico, zoals een rente- of valutarisico, op de balansdatum feitelijk in hoge mate is beperkt, maar die ook de mogelijkheid openlaten dat die afdekking toevallig tot stand is gekomen. In zo’n geval is het aan de inspecteur om te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken dat het voor de samenhang tussen die vermogensbestanddelen vereiste oogmerk tot afdekking van risico’s aanwezig is. Dergelijke balansposities kunnen daartoe namelijk niet zonder meer doorslaggevend worden geacht.9.
4.4.1
Het middel betoogt dat het Hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de stellingen van de Inspecteur dat ook met betrekking tot de Braziliaanse vorderingen aanleiding bestaat voor samenhangende waardering met USD-schuld I en USD-schuld II.
4.4.2
Het middel slaagt. Het hiervoor in 3.6 weergegeven oordeel van het Hof is in het licht van hetgeen de Inspecteur in hoger beroep naar voren heeft gebracht, ontoereikend gemotiveerd.Zoals het middel betoogt, heeft de Inspecteur in het hogerberoepschrift passages aangehaald uit de toelichting in het jaarverslag van het concern (de topholding) met betrekking tot onder meer “risk management and hedge accounting” en uit de toelichting in de jaarrekening van belanghebbende over risicomanagement. Onder verwijzing naar die passages heeft hij gemotiveerd gesteld dat de topholding bij voortduring ernaar streeft USD-risico’s op concernniveau door middel van hedging af te dekken en dat dit niet alleen plaatsvindt door middel van afdekkingsinstrumenten maar dat dollarposities op concernniveau worden bezien. Aldus dienen volgens de Inspecteur ook de Braziliaanse vorderingen binnen het concern ter afdekking van het valutarisico ter zake van USD-schuld I en USD-schuld II en vice versa.Dat valutarisico is ook feitelijk afgedekt, zo heeft de Inspecteur bovendien gesteld.Het Hof had op die beide stellingen van de Inspecteur moeten ingaan omdat deze, indien aannemelijk bevonden, meebrengen dat het voor de gestelde samenhang tussen USD-schuld I en USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen vereiste oogmerk tot afdekking van valutarisico’s aanwezig is.
Voor zover het Hof voor het ontbreken van het door de Inspecteur gestelde oogmerk van afdekking van valutarisico’s redengevend heeft geacht dat geen enkel zakelijk verband bestaat tussen de activiteiten waaruit de Braziliaanse vorderingen zijn ontstaan, en USD-schuld I en USD-schuld II, heeft het miskend dat voor de afdekking van valutarisico’s een historisch of causaal verband tussen de desbetreffende vermogensbestanddelen niet is vereist. Verder heeft het Hof aan het verschil tussen de productieactiviteiten waaruit de Braziliaanse vorderingen zijn ontstaan en het vermogensbestanddeel voor de aankoop waarvan USD-schuld II is aangewend, te weten een deelneming, niet het gevolg kunnen verbinden dat er geen aanleiding is voor samenhangende waardering van die vorderingen en die schuld.
5. Beoordeling van het door belanghebbende voorgestelde middel
5.1.1
Voor zover het middelonderdeel a betoogt dat het Hof bij zijn hiervoor in 3.9.1 weergegeven oordeel is uitgegaan van een onjuiste bewijslastverdeling, faalt het op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 9.10 en 9.11 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
5.1.2
Voor zover het middelonderdeel k erover klaagt dat het Hof aan zijn hiervoor in 3.9.2 weergegeven oordeel ten onrechte de gevolgtrekking heeft verbonden dat de fiscale winst van belanghebbende moet worden bepaald als ware de Supply Agreement niet gesloten, faalt het op de gronden die zijn vermeld in de onderdelen 9.6 tot en met 9.8 van de conclusie van de Advocaat-Generaal.
5.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
6. Slotsom
Gelet op hetgeen hiervoor in 4.4.2 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor de beoordeling van hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd voor een samenhangende waardering van USD-schuld I en USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen.
7. Proceskosten
Wat betreft beide beroepen in cassatie ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
8. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond,
- verklaart het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën gegrond, en
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra, E.F. Faase, P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 17‑04‑2025
Vgl. HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:199, rechtsoverweging 3.1.4.
Vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, rechtsoverweging 5.3.2, en HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1721, rechtsoverweging 3.2.3.
Vgl. HR 23 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AI0670, rechtsoverweging 4.4, en HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1721, rechtsoverweging 3.2.3.
Vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, rechtsoverweging 5.3.3, en HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:199, rechtsoverweging 3.1.3.
Vgl. HR 8 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:199, rechtsoverweging 3.2.2.
Vgl. HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, rechtsoverweging 3.3.1.
Vgl. HR 8 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1721.
Beroepschrift 17‑04‑2025
Edelhoogachtbaar college,
Hiermee voorziet belanghebbende, [X] B.V. te [Z], haar op 23 mei 2022 ingediende cassatieberoep tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 april 2022 van gronden en een conclusie.
Middel
Belanghebbende stelt het volgende middel van cassatie voor.
Het Hof heeft het recht geschonden, in het bijzonder de artikelen 3.8 en 3.25 Wet IB 2001 in samenhang met art. 8, lid 1, Wet Vpb 1969, art. 8b Wet Vpb 1969 en art. 9, lid 1, van het belastingverdrag Nederland — Zwitserland,1. en/of essentiële procedureregels veronachtzaamd, in het bijzonder het voorschrift van art. 8:77, lid 1, letter b, Awb, doordat het heeft geoordeeld dat de Inspecteur terecht een correctie heeft aangebracht van € 42.843.146 in verband met de tussen [D] en [E] gesloten Supply Agreement, dit ten onrechte en/of op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen om een of meer van de volgende redenen:
- (a)
Het Hof heeft tot uitgangspunt genomen dat ten aanzien van de in geschil zijnde vraag of de door belanghebbende gehanteerde verrekenprijzen met betrekking tot het surplus van 39% als at arm's length kunnen worden beschouwd, de bewijslast op belanghebbende rust.2. Aldus is het Hof uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast.
- (b)
Bij de beoordeling of [D] en [E] door het aangaan en uitvoeren van de Supply Agreement at arm's length hebben gehandeld, is het Hof uitgegaan van de rechtsopvatting dat indien de ‘juridische werkelijkheid’ (hetgeen contractueel is overeengekomen) niet overeenkomt met de economische werkelijkheid, de inspecteur niet is gebonden aan de tussen partijen geldende contractuele voorwaarden en hij aan de uit de overeenkomst voortvloeiende transacties(s) andere fiscale gevolgen kan verbinden.3. Deze opvatting van het Hof is onjuist.
- (c)
Voor het Hof heeft belanghebbende zich onder meer verweerd met de stelling dat [D] en [E] zich niet ervan bewust zijn geweest dat door het sluiten en uitvoeren van de Supply Agreement [E] werd bevoordeeld ten koste van [D], en dat een bevoordelingsbedoeling afwezig was. Op dit verweer is het Hof niet ingegaan. Daardoor geeft zijn oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting of is zijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
- (d)
Belanghebbende heeft bij het Hof gesteld dat zij door het opstellen van transferpricing documentatie ervan blijk heeft gegeven zakelijke voorwaarden te willen hanteren, zodat zij zich niet bewust is van enige onzakelijkheid in de voorwaarden van de transactie. Het Hof is niet ingegaan op deze stelling, waardoor zijn oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel niet toereikend gemotiveerd is.
- (e)
Aan zijn oordeel dat de Inspecteur terecht een correctie heeft aangebracht in verband met de Supply Agreement heeft het Hof ten grondslag gelegd het oordeel dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen.4. Laatstbedoeld oordeel is onbegrijpelijk.
- (f)
Belanghebbende heeft onder verwijzing naar het zogenoemde auto-importeur arrest (BNB 2002/343) bij het Hof gesteld dat de winstgevendheid van [D] in zijn geheel boven de arm's length range ligt en dat een positieve correctie in verband met de Supply Agreement niet op zijn plaats is.5. Het Hof heeft zich in zijn uitspraak uitsluitend uitgelaten over de vraag of een negatieve winstcorrectie op zijn plaats is. Op het verweer van belanghebbende dat er gezien de winstgevendheid van [D] in zijn geheel geen aanleiding is voor een positieve winstcorrectie in verband met de Supply Agreement is het Hof niet ingegaan. Hierdoor is zijn oordeel niet toereikend is gemotiveerd.
- (g)
Het Hof heeft geoordeeld dat het voorzienbaar was dat de winst op basis van cost plus 5% (veel) minder zou bedragen dan de te realiseren winst op basis van het surplus van 39%.6. Dat oordeel is onbegrijpelijk.
- (h)
Aan zijn oordeel dat het sluiten van de Supply Agreement indruiste tegen het zakelijke belang van [D] en dat een dergelijke beslissing in ongelieerde verhoudingen niet zou zijn genomen, heeft het Hof mede ten grondslag gelegd dat [D] om te kunnen voldoen aan de rente- en aflossingsverplichtingen afhankelijk was van het rendement op de productie.7. Dat oordeel is onbegrijpelijk.
- (i)
Het Hof heeft een opsomming gegeven van de functies die [D] als producent uitoefent… Daarbij noemt het Hof research en development, inkoop van grondstoffen, productie, opslag, interne verkoop en daarmee samenhangende logistiek en transport.8. Dat oordeel is onbegrijpelijk.
- (j)
Het Hof is ervan uitgegaan dat [D] een risicoloos rendement van 5% heeft behaald op het gedeelte van de investering dat betrekking heeft op het surplus.9. Dat oordeel is onbegrijpelijk.
- (k)
Aan zijn oordeel dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen, heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat de fiscale winst van belanghebbende moet worden bepaald als ware de Supply Agreement niet gesloten en [D] de producten behorende tot het surplus maandelijks aan [E] zou hebben verkocht tegen prijzen die stroken met het binnen het [A]-concern algemeen geldende systeem van verrekenprijzen. Dit oordeel is onjuist en/of onbegrijpelijk.
- (l)
Ervan uitgaande dat [D] en [E] met het aangaan en uitvoeren van de Supply Agreement onzakelijk hebben gehandeld, heeft het Hof geoordeeld dat de winst van belanghebbende niet in het jaar van het sluiten van de Supply Agreement — 2011 — moet worden gecorrigeerd, maar van maand tot maand, in de maand waarin het onzakelijk handelen zich voordoet. Dit oordeel geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting en/of is onbegrijpelijk.
Toelichting
1. Inleiding
1.1.
De belanghebbende in deze zaak is [X] B.V. Zij is de moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting waartoe verder onder meer behoren [C] B.V. (hierna: [C]) en [D] B.V. (hierna: [D]). [C] is een (tussen)houdstervennootschap, die onder meer alle aandelen houdt in de in Zwitserland gevestigde vennootschap [E] Ltd. (hierna: [E]). [D] is een werkmaatschappij die kunstmestproducten vervaardigt.
Alle hiervoor genoemde vennootschappen maken deel uit van het [A]-concern, waarvan de in Noorwegen gevestigde, beursgenoteerde vennootschap [B] ASA de uiteindelijke moedervennootschap is.
1.2.
In 2008 heeft [D] besloten haar productiefaciliteiten te moderniseren en uit te breiden met een nieuwe fabriek. Daardoor werd het mogelijk een groter deel van de in haar bedrijf vervaardigde ammoniak te verwerken tot kunstmestproducten. Aan dit besluit ligt een convenant met de Nederlandse overheid ten grondslag dat ertoe strekt het vervoer over de Westerschelde van ammoniak — een gevaarlijke stof — te reduceren. Vóór de modernisering en uitbreiding van haar productiefaciliteiten verkocht [D] namelijk een deel van de vervaardigde ammoniak en werd dit deel via de Westerschelde naar elders vervoerd.
De nieuwe fabriek, genaamd [M], is in september 2011 in gebruik genomen. De productiecapaciteit van [D] is sindsdien aanzienlijk groter dan daarvoor. Sinds september 2011 is van de totale productiecapaciteit 39% terug te voeren op de modernisering van de faciliteiten en de ingebruikneming van [M]. Het met deze 39% overeenstemmende deel van de feitelijk vervaardigde producten wordt in de uitspraak van het Hof aangeduid als ‘het surplus’.
1.3.
Het met de oorspronkelijke productiecapaciteit overeenstemmende deel van de producten, thans dus 61% van de totale productie, wordt verkocht aan tot het [A]-concern behorende vennootschappen die als distributeurs functioneren. Bij de verkoop aan de distributeurs brengt [D] prijzen in rekening volgens een binnen het [A]-concern algemeen toegepast systeem van verrekenprijzen, neergelegd in (i) de zogenoemde […] Transfer Pricing Master File (afgekort als TP Master File) en (ii) Country Specific Files.10. De verrekenprijzen voortvloeiend uit de TP Master File en de Country Specific Files zijn in beginsel gebaseerd op een ‘comparable uncontrolled price method’ (cup-methode).
1.4.
Voor het surplus is gekozen voor een andere handelwijze. Omstreeks de ingebruikneming van [M] heeft [D] een overeenkomst gesloten met [E] op basis waarvan het surplus voor rekening en risico van [E] wordt geëxploiteerd. Daarbij is een vergoeding overeengekomen die gelijk is aan de integrale kostprijs van het surplus in de desbetreffende productieperiode vermeerderd met een opslag van 5%. In deze overeenkomst, de ‘Supply Agreement’ is verder bepaald dat zij een looptijd heeft van vijf jaren, ingaande 14 september 2011, en dat zij daarna telkens stilzwijgend met een jaar wordt verlengd behoudens opzegging door een der partijen met inachtneming van een opzegtermijn van twee maanden.
1.5.
De Inspecteur heeft in de onderhavige procedure gesteld dat [D] en [E] onzakelijk met elkaar hebben gehandeld — dat wil zeggen: hebben gehandeld louter op grond van overwegingen ontleend aan de tussen hen bestaande (indirecte) aandeelhoudersrelatie — door voor het surplus condities overeen te komen die afwijken van de TP Master File en de Country Specific Files. Volgens de Inspecteur is [E] bewust bevoordeeld ten koste van [D]. Belanghebbende betwist de stelling van de Inspecteur.
1.6.
In onderdeel 4.49 van zijn uitspraak heeft het Hof het geschilpunt over het surplus als volgt nader omschreven: ‘De kern van het geschil betreft de vraag of gegeven de feiten en omstandigheden 39% van de productiecapaciteit van [D] (het surplus) voor rekening en risico van [E] kan worden geëxploiteerd en [D] in die opzet als contract manufacturer kan optreden voor [E] tegen een cost plus 5%, zoals betoogd door belanghebbende. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat ook de exploitatie van het surplus van 39%, naast de overige 61% van de productie, volledig toekomt aan belanghebbende, overeenkomstig de eigen, sinds jaar en dag gehanteerde verrekenprijsdocumentatie en dat het contractueel overdragen van een deel van het productrisico (het deel van het surplus van 39%) in strijd is met de historische, economische en actuele werkelijkheid).’ Voorts heeft het Hof in onderdeel 4.55.3 overwogen: ‘In hoeverre hetgeen contractueel is vastgelegd een weerspiegeling vormt van de economische werkelijkheid is in wezen de inzet van het onderhavige geschil.’
2. Onderdeel a van het middel
2.1.
De stelling van de Inspecteur komt erop neer dat belanghebbende, als moedermaatschappij van de fiscale eenheid, geacht moet worden informele kapitaalstortingen te hebben verricht in haar dochtervennootschap [E].
2.2.
Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat een procespartij die stelt dat informele kapitaalstortingen hebben plaatsgevonden, als regel de bewijslast van die stelling draagt.11.
2.3.
Het Hof heeft echter geoordeeld dat niet de Inspecteur het bewijs moet leveren voor zijn stelling, maar dat — omgekeerd — belanghebbende moet bewijzen dat zij geen informele kapitaalstortingen heeft verricht zoals door de Inspecteur gesteld.12. De gronden voor dit oordeel heeft het Hof overgenomen van de Rechtbank. Die gronden zijn (i) dat [D] in eerdere jaren producten heeft verkocht aan [E] op basis van de TP Master File, en (ii) dat [D] ook in het onderhavige jaar (2012) aan andere gelieerde verkooporganisaties producten heeft verkocht tegen prijzen op basis van de TP Master File. Daarbij heeft het Hof in aanmerking genomen dat het productieproces, het logistieke proces, de administratieve handelingen en de productiekosten van het surplus niet afwijken van die van de overige 61% van de productie van [D].13.
2.4.
In de uitspraak van het Hof valt niet te lezen dat het Hof zijn oordeel over de bewijslastverdeling heeft gegrond op een door de Inspecteur bijgebracht vermoeden.14. Moet niettemin worden aangenomen het Hof zijn oordeel op een vermoeden heeft gebaseerd dan had het van belanghebbende (slechts) mogen verlangen dit vermoeden te ontzenuwen, niet dat zij bewijst geen informele kapitaalstortingen te hebben verricht in [E].
2.5.
De gedachtegang van het Hof is kennelijk dat de omstandigheden waaronder het surplus aan [E] wordt overgedragen voorshands niet anders lijken te zijn dan de omstandigheden waaronder het 61%-deel van de productie wordt verkocht, en dat het daarom redelijk is dat belanghebbende bewijst dat de vergoeding voor het surplus op zakelijke gronden berust.
2.6.
De beantwoording van de vraag hoe de bewijslast tussen twee procespartijen behoort te worden verdeeld, dient uit haar aard vooraf te gaan aan de inhoudelijke beoordeling van de over en weer aangevoerde, te bewijzen stellingen en de daarbij behorende bewijsmiddelen. De mogelijke uitkomst van deze beoordeling mag op de bewijslastverdeling niet van invloed zijn. In dit licht bezien is hetgeen het Hof omtrent de bewijslastverdeling heeft overwogen, onjuist en/of onbegrijpelijk zoals hierna in 2.7 tot en met 2.10 nader wordt toegelicht. De omstandigheden waaronder het surplus aan [E] ter beschikking wordt gesteld, zijn niet op voorhand vergelijkbaar met de omstandigheden waaronder het 61%-deel van de productie aan de distributeurs wordt verkocht.
2.7.
Allereerst lag aan het besluit tot uitbreiding van de productiecapaciteit van [D] met [M], zoals door belanghebbende is gesteld, (in ieder geval mede) ten grondslag de wens van de overheid om het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Westerschelde te beperken. Een dergelijke niet-commerciële beweegreden heeft geen rol gespeeld bij de bouw en exploitatie van de oorspronkelijke productiefaciliteiten.
2.8.
Voorts is weliswaar juist dat, nadat [M] in gebruik is genomen, er tussen het 61 %-deel van de productie en het surplus geen verschillen bestaan qua productieproces, logistiek proces en productiekosten. Maar het Hof heeft bij zijn oordeel over de bewijslastverdeling (ten onrechte) buiten beschouwing gelaten dat juist door de ingebruikneming van [M] zowel het productieproces, als het logistieke proces, als de gemiddelde kostprijs per eenheid product aanzienlijk is gewijzigd. Het productieproces is veranderd doordat nu (meer) ammoniak wordt omgezet in (kort gezegd) kunstmestproducten, het logistieke proces is veranderd doordat (veel) minder ammoniak wordt verplaatst en afgevoerd, en de gemiddelde kostprijs per eenheid product is lager geworden als gevolg van de modernisering en substantiële uitbreiding van de productiecapaciteit.
2.9.
Bovendien moet worden geconstateerd dat het Hof bij de bewijslastverdeling geheel is voorbijgegaan aan de stelling van belanghebbende dat [E] het gehele risico met betrekking tot het surplus op zich heeft genomen. Dat risico betreft niet alleen de marktprijs van de eindproducten, maar ook de marktprijs van de grondstoffen, met name aardgas die voor de productie in grote hoeveelheden nodig zijn. Het voor rekening en risico van [E] laten komen van het surplus is op voorhand beschouwd een omstandigheid die relevant is voor de hoogte van de overeengekomen vergoeding en voor de beoordeling van het zakelijke of niet-zakelijke karakter van de gesloten overeenkomst. [D] heeft een dergelijke afspraak niet gemaakt met betrekking tot haar oorspronkelijke productievolume.
2.10.
In zijn rechtsoverwegingen 4.56.2 en volgende is het Hof uitvoerig ingegaan op de zo-even bedoelde overdracht van het risico aan [E]. De gevolgtrekkingen waartoe het Hof in dat verband is gekomen, hebben geen kenbare invloed gehad op het oordeel van het Hof over de bewijslastverdeling in rechtsoverweging 4.51. Zij mochten daarop ook geen invloed hebben, aangezien de bewijslastverdeling logischerwijze voorafgaat, althans vooraf behoort te gaan, aan de inhoudelijke beoordeling van een geschilpunt. De rechtsoverwegingen 4.56.2 en volgende kunnen dus niet eraan afdoen dat de door belanghebbende gestelde overdracht van risico een omstandigheid is die relevant was voor de bewijslastverdeling.
2.11.
Gezien al het voorgaande had het Hof niet mogen afwijken van de regel dat de procespartij die zich beroept op een informele kapitaalstorting, van die stelling de bewijslast draagt.
3. Onderdeel b van het middel
3.1.
De Inspecteur heeft voor het Hof (terecht) niet gesteld dat de door [D] en [E] gesloten Supply Agreement geheel of ten dele een schijnhandeling vormt, noch dat [D] en [E] de Supply Agreement feitelijk niet hebben nageleefd. In cassatie moet er daarom van worden uitgegaan dat de Supply Agreement geen schijnhandeling is, alsmede dat [D] en [E] de overeenkomst daadwerkelijk en correct hebben uitgevoerd.
3.2.
Volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad is voor een informele kapitaalstorting in concernverhoudingen vereist dat de ene concernvennootschap een voordeel geniet dat zijn oorzaak uitsluitend vindt in de vennootschappelijke betrekkingen tussen haar en een andere concernvennootschap. Daarvoor moet worden onderzocht of deze laatste vennootschap uitsluitend op grond van die vennootschappelijke betrekkingen aan de andere concernvennootschap een voordeel in geld of goederen doet toekomen, dat zij onder gelijke omstandigheden aan een van haar onafhankelijke vennootschap niet zou hebben verschaft.15.
3.3.
Naar aanleiding van de stellingen van de Inspecteur had het Hof behoren te onderzoeken of [D] door middel van de Supply Agreement aan [E] een of meer voordelen heeft doen toekomen die uitsluitend hun grond vinden in de vennootschappelijke betrekkingen binnen het [A]-concern en die zij onder gelijke omstandigheden aan een van haar onafhankelijke vennootschap niet zou hebben verschaft. Het Hof diende dit onderzoek te baseren op de rechtshandelingen en feitelijke handelingen die [D] en [E] daadwerkelijk hebben verricht. Dat is echter niet wat het Hof heeft gedaan.
3.4.
Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Supply Agreement heeft bewerkstelligd dat het productie-, markt- en prijsrisico (hierna: het risico) met betrekking tot het surplus bij [E] is komen te liggen. Het Hof is belanghebbende in deze stelling gevolgd. In rechtsoverweging 4.56.2 heeft het immers vastgesteld dat belanghebbende op 14 september 2011 door middel van de Supply Agreement (en de Distribution Service Agreement) het risico met betrekking tot het surplus aan [E] heeft overgedragen. Daarvan uitgaande had het Hof vervolgens moeten bezien of en in hoeverre de overdracht van het risico informele kapitaalstortingen in [E] tot gevolg heeft gehad. In plaats daarvan heeft het Hof echter op grond van een functionele analyse van de activiteiten van (alleen) [D]16. — die in de gedachtegang van het Hof kennelijk de ‘economische werkelijkheid’ weergeeft — geoordeeld dat [D] het risico met betrekking tot het surplus niet aan [E] heeft kunnen overdragen, en heeft het daarom bij de beantwoording van de vraag of de Inspecteur in verband met de Supply Agreement terecht een correctie op de belastbare winst van belanghebbende heeft aangebracht de overdracht van het risico aan [E] fiscaal volledig genegeerd. Deze benadering van het Hof is onjuist. Het Hof is uitgegaan van een van de Supply Agreement afwijkende ‘economische werkelijkheid’, wat dat begrip ook moge inhouden, maar dat is ten onrechte. Het gaat er niet om of [D] het risico bij het surplus aan [E] heeft kunnen overdragen — dat dit daadwerkelijk is gebeurd blijkt uit de vaststelling van het Hof zelf — het gaat erom of de overdracht van het risico feitelijk heeft geleid tot een of meer kapitaalstortingen in [E]. Onjuist is overigens ook de zienswijze van het Hof dat er in het onderhavige geval een ‘economische werkelijkheid’ is die afwijkt van de Supply Agreement. Daar de Supply Agreement niet een schijnhandeling is en daadwerkelijk tot uitvoering is gebracht, is zij (mede) bepalend voor de financiële (zo men wil: economische) verhouding tussen [D] en [E]. De door het Hof veronderstelde, van de Supply Agreement afwijkende ‘economische werkelijkheid’ bestaat dus niet en kan ook niet bestaan.
4. Onderdeel c van het middel
4.1.
Zoals hiervoor in 3.2 is gememoreerd, is voor een informele kapitaalstorting in concernverhoudingen vereist dat de ene concernvennootschap een voordeel geniet dat zijn oorzaak uitsluitend vindt in de vennootschappelijke betrekkingen tussen haar en een andere concernvennootschap. In dit vereiste ligt besloten dat een informele kapitaalstorting in concernverhoudingen zich alleen kan voordoen indien de betrokken concernvennootschappen zich ervan bewust zijn dat de ene concernvennootschap aan de andere concernvennootschap een voordeel doet toekomen en dat dit gebeurt uitsluitend op grond van de tussen hen bestaande vennootschappelijke betrekkingen. Aan deze noodzakelijkheid van bewustheid bij de betrokken concernvennootschappen doet ten principale niet af dat zij in de rechtspraak in zekere mate is geobjectiveerd doordat is aanvaard dat de aanwezigheid van bewustheid onder omstandigheden uit de vastgestelde feiten kan worden afgeleid.
4.2.
In onderdeel 4.55.2 van zijn uitspraak heeft het Hof het standpunt van belanghebbende dat een tussen partijen gesloten overeenkomst in beginsel door de inspecteur moet worden gerespecteerd en aanvaard, tenzij partijen zich bewust waren van de onzakelijkheid ervan, als uitgangspunt juist geacht. Het heeft echter vervolgens geoordeeld dat indien de juridische werkelijkheid niet overeenkomt met de economische werkelijkheid, de inspecteur niet is gebonden aan de contractuele voorwaarden en hij aan de uit de overeenkomst voortvloeiende transactie(s) andere fiscale gevolgen kan verbinden. Deze oordelen kunnen in onderlinge samenhang zo worden gelezen dat volgens het Hof de eis van bewustheid van een informele kapitaalstorting niet geldt in een situatie waarin de juridische werkelijkheid niet overeenkomt met de economische werkelijkheid. Dat zou kunnen verklaren waarom het Hof in het vervolg van zijn uitspraak aan de bewustheidseis geen aandacht meer heeft besteed. Indien dit inderdaad de gedachtegang van het Hof is geweest, berust die gedachtegang op een onjuiste rechtsopvatting. Bewustheid van bevoordeling is een inherent kenmerk van een informele kapitaalstorting; aan het bewustheidsvereiste moet in alle gevallen worden voldaan.
4.3.
Mocht het Hof zijn uitgegaan van de juiste rechtsopvatting en hebben aangenomen dat in alle gevallen van een gestelde informele kapitaalstorting aan het bewustheidsvereiste moet zijn voldaan, dan heeft het Hof verzuimd te responderen op de stelling van belanghebbende dat in het onderhavige geval het bewustheidsvereiste niet is vervuld. Alsdan lijdt de uitspraak van het Hof aan een essentieel motiveringsgebrek.
5. Onderdeel d van het middel
5.1.
Op verzoek van belanghebbende heeft [H] in oktober 2011, korte tijd na het sluiten van de Supply Agreement, een verrekenprijsrapport opgesteld. In dit rapport concludeert [H] dat de in de Supply Agreement opgenomen verrekenprijzen at arm's length zijn.
5.2.
Doordat belanghebbende een deskundige derde heeft laten beoordelen of hetgeen tussen partijen in de Supply Agreement is overeengekomen in overeenstemming is met het arm's length beginsel, handelt zij niet bewust onzakelijk. De aanwezigheid van transferpricing documentatie sluit een correctie in verband met een informele kapitaalstorting in beginsel uit, omdat niet wordt voldaan aan het bewustheidsvereiste.
5.3.
Dat is mogelijk anders als de belastingplichtige niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de samenwerking met de deskundige. Dat zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen als de belastingplichtige onvolledige of onjuiste informatie heeft verstrekt aan de adviseur of als hij heeft samengespannen met de adviseur of hem onder druk heeft gezet om een bepaalde verrekenprijs in zijn advies op te nemen.
5.4.
Belanghebbende heeft advies ingewonnen over de verrekenprijzen van een zorgvuldig gekozen externe deskundige. De inspecteur heeft kritiek op die adviezen, maar zelfs als die kritiek terecht zou zijn (wat belanghebbende heeft betwist), vloeit daaruit nog niet voort dat belanghebbende had kunnen of moeten begrijpen dat het rapport niet juist was. Van dwang of samenspanning in de relatie tussen belanghebbende en haar adviseur is geen sprake. Belanghebbende meent daarom dat de aanwezigheid van het transferpricingrapport dwingt tot de conclusie dat zij de intentie had om zakelijke voorwaarden en prijzen te hanteren bij het sluiten van de Supply Agreement. Door in de context van het bewustheidsvereiste geen aandacht te besteden aan transferpricingrapport, is het oordeel van het Hof onjuist dan wel onbegrijpelijk.
6. Onderdeel e van het middel
6.1.
In onderdeel 4.56.7 van zijn uitspraak overweegt het Hof dat voor de vraag of het productierisico met betrekking tot het surplus van 39% aan [E] kan worden overgedragen, het van belang is vast te stellen welke functies door [D] en [E] worden uitgeoefend en of met het oog op die uitgeoefende functies in niet- gelieerde verhoudingen een overdracht zoals vormgegeven in de Supply Agreement, zou kunnen plaatsvinden. Ervan afgezien dat het hier niet alleen het productierisico betreft maar ook het prijsrisico, is deze overweging van het Hof op zich bezien juist; de functies van [D] en van [E] zijn (beide) van belang voor de beantwoording van de vraag of het commerciële risico met betrekking tot het surplus door [D] aan [E] kon worden overgedragen. Daarbij zijn de functies van [E] als overnemende partij minstens zo belangrijk als die van [D] als overdragende partij. Het gaat er immers om of [E] in staat is het risico op zich te nemen.
6.2.
Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de functies van [E] zodanig zijn dat de overname van het risico met betrekking het surplus zeer wel aansluit bij die functies. Bovendien heeft belanghebbende — niet bestreden door de Inspecteur — aangevoerd dat [E] ook financieel zeer wel in staat was het risico te dragen.
6.3.
Anders dan het Hof lijkt aan te kondigen in onderdeel 4.56.7.1 van zijn uitspraak, heeft het bij de beantwoording van de vraag of het risico met betrekking tot het surplus aan [E] kon worden overgedragen geen enkele aandacht besteed aan de door [E] uitgeoefende functies. De redenering van het Hof die uitmondt in het oordeel dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen, vertoont daarom op een essentieel punt een leemte. Dat maakt het oordeel onbegrijpelijk.
6.4.
Het oordeel van het Hof dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen, is ook om een andere reden niet begrijpelijk. In de uitspraak van het Hof ligt besloten dat — in de gedachtegang van het Hof — de Supply Agreement heeft bewerkstelligd dat een winstcapaciteit is verschoven van [D] naar [E]. Zonder nadere toelichting, die het Hof niet heeft gegeven, valt niet in te zien dat en waarom tussen onafhankelijke partijen niet een dergelijke verschuiving van winstcapaciteit zou kunnen worden overeengekomen als daarbij een adequate vergoeding wordt bedongen.
7. Onderdeel f van het middel
7.1.
Belanghebbende heeft bij het Hof een beroep gedaan op het zogenoemde auto-importeur arrest (BNB 2002/343). In dit arrest is onder meer het volgende overwogen:
‘Er bestaat dan ook geen rechtsregel die meebrengt dat voor de vraag of een dergelijk voordeel aanwezig is, elke individuele transactie dan wel elke groep van transacties gericht op een bepaald product of een bepaalde productgroep moet worden getoetst aan het at arm's length beginsel. Toetsing aan voormeld beginsel van het geheel van voorwaarden betrekking hebbend op het totale assortiment zoals dat geldt tussen een belastingplichtige en haar aandeelhouder(s) kan zonder schending van enige rechtsregel plaatsvinden. Evenmin wordt het recht geschonden indien voor beantwoording van de vraag of een belastingplichtige zich op grond van de aandeelhoudersrelatie voordelen heeft laten ontgaan, beslissende betekenis gehecht wordt aan het antwoord op de vraag of een niet-gelieerde derde zich in het geheel van rechten en verplichtingen, dat geldt voor die belastingplichtige, zou hebben begeven dan wel zich daaraan niet zou hebben onttrokken. ’
en
‘(…) dat onder omstandigheden niet de beoordeling van de individuele verrekenprijzen maar van de winstgevendheid van de gelieerde onderneming in het bijzonder in relatie tot het vermogensbeslag en het door de onderneming gelopen bedrijfsrisico tot een aanvaardbaar resultaat leidt’.
7.2.
Het Hof heeft bij de beoordeling van de fiscale gevolgen van de Supply Agreement geen aandacht besteed aan het niveau van de winstgevendheid van [D] in zijn geheel en heeft teveel de nadruk gelegd op de specifieke transactie. Uit het hiervoor vermelde citaat uit het auto-importeur arrest volgt dat het voor de vraag of een belastingplichtige zich op grond van de aandeelhoudersrelatie voordelen heeft laten ontgaan, beslissende betekenis gehecht mag worden aan het antwoord op de vraag of een niet-gelieerde derde zich in het geheel van rechten en verplichtingen dat geldt voor die belastingplichtige, zou hebben begeven dan wel zich daaraan niet zou hebben onttrokken. Dat betekent volgens belanghebbende dat naar aanleiding van haar stellingname voor het Hof beoordeeld had moeten worden of een onafhankelijke derde in alle rechten en plichten van [D] (dus inclusief de Supply Agreement) had willen treden. In de door belanghebbende bij het Hof ingenomen stellingen met betrekking tot de hoogte van de winst van [D] in haar geheel ligt besloten dat die vraag volgens belanghebbende bevestigend moet worden beantwoord. Door hier geen aandacht aan te besteden in zijn uitspraak, heeft het Hof een essentiële stelling gepasseerd.
8. Onderdeel g van het middel
8.1.
In onderdeel 4.56.2 heeft het Hof geconstateerd dat het financiële effect van de contractuele overdracht van het productierisico met betrekking tot het surplus (zeer) groot is geweest. Het Hof baseert zich daarbij op de door [D] in de jaren 2012 tot en met 2019 behaalde resultaten, derhalve op kennis achteraf. Dit is volgens het Hof gezien de in de jaren 2002 tot en met 2012 behaalde rendement voorzienbaar te zijn geweest
8.2.
Belanghebbende heeft bij het Hof aangevoerd dat de verwachtingen met betrekking tot de exploitatie van [M] ten tijde van het aangaan van de supply agreement in 2011 niet zo goed waren.17. De verwachting was in 2011 dat de prijzen van Basis Producten zouden gaan dalen, aangezien er sprake was van een overschot in de markt. Belanghebbende heeft bij het Hof verder uiteengezet dat de investering in [M] paste in de strategie van [A] om zich meer te focussen op zogenoemde Specialties.18. Dit waren relatief nieuwe producten, waarvan de productie met risico was omgeven aangezien de mogelijkheid bestond dat de vraag hiernaar zou achterblijven. Om te voorkomen dat de productiecapaciteit van [M] niet volledig benut zou kunnen worden, heeft [A] daarom oorspronkelijk besloten om het surplus toch aan te wenden voor de productie van een Basis Product. Van deze producten werd in 2011 dus verwacht dat de prijzen zouden dalen. Het Hof gaat in zijn uitspraak volledig voorbij aan deze contemporaine gegevens uit 2011, die iets zeggen over de ten tijde van het sluiten van de Supply Agreement bestaande verwachtingen over de exploitatie van het surplus. Het oordeel van het Hof over de voorzienbaarheid van de nadelige gevolgen voor [D] van de Supply Agreement is daarom onbegrijpelijk.
9. Onderdeel h van het middel
9.1.
Het Hof heeft aan zijn oordeel in 4.56.3 dat de Supply Agreement indruiste tegen de zakelijke belangen van [D] mede ten grondslag gelegd dat [D] risico liep over de investering van € 400 miljoen in de [M] fabriek en afhankelijk was van het rendement op de productie om te kunnen voldoen aan de rente- en aflossingsverplichtingen.
9.2.
Zoals belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd, is [D] vanwege de cost-plus beloning uit hoofde van de Supply Agreement in staat om een goed rendement te behalen op de productieactiviteiten. Het rendement dat de Supply Agreement voorzienbaar oplevert, stelt [D] juist in staat om te voldoen aan de op haar rustende rente-en aflossingsverplichtingen. Dit blijkt uit de berekeningen die belanghebbende als bijlage V bij de conclusie van repliek aan het Hof heeft versterkt. Belanghebbende concludeerde daarin dat de jaarlijkse cashflow op basis van de supply agreement ruim voldoende is om de rentelasten en aflossingen mee te voldoen.
10. Onderdeel i van het middel
10.1.
Het Hof heeft blijkens overweging 4.56.13 een verkeerd beeld van de wijze waarop de productiefunctie binnen het [A] concern is georganiseerd. Belanghebbende heeft in de processtukken aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening van [B] ASA toegelicht welke strategische en operationele risico's er worden gelopen door het concern.19. Daarbij heeft belanghebbende ook toegelicht welke onderdelen van het concern bepaalde kernfuncties uitoefenen. Uit die toelichting blijkt dat veel van de functies die het Hof toeschrijft aan [D] worden uitgeoefend door andere vennootschappen binnen het [A] concern. Zo vond de inkoop van aardgas in het onderhavige jaar 2012 in België plaats (vanaf 2016 in Zwitserland) en is de België gevestigde CPOO-afdeling verantwoordelijk voor de interne verkoop en de coördinatie van het transport. Door voorbij te gaan aan deze — onweersproken — gestelde feiten, is de uitspraak van het Hof onbegrijpelijk.
11. Onderdeel j van het middel
11.1.
Het Hof lijkt blijkens zijn r.o. 4.56.18 aan te nemen dat een vergoeding ter grootte van 5% van de kosten betekent dat [D] met het surplus een risicoloos rendement behaalt van 5%. Daarvan uitgaande oordeelt het Hof dat ‘in niet-gelieerde verhoudingen zou [D] nimmer het uit de door haar uitgeoefende functies, te lopen risico's en gedane investeringen te realiseren rendement inruilen voor een risicoloos rendement van 5% (…)’.
11.2.
Belanghebbende heeft in de processtukken echter gemotiveerd en onweersproken gesteld dat [D] een veel hoger rendement heeft gehaald op het gedeelte van de investering dat betrekking heeft op het surplus. In de conclusie van repliek voor het Hof heeft zij uiteengezet dat [D] onder de Supply Agreement in staat is om een goed rendement te maken op haar investering in [M]. Daartoe heeft zij een zogenoemde Internal Rate of Return (IRR) berekening verstrekt aan het Hof.20. Een IRR-berekening is een gebruikelijke methode om het rendement van een investering te berekenen. Aan de hand van de kasstromen die een investering zal genereren wordt berekend welk rendement die investering genereert. Belanghebbende heeft het rendement op het gedeelte van de investering dat betrekking heeft op het surplus berekend op ongeveer 8,6% (na belastingen en inflatie). Doordat het Hof desondanks uitgaat van een risicoloos rendement van 5%, is de uitspraak onbegrijpelijk.
12. Onderdeel k van het middel
12.1.
Op grond van zijn oordeel dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen, heeft het Hof ter vaststelling van de fiscale winst van belanghebbende de Supply Agreement volledig weggedacht. Het heeft geoordeeld dat de winst moet worden bepaald alsof [D] het surplus maandelijks aan [E] zou hebben verkocht tegen prijzen die volgen uit het verrekenprijzensysteem van het [A]-concern.
12.2.
De omstandigheid dat een door concernvennootschappen met elkaar gesloten overeenkomst niet tussen van elkaar onafhankelijke vennootschappen tot stand zou zijn gekomen, wettigt niet zonder meer de conclusie dat die overeenkomst een zakelijk karakter mist. Nog minder kan zij zonder meer rechtvaardigen dat de desbetreffende overeenkomst in het kader van de toepassing van het arm's length beginsel fiscaal geheel wordt genegeerd. Voor het Hof heeft belanghebbende daarop ook gewezen, onder aanhaling van de paragrafen 1.122 en 1.123 van de OECD Transfer Pricing Guidelines 2017.21.
12.3.
Het Hof heeft het voorgaande miskend. Uitgaande van zijn oordeel dat de Supply Agreement niet tussen onafhankelijke derden tot stand zou zijn gekomen en uitgaande van een juiste rechtsopvatting, had het Hof nader behoren te motiveren (i) dat de Supply Agreement een zakelijk karakter ontbeert en (ii) waarom fiscaal volledig aan de Supply Agreement moet worden voorbijgegaan en niet kan worden volstaan met een minder vergaande correctie. Wat dit laatste betreft, had het Hof met name dienen toe te lichten waarom niet het (veronderstelde) onzakelijke karakter kan worden hersteld door aan te nemen dat [E] bij het sluiten van de Supply Agreement een vergoeding aan [D] zou hebben betaald gelijk aan de geschatte contante waarde van het contract.
13. Onderdeel i van het middel
13.1.
Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat zo er al een winstcorrectie in verband met de Supply Agreement noodzakelijk is, die correctie niet in het onderhavige jaar -2012-moet worden aangebracht maar (eenmalig) in het jaar 2011, het jaar waarin de Supply Agreement tot stand is gekomen. Dit verweer is door het Hof verworpen.
13.2.
Bij de behandeling van het verweer van belanghebbende (in onderdeel 4.68 van de uitspraak) heeft het Hof vooropgesteld dat de aanwezigheid van de Supply Agreement een feit is dat niet genegeerd kan worden. Deze vooropstelling is juist, zij strookt met wat belanghebbende steeds heeft betoogd. Vervolgens is het Hof ervan uitgegaan dat het uitvoering geven aan de Supply Agreement moet worden beschouwd als een onzakelijk handelen en dat dit uitvoering geven ingevolge art. 8b Wet Vpb 1969 moet worden gecorrigeerd.
13.3.
De gedachtegang van het Hof in onderdeel 4.68 van de uitspraak is onjuist; hij berust op een onjuiste opvatting van art. 8b Wet Vpb 1969 en van de artikelen 3.2 en 3.25 Wet IB 2001 in samenhang met art. 8 Wet Vpb 1969. Hij is ook innerlijk tegenstrijdig.
13.4.
De gedachtegang van het Hof is innerlijk tegenstrijdig omdat het Hof enerzijds (terecht) vooropstelt dat de Supply Agreement niet kan worden genegeerd — waarmee het Hof niet anders kan hebben bedoeld dan dat de Supply Agreement fiscaal niet kan worden genegeerd — en het anderzijds aan de Supply Agreement fiscaal volledig voorbijgaat en het uitvoering geven aan de Supply Agreement corrigeert.
13.5.
Zoals belanghebbende heeft verdedigd is het de Supply Agreement als zodanig die, zo zij als onzakelijk moet worden beschouwd, tot een verschuiving van winstcapaciteit (en dus tot een vermogensverschuiving) van [D] naar [E] heeft geleid.22. Door het sluiten van de Supply Agreement zijn immers de wederzijdse rechten en plichten van [D] en [E] komen vast te staan. Het Hof heeft de Supply Agreement inderdaad als onzakelijk beschouwd. Dan is het ook de vermogensverschuiving die door het tot stand komen van de Supply Agreement is veroorzaakt die fiscaal moet worden gecorrigeerd, en wel in het jaar waarin de verschuiving heeft plaatsgevonden, te weten in 2011. Anders dan het Hof heeft geoordeeld vloeit uit art. 8b Wet Vpb 1969 geen ander rechtsgevolg voort.
Op grond van het bovenstaande concludeert belanghebbende tot vernietiging van de uitspraak van het Hof, met zodanige verdere beslissing als uw Raad geraden voorkomt.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 17‑04‑2025
Rechtsoverweging 4.51.
Rechtsoverweging 4.55.2.
Rechtsoverweging 4.56.15, slot.
Conclusie van repliek 4.4.18.
Rechtsoverweging 4.56.2.
Rechtsoverweging 4.56.3.
Rechtsoverweging 4.56.13.
Rechtsoverweging 4.56.18.
Onderdeel 2.27 van de uitspraak van het Hof.
Laatstelijk HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, BNB 2019/113.
Onderdeel 4.51 van de uitspraak van het Hof.
Onderdeel 5.50 van de uitspraak van het Hof.
Zie in dit verband ook de slotzin van r.o. 4.49: ‘Alvorens inhoudelijk op het geschil in te gaan, zal het Hof eerst bepalen op welke partij (in eerste instantie) de bewijslast rust.’ (Cursivering van gemachtigden)
Vgl. HR 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:355, BNB 2019/113, r.o. 3.4.
Het Hof heeft in dit kader geen enkele aandacht geschonken aan de functies van de wederpartij bij de Supply Agreement, [E]. Zie daarover onderdeel d van het middel.
Onderdeel 4.4.26 — 4.4.27 van de conclusie van repliek.
Onderdeel 4.2.36 e.v. van de conclusie van repliek.
Onderdeel 93–104 van de motivering van het hoger beroep.
Bijlage V bij de conclusie van repliek.
Punt 120 van de motivering van het hoger beroep.
Zie de rechtspraak genoemd in punt 143 e.v. van de motivering van het hoger beroep.
Conclusie 24‑02‑2023
Inhoudsindicatie
(i) Samenhangende waardering dollarposities; (ii) zakelijkheid van interne overdracht van productierisico’s en daarbij toegepaste verrekenprijzen. De belanghebbende is onderdeel van een internationaal concern dat kunstmest (producten) produceert, verkoopt en distribueert. Zij is moeder van een fiscale eenheid met diverse dochters, waaronder de productievennootschap [D] BV. Het geschil is in 2012 en 2013 hetzelfde, maar over beide jaren is afzonderlijk geprocedeerd, over 2013 via sprongcassatie. Beide partijen hebben (sprong)cassatie ingesteld. De vier cassatieberoepen worden in één conclusie behandeld. Het gaat in beide jaren om twee geschilpunten: (i) is voor verplichte samenhangende waardering van USD-vorderingen en -schulden een feitelijk zeer effectieve hedge voldoende, of is daarnaast een hedging-oogmerk of bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld vereist? (ii) leiden de supply en distribution agreements tussen [D] en een Zwitserse groepsvennootschap (AG) tot onzakelijke winstverschuiving die gecorrigeerd moet worden ex art. 8b Wet Vpb? (i) Samenhangende waardering De belanghebbende had ultimo 2012 én 2013 vorderingen, valutatermijncontracten en schulden in USD. Zij waardeert die vorderingen en schulden op verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Zij verantwoordt valutawinsten zodra zij gerealiseerd zijn en valuta-verliezen zodra een vordering lager of een schuld hoger wordt gewaardeerd. Het Hof heeft de dollarschulden en termijncontracten samenhangend gewaardeerd, maar niet de dollarschulden tegenover dollarvorderingen op een Braziliaanse dochter die voortvloeien uit ondernemingsfinanciering. Het Hof Den Bosch acht een zeer effectieve valutahedge (feitelijke correlatie) op zichzelf niet voldoende voor samenhangende waardering; daarvoor is volgens hem ook een bedrijfspolitieke samenhang tussen tegengestelde valutaposities vereist, zoals een oogmerk van hedging of een bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld. De Staatssecretaris meent dat het realiteitsbeginsel meebrengt dat bij een feitelijke 100%-correlatie schulden en vorderingen in dezelfde valuta samenhangend gewaardeerd moeten worden. Nu alle litigieuze vorderingen en schulden in USD luiden, is de valutahedge zeer effectief, en moeten zij dus samenhangend worden gewaardeerd. A-G Wattel meent dat de realiteit van een zeer effectieve valutahedge is dat geen valutakoersrisico wordt gelopen zolang en voor zover die hedge bestaat en dat daarom het realiteitsbeginsel in zoverre dwingt tot samenhangende waardering, ongeacht of de ondernemer hedging beoogde en ongeacht het al dan niet bestaan van bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld in dezelfde valuta. Dat strookt zijns inziens met de door hem weergegeven rechtspraak over samenhangende waardering. Hij acht het cassatieberoep van de Staatssecretaris in beide zaken gegrond. (ii) Het verrekenprijsgeschil [D] produceert kunstmestproducten en verkoopt die aan gelieerde verkooporganisaties. De verrekenprijzen worden gebaseerd op de Transfer Pricing Master File (TP Master File) dat zegt dat fully fledged producenten zoals [D] beloond worden naar de comparable uncontrolled price (CUP). In 2008 is besloten tot investering van € 400 mio door [D] in een fabriek, die begin september 2011 in gebruik is genomen en [D] in staat stelt om 39% méér ureum en kunstmestproducten (het surplus) te produceren dan voorheen. Op 14 september 2011, na de ingebruikneming van de nieuwe fabriek, hebben [D] en AG een Supply Agreement en een Distribution Agreement gesloten. AG is met de belanghebbende en met [D] ‘verbonden’ in de zin van art. 8 Vpb. Die agreements houden in dat AG het surplus afneemt voor cost plus 5%, gedurende vijf jaar, met stilzwijgende verlenging. Op die basis factureert [D] maandelijks 39% van haar productie tegen cost plus 5% aan AG en maakt zij de rest van haar winst op het surplus over aan AG. Volgens de Inspecteur resulteert dit in een maandelijkse onzakelijke winstverschuiving van [D] in Nederland naar AG in Zwitserland. Het Hof achtte niet aannemelijk dat een fully fledged winstgevende producent zoals [D] haar bestaande en bewezen overwinstcapaciteit - die door de nieuwe fabriek alleen maar beter werd - op een groot deel van haar productie zou afstaan aan een derde in de markt. De partij die dat stelt, zal een zakelijke verklaring moeten geven voor het gegeven dat de agreements slechts 5% marge laten aan de bewezen veel winstgevender ‘best presterende’ entrepreneur van het concern die alle functies bleef vervullen die zij daarvoor ook vervulde, behalve (op papier) 39% productierisicobeheersing, en voor het gegeven dat [D]’ omvangrijke restwinst voortaan maandelijks door haar werd overgemaakt naar een gelieerde overnemer van 39% productierisico, zonder betekenis voor [D]’ oorspronkelijke 61% productie en zonder betekenis voor de kernfuncties benodigd voor [D]’ 39% surplusproductie. Volgens A-G Wattel heeft het Hof aldus de bewijslastverdeling niet onredelijk of in strijd met een goede procesorde verdeeld. Wie opmerkelijke stellingen inneemt in strijd met eigen eerdere en voor 61% nog steeds ingenomen standpunten en in strijd met zijn eigen TP Master File, zal daar een verklaring voor moeten geven. ‘s Hofs oordeel houdt, bij gebrek aan voldoende verklaring door de belanghebbende, wezenlijk in (i) dat een onderneming die onmiskenbaar de most complex entity is, niet door alleen maar een contract voor een willekeurig percentage (39%) van zijn capaciteit veranderd kan worden in een routine-margeproducent terwijl die onderneming tegelijk voor de identieke 61% overige productie fully fledged entrepreneur blijft en voor de 39% surplus feitelijk ook alles blijft zoals het was, en (ii) dat evenmin een Zwitserse concernvennootschap die niet ingevoerd is in [D]’ productie(processen), logistiek, distributie en administratie, en die dus onmiskenbaar de least complex entity is, door alleen maar een contract voor hetzelfde willekeurige percentage (39%) kan worden veranderd in de werkelijke entrepreneur die [D] is en ook voor die 39% blijft, te minder nu dat contract onverenigbaar is met het TP Master File van het concern. Omdat een niet-gelieerde entrepreneur volgens het Hof nooit akkoord zou gaan met zo’n contract en zulke contracten volgens hem dan ook niet gesloten worden tussen niet-gelieerde partijen, is verzakelijking van de voorwaarden moeilijk denkbaar: voor een niet-bestaanbare transactie kunnen geen zakelijke voorwaarden bedacht worden, zodat uitgegaan moet worden van de situatie zonder de genoemde agreements. A-G Wattel acht die oordelen juist voor zover rechtskundig, en overigens feitelijk en niet onbegrijpelijk. Hij acht daarom niet onbegrijpelijk ’s Hofs conclusie dat fiscaalrechtelijk uitgegaan moet worden van de situatie zonder de twee agreements, die daarmee niet worden veronachtzaamd, maar civiel- en fiscaalrechtelijk als relatieve schijnhandeling worden beschouwd: er zijn wel degelijk twee overeenkomsten gesloten, maar hun strekking is een andere (winstverschuiving) dan de civielrechtelijk schijnbare. Dat oordeel, gebaseerd op de aan cassatiecontrole onttrokken uitleg van de overeenkomsten, de TP Master File en de overgelegde accountants- en juristenrapporten en op de eveneens aan cassatiecontrole onttrokken waardering van de vastgestelde feiten en van bewijsmateriaal zoals verklaringen ter zitting, lijkt de A-G niet onbegrijpelijk. Conclusie: cassatieberoepen belanghebbende ongegrond; cassatieberoepen Staatssecretaris gegrond.
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01909 en 22/03307
Datum 24 februari 2023
Belastingkamer A
Onderwerp/tijdvak Vennootschapsbelasting 2012 en 2013
Nrs. Gerechtshof 19/00771 en 19/00779
Nrs. Rechtbank BRE 17/4994 en BRE 18/8616
CONCLUSIE
P.J. Wattel
In de zaken van
[X] B.V.
tegen
de Staatssecretaris van Financiën
en vice versa
1. Overzicht
1.1 De belanghebbende is onderdeel van het Noorse [A] -concern ( [A] ) met als topholding [B] ( [B] ). Het concern houdt zich vooral bezig met productie, verkoop en distributie van kunstmest(producten). De belanghebbende is moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting (Vpb) met diverse dochters, waaronder de tussenholding [C] BV ( [C] ) en de productievennootschap [D] BV ( [D] ).
1.2 Het geschil is in 2012 en 2013 hetzelfde, al hebben de partijen over beide jaren afzonderlijk (door)geprocedeerd. Ik behandel beide cassatieberoepen daarom in één conclusie. Voor 2013 gaat het om sprongcassatieberoepen.
1.3 De Inspecteur is in beide jaren afgeweken van de aangifte Vpb. In cassatie zijn alleen nog in geschil de correcties in verband met (i) samenhangende waardering van dollarposities en (ii) de transfer pricing, waarmee volgens de Inspecteur Nederlandse winst is verschoven naar [E] AG. Beide partijen hebben voor beide jaren cassatieberoepen ingesteld. De grieven van de Staatssecretaris zien op ’s Hofs oordelen over de dollarpositie-waardering en die van de belanghebbende op ’s Hofs oordelen over het verrekenprijsgeschil.
(i) Samenhangende waardering?
1.4 De fiscale eenheid had aan het einde van beide jaren de volgende vorderingen en schulden in USD:
Vorderingen | USD | Ontstaan |
Kortlopend; Brazilië | 261.292.322 (2013: 461.189.578) | 2011 en volgende |
Valutatermijncontract | 200.000.000 | 21-03-2004 en volgende |
Valutatermijncontract | 225.000.000 | 01-03-2012 en volgende |
Schulden | ||
USD-schuld Ia | 500.000.000 | 21-03-2004 |
USD-schuld Ib | 250.000.000 | 21-03-2004 |
USD-schuld II | 479.000.000 | 29-12-2009 |
1.5 De belanghebbende waardeert haar vorderingen en schulden in USD op verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Zij verantwoordt valutawinsten zodra zij gerealiseerd zijn en valutaverliezen zodra een vordering lager of een schuld hoger wordt gewaardeerd.
1.6 Het geschil over de waardering van de dollarposities vraagt u om een keuze te maken uit twee standpunten waarvoor uw rechtspraak ruimte laat. De Staatssecretaris meent dat uit die rechtspraak volgt dat het realiteitsbeginsel van goed koopmansgebruik meebrengt dat bij een zeer effectieve valutahedge (feitelijke correlatie) schulden en vorderingen in die valuta samenhangend gewaardeerd moeten worden. Nu alle litigieuze vorderingen en schulden in USD luiden, is de valutahedge zeer effectief, aldus de Staatssecretaris, zodat het Hof de samenhangende waardering ten onrechte beperkt heeft tot de valutatermijncontracten en de USD-schulden I en II en ten onrechte de dollarvorderingen op de Braziliaanse dochter er buiten heeft gehouden. De belanghebbende vond daartegenover het Hof aan haar zijde in de opvatting dat feitelijke effectieve correlatie niet voldoende is omdat daarnaast ook een bedrijfspolitieke samenhang is vereist tussen tegengestelde dollarposities, met name een oogmerk van hedging en/of een bedrijfseconomisch verband tussen de vordering en de schuld in dezelfde valuta.
1.7 In onderdeel 8 geef ik uw rechtspraak over samenhangende waardering weer. Ik meen dat de realiteit van een zeer effectieve valutahedge is dat geen valutakoersrisico wordt gelopen zolang en voor zover die hedge bestaat en dat daarom het realiteitsbeginsel in zoverre dwingt tot samenhangende waardering, ongeacht of de ondernemer die hedge beoogde en ongeacht het al dan niet bestaan van bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld in dezelfde valuta. Ik acht het cassatiemiddel van de Staatssecretaris daarom in beide zaken gegrond.
(ii) Het verrekenprijsgeschil
1.8 [D] produceert grootschalig ammonia, ureum en kunstmestproducten. Zij verkoopt haar producten aan gelieerde verkooporganisaties, op basis van een Master Distribution Agreement. De beprijzing en overige intercompany verkoopvoorwaarden worden gebaseerd op de [...] Transfer Pricing Master File (TP Master File), dat in samenhang bezien moet worden met country specific files. De TP Master File en de country specific files bepalen dat fully fledged producenten zoals de met name genoemde [D] beloond worden volgens de comparable uncontrolled price method (CUP).
1.9 In 2008 is besloten tot investering van € 400 mio door [D] in een fabriek die ammonia omzet in ureum en kunstmestproducten. Zij heeft die investering met interne leningen gefinancierd. De investering houdt mede verband met een tussen [A] en de overheid gesloten convenant tot beperking van ammonia(k)vervoer. De fabriek is begin september 2011 in gebruik genomen en stelt [D] in staat om 39% van de totale productie ná uitbreiding méér ureum en kunstmestproducten te produceren dan voorheen. Het surplus bestaat uit dezelfde producten als de productie die daarvóór al bestond en wordt op dezelfde wijze verkocht en gedistribueerd als dat oorspronkelijke productievolume.
1.10 Op 14 september 2011, na de ingebruikneming van de nieuwe fabriek, hebben [D] en [E] AG ( [E] ) een Supply Agreement en een Distribution Agreement gesloten. [E] is met de belanghebbende en met [D] ‘verbonden’ zoals bedoeld in art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969): alle aandelen [E] zijn in handen van het [A] concern. De supply- en distribution agreements bepalen dat [E] het surplus afneemt voor cost plus 5%. Op die basis factureert [D] maandelijks 39% van haar productie tegen cost plus 5% aan [E] en maakt zij de rest van de winst op de surplusproductie over aan [E] . Behoudens eerdere opzegging loopt de Supply Agreement vijf jaar en behoudens tegenbericht wordt zij steeds stilzwijgend verlengd met een jaar. Na afloop van de eerste vijf jaar is de looptijd minstens éénmaal stilzwijgend verlengd.
1.11 Volgens de Inspecteur impliceert een verrekenprijs van cost plus 5% in combinatie met de facturering van [D] aan [E] op basis van de distribution service agreement een maandelijkse onzakelijke winstverschuiving van [D] naar [E] . Hij heeft daarom het aangegeven belastbare bedrag 2012 met € 42.843.146 opwaarts gecorrigeerd en voor 2013 met € 15.457.904.
1.12 De uitkomst van het verrekenprijsgeschil wordt in belangrijke mate bepaald door de bewijslastverdeling. Belanghebbendes documentatie en administratie zijn in orde, zodat in beginsel de Inspecteur aannemelijk moet maken dat niet marktconform is gehandeld, maar de belanghebbende heeft ter zake van de surplusproductie schijn tegen zichzelf gewekt door opvallend afwijkend te handelen van (i) haar identieke leveranties aan [E] vóór sluiten van de agreements, (ii) haar eigen TP Master File, dat CUP voorschrijft, en (iii) haar ongewijzigde handelen ter zake van de identieke 61% productie die al bestond, en zij heeft opmerkelijke standpunten ingenomen die afwijken van ervaringsregels, zoals die dat een zeer groot internationaal beursgenoteerd concern fiscaal in control is en dat een vennootschap die door het concern zelf als fully fledged én preferred producer wordt aangemerkt, zich in ongelieerde verhoudingen niet zonder zeer goede commerciële reden contractueel laat afschepen als contract manufacturer. De feitenrechters hebben daarom van de belanghebbende verlangd: (i) een zakelijke verklaring voor de opmerkelijke afwijking in de supply agreement van de TP Master File van het concern (die CUP voorschrijft) voor een niet van de overige productie en verkoop onderscheidbare 39% van de productie van [D] en (ii) onderbouwing van de nog opmerkelijker stelling dat binnen het [A] concern al vele jaren honderden miljoenen winst verkeerd, nl. ten onrechte aan [D] zouden zijn gealloceerd.
1.13 Het Hof heeft feitelijk vastgesteld dat [D] haar surplusproductiewinst minus 5% van cost naar [E] overmaakte hoewel feitelijk nog steeds hetzelfde ureum en dezelfde kunstmestproducten nog steeds onveranderd door haar werden geproduceerd en voor dezelfde marktprijzen aan dezelfde gelieerde verkooporganisaties werden verkocht zonder onderscheid tussen oorspronkelijke en surplusproductie. Na, door of in verband met de Supply Agreement zijn geen functies overgegaan van [D] naar [E] of naar andere groepsmaatschappijen. De productie- en logistieke processen zijn niet gewijzigd. [E] heeft na het aangaan van de Supply Agreement geen bepaalde functies in het productie- of logistieke proces uitgeoefend, noch heeft zij geïnvesteerd in [D] . Evenmin is het kapitaalbeslag veranderd; [D] drijft haar onderneming met precies dezelfde activa als vóór het sluiten van de Supply Agreement. Behoudens het contractuele productierisico op de surplusproductie is het risico evenmin gewijzigd: [D] loopt voor de oude 61%-productie precies dezelfde productierisico’s als vóór de Supply Agreement, en alle andere dan productierisico’s, zoals bezettingsrisico, calamiteiten, schades, grondstofkwaliteitsrisico's, machinefalen, valutarisico's, R&D-risico’s, etc. zijn ook voor de surplus-39% niet veranderd of verplaatst (Hof r.o. 4.56.18). De enige verandering ten opzichte van de situatie zonder Supply Agreement is een juridische overdracht van 39% productierisico van Nederland naar Zwitserland; een gegarandeerde afname dus. Het Hof heeft verder vastgesteld dat “ [D] binnen het [A] -concern (al jaren) de grootste en best presterende concernvennootschap (was)” en de preferred producer van het concern is, waaraan de swing producenten van het concern hun productieniveau moesten aanpassen.
1.14 Het Hof acht het niet aannemelijk dat een dergelijke fully fledged winstgevende producent van ureum en kunstmestproducten haar bestaande en bewezen overwinstcapaciteit (die door de nieuwe fabriek alleen maar beter werd) op een groot deel van haar productie zou afstaan aan een derde in de markt. De partij die dat stelt, zal een zakelijke verklaring moeten produceren voor het gegeven dat de agreements slechts 5% marge laten aan de bewezen veel winstgevender ‘best presterende’ entrepreneur die alle functies bleef vervullen die zij daarvoor ook vervulde, behalve (op papier) 39% productierisicobeheersing, en voor het gegeven dat [D] ’s zéér omvangrijke restwinst voortaan maandelijks door haar werd overgemaakt naar een gelieerde overnemer van 39% productierisico zonder betekenis voor [D] ’s oorspronkelijke 61% productie en zonder betekenis voor de kernfuncties van [D] ’s surplusproductie, -logistiek, -distributie en -administratie.
1.15 Die bewijslastverdeling lijkt mij niet onredelijk of in strijd met een goede procesorde.
1.16 ‘s Hofs oordeel houdt vervolgens, bij gebrek aan voldoende verklaring door de belanghebbende, wezenlijk in (i) dat een onderneming die onmiskenbaar de most complex entity is, niet door alleen maar een contract voor een willekeurig percentage (39%) van zijn capaciteit veranderd kan worden in een routine-margeproducent terwijl die onderneming tegelijk voor de identieke 61% overige productie fully fledged entrepreneur blijft en voor de 39% surplus feitelijk ook alles blijft zoals het was, en (ii) dat evenmin een Zwitserse concernvennootschap die niet ingevoerd is in [D] ’s productie(processen), logistiek, distributie en administratie, en die dus onmiskenbaar de least complex entity is, door alleen maar een contract voor hetzelfde willekeurige percentage (39%) kan worden veranderd in de werkelijke entrepreneur die [D] is en ook voor die 39% blijft, te minder nu dat contract onverenigbaar is met het TP Master File van het concern.
1.17 Omdat een niet-gelieerde entrepreneur zoals [D] volgens het Hof nooit akkoord zou gaan met zo’n contract en dergelijke contracten volgens hem dan ook niet bestaan tussen niet-gelieerde partijen, is verzakelijking van de voorwaarden moeilijk denkbaar: voor een niet-bestaanbare transactie kunnen geen zakelijke voorwaarden bedacht worden.
1.18 Ik acht die feitelijke oordelen niet onbegrijpelijk en daarom evenmin onbegrijpelijk ’s Hofs conclusie dat fiscaalrechtelijk uitgegaan moet worden van de situatie zonder de twee winstverschuivende agreements. Civielrechtelijk komt ’s Hofs oordeel mijns inziens neer op de vaststelling van een relatieve schijnhandeling: er zijn civielrechtelijk wel degelijk twee overeenkomsten, maar die hebben gezamenlijk een andere fiscale strekking dan de civiele schijn. De partijen bij die overeenkomsten beogen niet om [E] voor 39% van [D] ’s productie de werkelijke entrepreneur te doen zijn, noch om [D] voor 39% van haar productie slechts marge-fabrikant op bestelling te doen zijn (én tegelijkertijd voor 61% van haar identieke productie fully fledged entrepreneur te laten), maar om 39% van [D] ’s omvangrijke winst (minus 5% van cost) te verplaatsen van de Nederlandse naar de Zwitserse belastingjurisdictie. Dat oordeel, gebaseerd op de aan cassatiecontrole onttrokken uitleg van de overeenkomsten, de TP Master File en de overgelegde accountants- en juristenrapporten en op de eveneens aan cassatiecontrole onttrokken waardering van de vastgestelde feiten en van bewijsmateriaal zoals verklaringen ter zitting, lijkt mij niet onbegrijpelijk. Ik acht het aanmerkelijk begrijpelijker dan belanghebbendes opzienbarende standpunten dat (i) in de verhouding tussen [E] en [D] de laatste de least complex entity zou zijn en (ii) [D] ter zake van identieke productie die op identieke wijze aan identieke partijen verkocht wordt tegen identieke prijzen tegelijkertijd zowel fully fledged entrepreneur (61%) én contract manufacturer (39%) zou zijn, óf (iii) [D] - in flagrante strijd met het eigen TP Master File - al vele jaren – en nog steeds – honderden miljoenen euros te veel winst heeft aangegeven, waarbij onopgehelderd blijft aan wie die winst dan wél al die jaren toegerekend had moeten worden en waarom.
1.19 Het Hof heeft het door [H] opgestelde verrekenprijsrapport volstrekt onvoldoende tegenbewijs geacht omdat daarin [D] zijns inziens ten onrechte als least complex party wordt aangemerkt en noch de functionele, noch de vergelijkbaarheidsanalyse deugt, terwijl die ‘uiterst summier onderbouwde’ functionele analyse bovendien vergaand afwijkt van de analyse in de sinds jaar en dag in het concern gebruikte TP Master File zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven. Die waardering van bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter en lijkt mij geenszins onbegrijpelijk.
1.20 Daarop stuiten mijns inziens alle middelonderdelen af.
1.21 Ik geef u in overweging de cassatieberoepen van de belanghebbende ongegrond te verklaren en die van de Staatssecretaris gegrond te verklaren.
2. De feiten en de gedingen in feitelijke instanties
2.1
De belanghebbende is onderdeel van het Noorse [A] -concern ( [A] ) met als topholding [B] ( [B] ). Het concern houdt zich met name bezig met productie, verkoop en distributie van ammonia en kunstmest(producten). Het [A] Financial Report 2012 beschreef de bedrijfsactiviteiten in dat jaar als volgt:
“(...). [A] is a company that focuses on the production, distribution and sale of nitrogen chemicals. The main application is fertilizers, while industrial uses are an important and faster growing segment. [A] employs its scale, flexibility and global presence to deliver reliable supplies of mineral fertilizer and related industrial products to customers worldwide. (...)."
2.2
De belanghebbende is moedermaatschappij van een fiscale eenheid voor de Vpb met diverse dochters, waaronder de tussenholding [C] en de productie-vennootschap [D] .
De aangiften en de correcties daarop
2.3
De belanghebbende heeft op 30 april 2014 aangifte Vpb 2012 gedaan naar een belastbaar bedrag van € 29.430.045 en op 30 september 2015 aangifte Vpb 20131.naar een belastbaar bedrag ad € 58.736.000. Met dagtekening 19 november 2016 heeft de Inspecteur de aanslag Vpb 2012 opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 162.506.660. Gelijktijdig heeft hij bij beschikking belastingrente ad € 8.152.328 berekend. De Inspecteur heeft daarnaast op 14 april 2018 voor 2013 een aanslag Vpb opgelegd2.naar een belastbaar bedrag van € 99.998.529, waarbij hij gelijktijdig belastingrente ad € 3.242.833 heeft berekend. De aanslagen wijken op de volgende punten af van de aangegeven belastbare bedragen:
2012 | 2013 | |
Aangegeven belastbaar bedrag | € 29.430.045 | € 58.736.000 |
Correcties: | ||
Toerekenen rente aan v.i. Libië (objectvrijstelling) | € 14.277.000 | € 2.048.625 |
Voorziening heffingsrente | € 101.000 | |
Voorziening belastingschade | € 419.000 | |
IJzeren voorraadstelsel | € 19.050.304 | |
[G] ASA | € 13.339.000 | |
Samenhangend waarderen dollarposities | € 43.047.165 | € 23.756.000 |
Winstoverheveling naar [E] AG | € 42.843.146 | € 15.457.904 |
Vastgesteld belastbaar bedrag | € 162.506.660 | € 99.998.529 |
2.4
Belanghebbendes bezwaren tegen de aanslagen en de beschikkingen belastingrente zijn bij uitspraken van 20 juli 2017 en 26 november 2018 ongegrond verklaard. Op 11 juli 2017 had de belanghebbende voor 2012 al beroep ingesteld wegens het uitblijven van de uitspraak op bezwaar. De rechtbank heeft dat beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd door het belastbare bedrag te verminderen naar € 107.724.357 en de belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De rechtbank heeft het belastbaar bedrag voor 2012 als volgt berekend:
Aangegeven belastbaar bedrag | € 29.430.045 |
Correcties: | |
Toerekenen rente aan v.i. Libië (objectvrijstelling) | € 12.430.000 |
Voorziening heffingsrente | € 101.000 |
Voorziening belastingschade | € 419.000 |
IJzeren voorraadstelsel | € 19.050.304 |
[G] ASA | € 13.338.129 |
Samenhangend waarderen dollarposities | -/- € 9.887.268 |
Winstoverheveling naar [E] AG | € 42.843.146 |
Vastgesteld belastbaar bedrag | € 107.724.357 |
USD-vorderingen, -schulden en -valutatermijncontracten
2.5
De fiscale eenheid had ultimo 2012 (tussen haakjes 2013) de volgende vorderingen en schulden in USD:
Vorderingen | USD | Ontstaan |
Kortlopend Brazilië | 261.292.322 (2013: 461.189.578) | 2011 en volgende |
Valutatermijncontract | 200.000.000 | 21-03-2004 en volgende |
Valutatermijncontract | 225.000.000 | 01-03-2012 en volgende |
Schulden | ||
Lening I (500) | 500.000.000 | 21-03-2004 |
Lening I (250) | 250.000.000 | 21-03-2004 |
Lening | 479.000.000 | 29-12-2009 |
Daarnaast had zij in 2012 en 2013 een vordering op [J] SA ad USD 60.000.000 en een schuld op een valutatermijncontract tot hetzelfde bedrag. Niet in geschil is dat deze vordering en dat valutatermijncontract samenhangend gewaardeerd moeten worden.
De (resultaten op) USD-schulden, USD-vorderingen en USD-termijncontracten
2.6
De belanghebbende waardeert haar vorderingen en schulden in USD op verkrijgingsprijs of lagere bedrijfswaarde. Zij verantwoordt valutawinsten zodra zij gerealiseerd zijn en valutaverliezen zodra een vordering lager of een schuld hoger wordt gewaardeerd.
2.7
Op 21 maart 2004 heeft zij twee leningen opgenomen bij [B] . De eerste, met een looptijd tot 8 december 2014, beliep USD 500 mio. De tweede lening beliep USD 250 mio. Deze leningen worden hierna tezamen aangeduid als USD-schuld I. Ultimo 2013 was nog niets afgelost op USD-schuld I.
2.8
De belanghebbende heeft van 21 maart 2004 tot medio december 2014 temporeel steeds aansluitende valutatermijncontracten gesloten met [F] AS op basis waarvan zij recht had op levering van USD 200 mio tegen een vooraf bepaalde wisselkoers. Deze 200 mio-valutatermijncontracten liepen steeds voor zes maanden. Zij werden steeds cash afgewikkeld, waarna een nieuw valutatermijncontract werd gesloten voor hetzelfde USD-bedrag. De belanghebbende heeft haar op deze contracten gerealiseerde winsten en verliezen en het in 2012 en 2013 ongerealiseerde verlies opgenomen in haar aangiften Vpb. Ongerealiseerde winst heeft zij niet aangegeven. Op het op 26 oktober 2011 gesloten 200 mio-valutatermijncontract heeft zij € 16.189.684 winst gemaakt. Op het op 15 juni 2012 gesloten 200 mio-valutatermijncontract heeft zij daarentegen € 5.947.639 verlies geleden. Zij heeft deze gerealiseerde resultaten in haar aangifte Vpb 2012 opgenomen. Zij heeft verder een ongerealiseerd verlies van € 1.801.907 aangegeven op het op 17 december 2012 afgesloten 200 mio-valutatermijncontract.
2.9
Voor het jaar 2013 is niet feitelijk vastgesteld hoeveel winst of verlies de belanghebbende op haar valutatermijncontracten heeft gemaakt of geleden.
2.10
De Inspecteur meent dat voor 2012 de USD-schuld I en de 200 mio-valutatermijncontracten samenhangend moeten worden gewaardeerd en heeft op die basis het aangegeven belastbare bedrag verhoogd met € 13.339.000. De correctie als gevolg van de samenhangende waardering voor 2013 bedraagt € 23.756.000.3.
2.11
Op 29 december 2009 heeft belanghebbendes gevoegde dochter [C] USD 479.000.000 geleend van [B] om een belang in [K] SAQ te kopen (hierna: USD-schuld II). Ultimo 2013 was ook op USD-schuld II nog niets afgelost.
2.12
De belanghebbende heeft tussen 1 maart 2012 en medio december 2014 temporeel aansluitende valutatermijncontracten gesloten met [F] AS, steeds voor drie tot zes maanden. Op basis daarvan had zij recht op levering van USD 225 mio tegen een vooraf bepaalde koers (hierna: de 225 mio-valutatermijncontracten). Ook deze contracten zijn op de in 2.8 hierboven beschreven wijze afgewikkeld en ook de resultaten op deze contracten zijn in de aangifte Vpb 2012 opgenomen op de wijze zoals beschreven in 2.8. hierboven.
2.13
De belanghebbende had vanaf najaar 2011 een groot aantal kortlopende vorderingen op een Braziliaanse deelneming die daarmee inkopen voor Braziliaanse (productie)activiteiten financierde. Deze Braziliaanse vorderingen liepen in omvang uiteen van USD 20.000 tot USD 20 mio. Zij liepen telkens één of enkele maanden. Ultimo 2012 en 2013 beliep het totale bedrag van deze vorderingen USD 261.292.322 respectievelijk USD 461.189.578. De Inspecteur meent voor beide boekjaren dat de USD-schuld I, de USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen samenhangend moeten worden gewaardeerd en heeft op die basis het aangegeven belastbare bedrag voor 2012 verhoogd met € 56.386.1654.en voor 2013 met € 23.756.000.
2.14
Het [A] Financial Report 2012 vermeldt over de beheersing van financiële risico’s onder meer het volgende:
“(…) 2.26. Financial risks
Due to its global operation [A] is exposed to various financial risks. [A] has in place, and is constantly developing, comprehensive policies, procedures and tools to manage these risks. In some cases [A] may utilize derivative instruments, such as forwards, options and swaps, to reduce these risk exposures. (…)”
De transfer pricing tussen [D] en [E] : cost plus 5%
2.15
[D] produceert grootschalig ammonia, ureum en kunstmestproducten. Net zoals de andere productievennootschappen van het concern verkoopt zij haar producten aan gelieerde verkooporganisaties. Aan die verkopen ligt een [...] Master Distribution Agreement (de Master Agreement) ten grondslag. De beprijzing en overige intercompany voorwaarden worden gebaseerd op de [...] transfer pricing master file (de TP Master File), dat in samenhang bezien moet worden met country specific files. De TP Master File en de country specific files bepalen dat fully fledged producenten zoals [D] beloond worden op basis van de comparable uncontrolled price method (de CUP-methode).
2.16
De aangifte Vpb 2012 is gebaseerd op de uit de TP Master File volgende verrekenprijzen, maar in de bezwaarfase heeft de belanghebbende nader het standpunt ingenomen dat toepassing van de verrekenprijzen die volgen uit de TP Master File leiden tot een onzakelijke hoge winst voor [D] . De belanghebbende baseert zich daarbij op een door [L] voor [A] opgesteld rapport (het [L] -rapport) dat een “European Manufacturing of Fertilisers – Analysis of Comparable Data 2010 – 2012” omvat, alsmede een “European Distribution of Fertilisers – Analysis of Comparable Data 2010 – 2012”. Het [L] -rapport is op 26 februari 2014 aan [A] toegestuurd met een begeleidend memo dat onder meer het volgende vermeldt:
‘(…). Comparability Analysis Manufacturing
(…). The following table provides a summary of the benchmarking results of unadjusted operating margin for companies comparable to [A] PUs [production units; PJW] for the years 2010-2012.
(…).
The benchmarking results of the unadjusted operating margin for 2012 gives an arm’s length interquartile range from 2.13% to 5.99% with a median of 4.31%. The weighted average interquartile range for years 2010-2012 is from 2.72% to 6.31% with a median of 5.07%.
The table below presents the unadjusted operating margins for [A] PUs for years 2010-2012:
(…).
The 2010-2012 weighted average operating margin of 10.9% falls above the upper quartile of 6.31% and falls slightly above the overall range from -2.41% to 10.69%. It can be seen that the unadjusted operating margins in years 2010 and 2011 fall within their respective full ranges but that the margin of 9.5% in 2012 falls slightly above its established Maximum value of 9.01%.
(…).
Two of the PUs reported an operating margin during 2010 - 2012 above the full range:
• [D]
(…).
(…).
According to group management, the transfer pricing methodology is applied consistently throughout the [A-system] , and all PUs are subject to similar terms and conditions in their intercompany transactions. Therefore, differences in operating margin may, according to management, be attributed to a specific plant’s productivity and efficiency or other plant specific factors unrelated to transfer prices. Generally, the PUs operating margin is driven by the risks they assume and each plant’s ability to consistently deliver as a low cost producer. As reflected in the above table, and based on comments from group management, the operating margins realized by the PUs may vary from plant-to-plant and year-to-year due to, among other factors, materialization of market risks assumed by the PUs, market conditions in the regions where they sell, the plant’s product mix, and the fact that production problems and maintenance and/or inspection shut-downs do not occur in all plants at the same time.
The above comparability analysis shows that the transfer pricing methodology applied generally leaves the PUs with an arm’s length, or better than arm’s length, operating margin.
(…).
Conclusion
(…).
The results of the study show that [A] PUs’ weighted average operating margin of 10.9% for 2010-2012 falls above the benchmarked upper quartile of 6.31% and falls slightly above the overall range from -2 41% fn 10.69% The operating margins in years 2010 and 2011 fall within their respective full ranges but that the margin of 9.5% in 2012 falls slightly above its established Maximum value of 9.01%.
(…).
The fact that all but one [A] PUs , and all of the SUs, operating margins fell within or above their respective interquartile range indicates that prices were at arm’s length.’
2.17
In 2008 heeft [D] besloten tot investering van € 400 mio in een fabriek die ammonia omzet in ureum en kunstmestproducten. Zij heeft die investering met interne leningen gefinancierd. De bouw van de fabriek houdt verband met een op 4 december 2007 tussen [A] en de Nederlandse overheid gesloten convenant.5.De fabriek is begin september 2011 in gebruik genomen en stelt [D] in staat om meer ureum en kunstmestproducten te produceren dan voorheen. Dat surplus beloopt 39% van de totale productie van [D] . Het bestaat uit dezelfde producten als de oorspronkelijke productie en wordt op dezelfde wijze verkocht en gedistribueerd.
2.18
Op 14 september 2011, na de ingebruikneming van de nieuwe fabriek, hebben [D] en [E] Ltd ( [E] ) een Supply Agreement gesloten. [E] is met de belanghebbende en [D] ‘verbonden’ zoals bedoeld in art. 8 Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb 1969): alle aandelen [E] zijn in handen van het [A] concern. De Supply Agreement houdt in dat [E] het surplus afneemt tegen een verrekenprijs van cost plus 5%. Op die basis factureert [D] maandelijks 39% van haar productie tegen cost plus 5% aan [E] en maakt zij het meerdere van haar opbrengst verkoop op het surplus – wellicht na verrekening - over aan [E] . Behoudens eerdere opzegging loopt de Supply Agreement vijf jaar; behoudens tegenbericht wordt zij steeds stilzwijgend verlengd met een jaar. Na afloop van de eerste vijfjaarsperiode is de looptijd minstens éénmaal stilzwijgend verlengd.
2.19
De Supply Agreement tussen [D] en [E] bepaalt onder meer het volgende:
“PREAMBLE
WHEREAS:
(A) [D] operates production facilities for the production of certain chemical substances called urea solution as well as end products on the basis of urea solution (“Products");
(B) In order to continue the local permits required for operating its production facilities, [D] has been forced to take certain measures to reduce the transportation overseas of excess ammonia (NH3). NH3 serves as raw material for the production of urea solution. One of the measures aimed at reducing the excess-volume of NH3 has been to increase the capacity for upgrading NH3 into urea solution. In Q3 of 2011, the production capacity for urea solution will be increased to 1,225 kton per year. This corresponds with an increase of 482 kton compared to the old capacity as based on the actual production of 2010;
(C) [D] wishes to operate the additional production capacity for urea solution, e.g. 39% of the total production capacity after the increase, to manufacture Products on a risk-free basis;
(D) [E] operates a trading business. This trading business includes the Products, as well as NH3 (ammonia);
(E) [E] wishes to secure the supply of Products;
(F) [D] and [E] therefore desire to enter into an agreement pursuant to which [D] will supply a certain volume of Products to [E] .
(…)
2. SUPPLY OF PRODUCTS
2.1
Subject to the terms and conditions set forth in this Agreement, [D] agrees to sell and supply the Products to [E] meeting the Product Specifications, which sale and supply of Products [E] agrees to accept.
2.2
[E] commits to pay to [D] the agreed Product Price for the supply of the Products.
3. MANUFACTURE OF PRODUCTS
3.1
The Parties will from time to time agree on the Product Specifications. Any changes in the Product Specifications will have to be approved before the actual implementation thereof.
3.2
[D] undertakes to manufacture the Products in its own facilities, as far as the Parties do not agree differently in writing for particular cases.
3.3
Upon reasonable notice and during [D] ’s regular hours of business, [E] (or its representatives) shall have the right to:
a) inspect work in progress to determine the adequacy of production methods and equipment employed by [D] ; and
b) conduct on spot inspections of the Products to verify that the Products have been manufactured in accordance with good manufacturing practices and the Product Specifications. All representatives of [E] conducting such inspections shall comply with all applicable safety and security rules of [D] .
3.4
All Products will be tested and released by or on behalf of [D] in accordance with procedures established by the Parties to this Agreement from time to time.
3.5
Any complaints in respect of the quality of a Product and/or the nonconformity of a Product to the Product Specifications, will be lodged to [D] no later than forty (40) working days, after delivery of the relevant Products. If [E] has not given written notice within forty (40) days, the Products are considered to be accepted, unless such failure could not reasonably have been detected by visual inspection upon receipt of the Products.
3.6
In case of any dispute regarding the quality of a Product and/or conformity to the Product Specifications, the Parties agree to have the Product tested by an independent first class laboratory, to be appointed in mutual consultation, the findings of which shall be treated as conclusive and the cost incidental to the analyses carried out by said laboratory shall be borne by the Party found to be in error.
3.7
In the event that Products do not meet the appropriate quality and/or the Product Specifications, [D] will offer adequate compensation to [E] .
3.8
Title and risk of loss to all Products shall pass from [D] to [E] upon issuance of the invoice for those Products by [D] to [E] .
3.9
[D] shall source all raw materials and other materials necessary to manufacture the Products.
4. SUPPLY VOLUME/DELIVERY
4.1
Parties agree that for each month during the term of this Agreement the volume of Products to be supplied by [D] to [E] will be equal to 39% of the actual volume produced by [D] , which percentage corresponds to the increase in production capacity for urea solution realised by [D] prior to the conclusion of this Agreement.
4.2
In principle, the supply volume agreed in Article 4.1 will apply to each of the Products specified in Schedule 1. Parties may however agree for a certain period to vary the supply volumes per individual Product, provided that the aggregate volume of Products supplied to [E] remains equal to 39% of the actual volume of Products produced.
4.3
Before the commencement of each calendar year, [D] shall deliver to [E] the Production Budget, setting forth the estimated production volume for that particular calendar year, to be approved by [E] in accordance with Article 5.1. If the actual production volume will deviate more than 20% from the estimated production volume, hence also causing deviation of the actual supply volume to [E] from the estimated supply volume with more than 20%, [E] and [D] may in all reasonableness agree that such excess deviation results in an adjustment of the supply rate as specified in Article 4.1.
4.4
[D] shall use its best efforts to supply all Products in accordance with the volumes determined in accordance with Articles 4.1 through 4.3 and will maintain an appropriate level of raw materials and other materials required to manufacture the Products.
4.5
[D] is responsible for adequate storage of the Products. [D] represents that it has all necessary permits in relation to the storage according to this Agreement. [D] may propose a local service provider for the storage and logistics of the Products.
5. REMUNERATION
5.1
The Product Price shall be calculated as set forth in Schedule 2 to this Agreement and shall be invoiced to [E] on a monthly basis.
(…)
6. WARRANTIES AND LIABILITIES
6.1
[D] represents that the Products have been manufactured in accordance with good manufacturing practices and the Product Specifications.
6.2
[D] is responsible for the adherence to all applicable laws and regulations, in particular also to environmental protection laws, in the course of the manufacture of the Products.
6.3
[D] 's liability shall be expressly limited to its remuneration hereunder for the quantity of Products in respect of which any claim is made. Furthermore, [D] shall only be liable for special, incidental, indirect or consequential damages (including but not limited to loss of profits, revenues, etc) incurred by [E] or any third party, to the extent such damage is covered by its insurance.
6.4
Prior to each year, [D] will duly inform [E] about the scope of its insurance coverage. (…)“
2.20
[D] , [E] en gelieerde verkooporganisaties die worden aangeduid als ‘Distributor’ hebben op dezelfde dag (14 september 2011) een distribution service agreement gesloten. Die agreement bepaalt onder meer het volgende:
“WHEREAS:
(a) In connection with the increase of the production capacity of [D] , [E] and [D] have concluded a Supply Agreement (Schedule 1), pursuant to which [D] , as manufacturer, supplies a certain volume of products (the "Products, as defined in that Supply Agreement) to [E] ;
(b) [D] and Distributor are parties to the Master Agreement (Schedule 2; the “Distribution Agreement”)), pursuant to which [D] has assigned certain distribution rights to Distributor:
(c) [E] wishes the Products to be distributed by Distributor, under similar conditions as applicable between [D] and the Distributor under the Distribution Agreement;
(d) Distributor wishes to distribute the Products under similar conditions as applicable under the Distribution Agreement;
(e) Parties acknowledge that the most efficient way to process distribution of the Products by Distributor would be to include the Products in the scope of the Distribution Agreement;
(f) For efficiency purposes, Parties wish to Include the Products in the Distribution Agreement, provided that each Party will bear Its own risk and its own costs;
(g) [E] is willing to pay a fee to [D] for the handling services thus rendered.
NOW, THEREFORE. PARTIES AGREE AS FOLLOWS:
1. DISTRIBUTION OF THE PRODUCTS
The Products, as defined in the Supply Agreement included in Schedule 1 to this Agreement, will be included in the scope of the Distribution Agreement included as Schedule 2 to this Agreement.
2. DELIVERY
In connection with inclusion of the Products in the scope of the Distribution Agreement, [D] will deliver the full volume of products, i.e. including the Products, to Distributor. [E] consents with this direct delivery.
3. PAYMENT BY DISTRIBUTOR
Distributor will make a direct payment to [D] for the full volume of products delivered under the Distribution Agreement, i.e. including the Products. The payment terms for the full volume will be as defined in the Distribution Agreement.
4. PAYMENT BY [D]
will make monthly payments to [E] of the full amounts received from Distributor in connection with delivery of the Products to Distributor.
5. INDEMNITY
[E] fully indemnifies [D] against all liabilities and damages arising under the Distribution Agreement, to the extent such liabilities and damages relate to the Products.
6. SERVICE FEE
[E] commits to pay a service fee to [D] as remuneration for the services rendered by processing distribution of the Products through the Distribution Agreement. This service fee shall be calculated as set forth in Schedule 3 to this Agreement.
The service fee will have to be paid within seven (7) days from the Invoice date. In principle, [D] will issue monthly invoices. (…)”
2.21
Het in artikel 6 van de Distribution Agreement genoemde schedule 3 bepaalt onder meer:
“Service Fee
The service fee for product handling as referred to in Article 6 will be calculated as follows:
Planned costs per month according to cost center report Loading Department HASSD5600 x (actual volume/planned volume) x 1.05 (i.e. application of a 5% mark-up). Each year for the month of December this calculation will be adjusted for the difference between planned and actual costs incurred/ volumes loaded. (…).”
2.22
Volgens de Inspecteur leidt deze verrekenprijs (cost plus 5%) voor de surplus-productie (de 39% die de nieuwe fabriek produceert) in combinatie met de facturering tussen [D] en [E] op basis van de distribution service agreement effectief tot een maandelijkse onzakelijke winstverschuiving van [D] naar [E] . Hij heeft daarom het aangegeven belastbare bedrag voor 2012 met € 42.843.146 verhoogd en voor 2013 met € 15.457.904.
2.23
[H] heeft op belanghebbendes verzoek in oktober 2011 een verrekenprijsrapport opgesteld dat de in de Supply Agreement opgenomen verkoopprijs (cost plus 5%) in lijn acht met door vergelijkbare bedrijven berekende verkoopprijzen. De conclusie in het rapport luidt als volgt:
‘6.2 Results comparables search / conclusion
For the 13 comparable companies found in the comparables search, the Return on total costs was first calculated for the last 5 available years. Then the average of these 5 years was calculated for each company. Finally, the inter-quartile range of these averages was calculated. The results of these calculations, as well as the statistical analysis thereof can be found below. For a more detailed overview, we refer to Appendix C.
The Lower Quartile of the results from the tested parties is determined at 2.6% (i.e. 25% of the tested parties had an average Return on total costs below 2.6%). The Upper Quartile of the results is determined at 8.3% (i.e. 75% of the tested parties had an average Return on total costs below 8.3%). The 5 year median value is determined at 5.0%. The median value is the value upon which 50% of the comparable companies use this value or a lower value. For making a comparison, the median value is more appropriate than the average value. Thus, from this analysis it can be concluded that a Return on total costs of 5.0% is in line with the margin made by comparable companies.
The abovementioned results are summarized in the table below.
Results comparable search | |
Lower Quartile | 2,6% |
Median | 5,0% |
Upper Quartile | 8,3%” |
3. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant (2012)6.
3.1
De Rechtbank heeft het geschil in beroep als volgt omschreven:
“3.1. Tussen partijen is in geschil of:
1. de inspecteur de objectvrijstelling, in verband met toerekening van rente aan [L], terecht en tot het juiste bedrag heeft gecorrigeerd;
2. de inspecteur het in de aangifte opgevoerde verlies op de valutatermijncontracten, van € 13.339.000, terecht niet in aftrek van de winst heeft toegelaten;
3. de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een correctie heeft aangebracht in verband met samenhangende waardering van vorderingen en schulden in USD;
4. de inspecteur terecht en tot het juiste bedrag een correctie heeft aangebracht in verband met overheveling van winst naar Switzerland;
5. de belastbare winst met € 203.167.984 dient te worden verlaagd omdat [D] onzakelijk hoge winsten heeft geboekt op transacties met groepsmaatschappijen.”
3.2
In cassatie zijn alleen de vragen (3) en (4) nog in geschil.
Ad (3) – samenhangende waardering USD-vorderingen en -schulden
3.3
De Rechtbank leidt uit het Cacaobonenarrest (zie 8.5 hieronder; PJW) af dat de enkele omstandigheid dat vorderingen en schulden beide in USD luiden, nog niet meebrengt dat zij in samenhang moeten worden gewaardeerd. Volgens haar is samenhangende waardering slechts aangewezen voor zover beoogd is een risico af te dekken. In andere gevallen bestaat te weinig verband tussen de activa en passiva in dezelfde valuta. De enkele toevallige omstandigheid dat positieve en negatieve risico’s elkaar opheffen is daarvoor onvoldoende. De Rechtbank meent daarom dat per positie beoordeeld moet worden of beoogd is om risico’s af te dekken en er ook verder voldaan is aan de criteria voor samenhang.
3.4
De valutatermijncontracten (200 mio) moeten volgens de Rechtbank vanaf het afsluiten van het eerste van die contracten (21 maart 2004) in samenhang worden gewaardeerd met USD-schuld I, nu het eerste valutatermijncontract is afgesloten op dezelfde datum als die waarop USD-schuld I is ontstaan en dat het debiteurenrisico op de valutatermijncontracten gering is omdat zij worden afgesloten bij [F] AS. Daaruit leidt de Rechtbank af dat de belanghebbende met de termijncontracten beoogde koersrisico’s af te dekken. Nu zowel de schulden als de vorderingen in USD luiden, gaat het om een zeer effectieve hedge.
3.5
De kortlopende vorderingen op de Braziliaanse deelneming daarentegen (261 mio), hoefden volgens de Rechtbank niet te worden gewaardeerd tezamen met de USD-schulden I en II. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat de belanghebbende met het aangaan van die schulden beoogde de risico’s op die vorderingen af te dekken en evenmin, andersom, dat zij met die vorderingen beoogde het risico op de schulden af te dekken. Daarbij heeft de Rechtbank in aanmerking genomen dat de vorderingen kort lopen en elkaar niet opvolgen, maar los van elkaar staan, en dat het risico op de vorderingen – dat samenhangt met de Braziliaans (productie)activiteiten - een heel ander risico is dan het risico op USD-schuld I en USD-schuld II.
3.6
De Rechtbank vermeldt echter niet om welke andere risico’s het gaat.
Ad (4) – Winstoverheveling naar [E]
3.7
De Rechtbank heeft de bewijslast ter zake van het verrekenprijsgeschilpunt als volgt verdeeld:
“4.3.1. De inspecteur heeft - onweersproken - aangevoerd dat [D] in eerdere jaren producten aan Switzerland verkocht tegen prijzen op basis van de TP Master File en dat [D] ook in het onderhavige jaar haar producten aan andere gelieerde verkooporganisaties verkocht tegen prijzen op basis van de TP Master File. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het dan op de weg van belanghebbende om aannemelijk te maken dat er een zakelijke reden is om het surplus aan Switzerland te verkopen tegen prijzen die afwijken van prijzen op basis van de TP Master File. Belanghebbende was immers zelf lange tijd van mening dat de prijzen op basis van de TP Master File zakelijk waren en is dat - in de verhouding tot andere gelieerde verkooporganisaties nog steeds. De rechtbank merkt daarbij op dat het productieproces, het logistieke proces, de administratieve handelingen, en de productiekosten met betrekking tot het surplus van 39% niet afwijken van die van de overige 61% van de productie. Als dan voor dat deel toch een andere (verreken)prijs wordt berekend dan vraagt dat om een verklaring.”
3.8
De belanghebbende stelde dat de investering in de nieuwe fabriek het gevolg is van overheidsingrijpen omdat de Nederlandse overheid het transport van ammonia over zee wilde beperken en dat de omzetting, in de nieuwe fabriek, van ammonia in ureum en kunstmestproducten, [D] in staat stelt om aan de voorwaarden van een convenant te voldoen tot vermindering van transport van ammonia. Ook stelde zij dat [E] gecompenseerd moest worden voor de gevolgen van verminderde levering van ammonia. De Rechtbank zag in die omstandigheden echter geen grond om aan te nemen dat de prijzen in de Supply Agreement – die afwijken van de TP Master File – op zakelijke grondslag berust. De enkele wijziging van productievolumes van ammonia, ureum en kunstmestproducten verklaart volgens de Rechtbank niet waarom het surplus tegen een andere prijs moet worden verkocht dan voorheen, gegeven de TP Master File. Belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom [E] gecompenseerd moest worden en waarom dat zakelijk zou zijn.
3.9
De Rechtbank volgde de belanghebbende evenmin in haar stelling dat [D] het commerciële risico van de toegenomen productie niet wilde dragen en de levering van het surplus wilde vrijstellen. Uit de door de belanghebbende overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat bij de beslissing om te investeren in de nieuwe fabriek werd uitgegaan van de (wens tot) overdracht van het commerciële risico van het surplus. De Rechtbank achtte het niet aannemelijk dat eerst tot investering van € 400 mio wordt overgegaan en dat pas na oplevering wordt nagedacht over spreiding van de daaraan verbonden risico’s.
3.10
Belanghebbende heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat [E] een reëel commercieel risico van de toegenomen productie heeft overgenomen. De rechtbank achtte daarbij doorslaggevend dat [E] niets met de productie of de financiering van het surplus te maken heeft en dus geen enkele invloed kan uitoefenen op de kosten van de productie. Volgens de Rechtbank zou een zakelijk handelende belastingplichtige niet een deel van zijn identieke productie tegen een aanmerkelijk lagere prijs op de markt verkopen dan de rest van zijn productie.
3.11
Een rapport van [H] , waarin werd geconcludeerd dat een prijs gelijk aan de kostprijs met een opslag van 5% de meest aangewezen beloningssystematiek is, overtuigde de Rechtbank niet. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur achtte de Rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de tussen [D] en [E] voor het surplus overeengekomen verrekenprijzen zakelijk zijn, mede gegeven dat de Inspecteur gemotiveerd heeft verdedigd dat [D] niet of onvoldoende vergelijkbaar is met de in het rapport vergeleken productiebedrijven. De belanghebbende heeft onvoldoende gegevens aangedragen om te kunnen concluderen dat de opgevoerde vergelijkingsbedrijven met [D] vergelijkbaar zijn.
3.12
Gelet op het voorgaande achtte de Rechtbank de correctie in verband met overheveling van winst naar [E] van in totaal € 42.843.146 terecht.
4.De Rechtbank Zeeland-West-Brabant (2013)7.
4.1
Ook ter zake van 2013 is in geschil of de Inspecteur (i) terecht en tot het juiste bedrag een correctie heeft aangebracht in verband met samenhangede waardering van vorderingen en schulden in USD en (ii) terecht een correctie heeft aangebracht in verband met de tussen [D] en [E] gesloten Supply Agreement.
4.2
Voor het antwoord op de eerste vraag verwijst de Rechtbank naar het oordeel van het Hof ’s-Hertogenbosch van 13 april 2022 over belastingjaar 2012 (zie onderdeel 5 hieronder). De valutatermijncontracten USD 200 mio moeten dus samenhangend worden gewaardeerd met USD-schuld I en de valutatermijncontracten USD 225 mio moeten samenhangend gewaardeerd worden met USD-schuld I en USD-schuld II op basis van de spotkoers. In dat geval is niet in geschil dat de correctie € 9.516.413 bedraagt.
4.3
Bij de beantwoording van vraag (ii) heeft de Rechtbank overwogen dat als is voldaan aan de documentatieverplichting, de bewijslast voor een dergelijke correctie in het algemeen op de Inspecteur rust. In casu is aan die documentatieverplichting voldaan, maar doet zich de bijzondere situatie voor dat de belanghebbende de surplusproductie verkoopt onder voorwaarden die substantieel afwijken van de voorwaarden die volgens de TP Master File en dienovereenkomstig gehanteerde gedragslijn gelden voor de reguliere productstroom. In die bijzondere situatie is het volgens de Rechtbank aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat die afwijking gerechtvaardigd is. Daarbij nam de Rechtbank in aanmerking dat:8.
“- aan de TP Master File een uitgebreide documentatie ten grondslag ligt die jaarlijks wordt geactualiseerd;
- de TP Master File binnen het [A] -concern jarenlang heeft gediend als basis voor de verkoop van producten door de producerende entiteiten aan de verkooporganisaties;
- de leiding van het [A] -concern en [L] , de accountant van het [A] -concern, al die jaren van mening waren dat de TP Master File leidde tot zakelijke prijzen bij de verkoop van producten door de producerende entiteiten aan de verkooporganisaties;
- de prijzen van alle overige producten die door [D] worden verkocht aan de verkooporganisaties - inclusief de overige 61 percent van het in [M] geproduceerde ureum en kunstmestproducten - wel op basis van de gangbare voorwaarden van de TP Master File worden bepaald, die als uitgangspunt voor de te hanteren verrekenprijzen binnen het [A] -concern geldt.”
4.4
De belanghebbende heeft volgens de Rechtbank niet voldaan aan de aldus op haar rustende bewijslast. De Rechtbank heeft aangesloten bij de overwegingen 4.46 e.v. van de genoemde uitspraak van het Hof ’s-Hertogenbosch over 2012 (zie onderdeel 5 hieronder). De verduidelijkingen ten opzichte van de procedure over 2012 die de belanghebbende in haar 10-dagen-stuk naar voren heeft gebracht, bevatten volgens de Rechtbank geen wezenlijk nieuwe of aanvullende argumenten die tot een ander oordeel leiden. Gelet daarop heeft de Rechtbank ook de correctie 2013 wegens winstverschuiving ad € 15.457.904 terecht geacht.
5. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch9. (2012; voor 2013 gaat het om sprongcassatie)
5.1
Het Hof heeft het geschil in hoger beroep als volgt omschreven:
“3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:
1. Heeft de rechtbank het in de aangifte onder de post objectvrijstelling [de winst van de Libische v.i.; PJW] aangegeven bedrag terecht gecorrigeerd met € 12.430.000?
2. Heeft de rechtbank de correctie in verband met samenhangende waardering van vorderingen en schulden in USD terecht vastgesteld op € 13.338.129 en - € 9.887.267 derhalve in totaal op € 3.450.862?
3. Is de winst van [D] en daarmee van belanghebbende (bewust) te hoog vastgesteld?
4. Heeft de inspecteur terecht een correctie aangebracht van € 42.843.146 in verband met de tussen [D] en [E] gesloten Supply Agreement?”
5.2
In cassatie zijn alleen de vragen (2) en (4) nog in geschil, maar omdat de belanghebbende ter zake van vraag (4) ook verwijst naar hetgeen zij in hoger beroep heeft aangevoerd ad vraag (3), geef ik ook ’s Hofs oordeel daarover kort weer.
5.3
Het Hof heeft het verrekenprijsgeschil (vraag (4)) als volgt gespecificeerd (r.o. 4.49):
“De kern van het geschil betreft de vraag of gegeven de feiten en omstandigheden 39% van de
productiecapaciteit van [D] (het surplus) voor rekening en risico van [E] kan worden geëxploiteerd en [D] in die opzet als contract manufacturer kan optreden voor [E] tegen een cost plus 5%. zoals betoogd door belanghebbende. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat ook de exploitatie van het surplus van 39%. naast de overige 61% van de productie, volledig toekomt aan belanghebbende, overeenkomstig de eigen, sinds jaar en dag gehanteerde verrekenprijsdocumentatie en dat het contractueel overdragen van een deel van het productrisico (het deel over het surplus van 39%) in strijd is met de historische, economische en actuele werkelijkheid.”
In r.o. 4.55.3 heeft hij het verrekenprijsgeschil opnieuw omschreven, nu meer in termen van een eventueel contrast tussen de economische en de juridische werkelijkheid c.q. eventuele fiscaalrechtelijke kwalificatie van de feiten in afwijking van hetgeen civielrechtelijk overeengekomen is of lijkt:
“4.55.3. In hoeverre hetgeen contractueel is vastgelegd een weerspiegeling vormt van de economische werkelijkheid is in wezen de inzet van het onderhavige geschil. De vraag of de inspecteur al dan niet terecht is voorbijgegaan aan de Supply Agreement, dat wil zeggen: terecht andere fiscale gevolgen heeft verbonden aan de transactie(s) is afhankelijk van de conclusies die in het hierna volgende worden getrokken.”
Met ‘andere fiscale gevolgen’ doelt het Hof kennelijk op andere conclusies dan een fiscaalrechtelijk onbevangen civilist zou trekken uit de bepalingen van de Supply Agreement en de distribution service agreement.
Ad (2) - samenhangende waardering USD-vorderingen en -schulden
5.4
Het Hof en de Rechtbank zijn uitgegaan van de hoofdregel van goed koopmansgebruik dat activa en passiva afzonderlijk worden gewaardeerd. Voor het uitzonderingsgeval waarin zij samenhangend moeten worden gewaardeerd, rust de bewijslast ter zake van de daartoe nopende feiten en omstandigheden op de Inspecteur. Het Hof heeft het andersluidende, mede op het Kunstmest-arrest HR BNB 2019/5810.(zie 8.11 hieronder) gebaseerde standpunt van de Inspecteur verworpen. De belanghebbende heeft gekozen voor de hoofdregel en daarvoor hoeft zij volgens het Hof niet meer te stellen dan zij heeft gedaan. De Inspecteur verdedigt afwijking van die hoofdregel en het is dus aan hem om feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting te bewijzen die afwijking rechtvaardigen.
5.5
Op basis van HR BNB 2009/27111.(zie 8.5 hieronder) meent het Hof dat bij de vraag of activa en passiva samenhangend moeten worden gewaardeerd betekenis toekomt aan de aard van de contracten waaruit de vorderingen schulden voortvloeien, bezien in het licht van de gelopen risico's, en aan de de vraag of afdekking van risico's is beoogd. De enkele omstandigheid dat activa en passiva in een zelfde valuta zijn uitgedrukt, is volgens het hof onvoldoende om tot samenhang te concluderen. Als afdekking van risico’s is beoogd, is dat een belangrijk gegeven, maar de afwezigheid van dat oogmerk impliceert op zichzelf niet dat geen samenhang bestaat. Zoals de Hoge Raad heeft aangegeven (HR BNB 2008/1312.) kan de aard van de contracten relevant zijn, zoals bij geschreven callopties die worden gedekt door in bezit zijnde aandelen. Voor samenhangende waardering is in elk geval vereist dat de hedge ‘zeer effectief’ is, i.e. dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk correleren binnen een bandbreedte van 80% tot 125%. Gaat het om waardeontwikkelingen door koersmutaties in dezelfde valuta, dan is de hedge zeer effectief, maar ook dat is op zichzelf niet voldoende omdat ook betekenis toekomt aan de aard van de contracten en de bedoelingen van de belastingplichtige.
5.6
Het Hof wijst erop dat u in HR BNB 2019/58 overwoog dat de waarde van een vermogensbestanddeel afhangt van verschillende factoren. Zo hangt de waarde van een vastrentende vordering in vreemde valuta met vaste looptijd niet alleen af van de wisselkoers maar ook van het debiteurenrisico en de marktrente. Elk van die factoren kan zelfstandig het fiscale resultaat beïnvloeden en de daarmee samenhangende risico's kunnen afzonderlijk worden afgedekt, aldus het Hof. Voor de vraag of een vordering en een dekkingsinstrument samenhangend moeten worden gewaardeerd, moet volgens het Hof dan ook elk zodanig risico afzonderlijk beoordeeld worden. Uw Market maker-arrest13.heeft dat volgens het Hof niet anders gemaakt omdat die zaak het bijzondere geval van delta-hedging betrof waarbij de bedrijfsactiviteit van de belastingplichtige volledig was gericht op afdekking van de risico's op posities in derivaten en onderliggende waarden. Het Hof heeft daarom het standpunt van de Inspecteur verworpen dat alle in USD luidende activa en passiva hoe dan ook samenhangend gewaardeerd moeten worden. Het Hof heeft vervolgens beoordeeld welke activa en passiva in waarde-ontwikkeling samenhangen.
5.7
De kern van belanghebbendes activiteiten is niet het aangaan van valutatermijncontracten. Wel volgt uit het [A] Financial Report 2012 dat zij financiële instrumenten gebruikt zoals termijncontracten en swapcontracten om risico's te beheersen. Het Hof achtte het daarom aannemelijk dat zij de USD 200 mio- en USD 225 mio-valutatermijncontracten is aangegaan om valutarisico's op schulden in die valuta af te dekken. Dat geldt te meer voor de USD 200 mio-contracten omdat die zijn afgesloten op dezelfde dag als die waarop de leningen van in totaal USD 750 mio zijn afgesloten: 21 maart 2004. Partijen zijn in hoger beroep dan ook eensluidend van mening dat de USD 200 mio-valutatermijncontracten tezamen gewaardeerd moeten worden met (een deel van) USD-schuld I. Voor de 225 mio-valutatermijncontracten, waarvan het eerste op 1 maart 2012 is afgesloten acht het hof evenzeer aannemelijk dat zij dienen om valutarisico's op dollarschulden (deels) af te dekken. Uit de jurisprudentie14.volgt dat valutatermijncontractering op een later moment dan het aangaan van de lening niet aan samenhangende waardering in de weg staat omdat dat niet wegneemt dat aldus het valutarisico tijdens een deel van de looptijd van de lening wordt afgedekt. Dat de USD 200 mio- en USD 225 mio-valutatermijncontracten maar een deel van het valutarisico op de schuld(en) afdekken, staat daaraan evenmin in de weg omdat dat alleen maar betekent dat voor een deel van de schulden wel en voor een deel niet samenhangend gewaardeerd moet worden.
5.8
De kortlopende dollarvorderingen uit de activiteiten in Brazilië daarentegen staan volgens het Hof niet in zakelijk verband met USD-schuld I en USD-schuld II. Aan het bestaan van deze vorderingen en schulden ligt geen oogmerk van valutarisico-afdekking ten grondslag. Ook uit de aard van de contracten waaruit deze vorderingen en schulden zijn ontstaan, volgt geen samenhang: de Braziliaanse USD-vorderingen zijn ontstaan door productie aldaar, terwijl de USD-schuld II tot financiering van de aankoop van een deelneming diende.15.De aard van deze USD-vorderingen en USD-schulden loopt daardoor zodanig uiteen dat het Hof geen aanleiding voor samenhangende waardering ziet.
5.9
Het Hof concludeert dat samenhangende waardering alleen aan de orde is voor de valutatermijncontracten en de schulden van in totaal USD 750 mio en USD 479 mio.
5.10
De Inspecteur heeft gewezen op het verschil tussen spot- en termijnkoersrisico en betoogd dat voor zover dat laatste risico zich voordoet, daarmee rekening gehouden moet worden binnen het gekozen waarderingsstelsel, omdat dat risico niet is afgedekt. De belanghebbende heeft op de zitting bevestigd dat zij dit standpunt deelt, althans zich daar niet tegen verzet, en heeft de berekeningen van de Inspecteur op dit punt niet bestreden.
5.11
De belanghebbende stelde dat samenhangende waardering van de USD 200 mio-valutatermijncontracten en USD-schuld I meebrengt dat het op deze valutatermijncontracten verantwoorde positieve resultaat ad per saldo € 8.440.138 uit de fiscale winst moet worden geëlimineerd. De inspecteur stelde daartegenover dat dan ook rekening moet worden gehouden met in eerdere jaren afgetrokken verliezen omdat die bij samenhangende waardering niet afgetrokken hadden mogen worden en dat de boekwaarde van de tegenoverliggende schuld had moeten worden aangepast. Volgens de inspecteur is de USD-schuld I op de beginbalans dan onjuist gewaardeerd en moet dat in 2012 worden gecorrigeerd, hetgeen per saldo leidt tot de door de rechtbank vastgestelde correctie ad € 13.338.129. Het Hof meent met de Inspecteur dat bij samenhangende waardering het activum en het passivum tezamen als één geheel moeten worden gewaardeerd en dat een onjuiste waardering van dit geheel op de beginbalans op grond van de foutenleer moet worden gecorrigeerd. Voor dat geval waren de partijen het eens dat die correctie in 2012 valt.
5.12
Het Hof concludeert dat de USD 200 mio-valutatermijncontracten samen met USD-schuld I moeten worden gewaardeerd en de USD 225 mio-valutatermijncontracten samen met USD-schuld I en USD-schuld II, uitgaande van de spotkoers. Op basis daarvan heeft het Hof de (opwaartse) correctie bepaald op € 13.038.042. Daarnaast stond tussen de partijen vast dat ook de vordering [J] SA ad USD 60 mio en het valutatermijncontract ad USD 60 mio samen moeten worden gewaardeerd. Tegen het door de rechtbank op dat punt in aanmerking genomen verlies ad € 11.689.174 hebben de partijen geen grieven aangevoerd.
5.13
Volgens de inspecteur heeft de belanghebbende geen alternatief waarderingsstelsel voorgesteld, zodat het door de inspecteur voorgestane stelsel moet worden gevolgd, die primair kiest voor waardering op actuele waarde. Afgezien van de genoemde negatieve correctie ad € 11.689.174 leidt dat tot een opwaartse correctie van € 37.950.398 in verband met de ongerealiseerde winsten op de USD-schuld I. Het Hof heeft dit standpunt verworpen omdat de belanghebbende wel degelijk subsidiair heeft gekozen voor samenhangende waardering, zij het met andere gevolgen dan de Inspecteur voorstaat. Dat impliceert niet dat zij gedwongen kan worden om over te gaan naar waardering op actuele waarde.
Ad (3) – Is en wordt aan de belanghebbende ter zake van de oorspronkelijke 61% productie (veel) te veel winst toegerekend?
5.14
Het Hof was verrast door deze stelling, die overigens wel past in belanghebbendes overige betoog dat een marge van 5% op de cost van haar productie een zakelijke beloning voor haar assets used, risks assumed and functions performed zou zijn:
“4.43. Met enige verbazing heeft het hof kennisgenomen van de stelling van belanghebbende
dat belanghebbende in de jaren voorafgaande aan het boekjaar 2012, in het boekjaar 2012 en
de boekjaren daarna, stelselmatig (veel) te veel winst zou hebben aangegeven. Daarbij baart
voorts het bedrag aan te veel gerapporteerde winst - in 2012 een bedrag van meer dan
€ 203.000.000 - opzien.”
5.15
Daarbij moet volgens het Hof bedacht worden dat het bij transfer pricing gaat om de verdeling van de concernwinst. Voor zover aan de belanghebbende te veel winst zou zijn toegerekend, is aan andere concernonderdelen tot hetzelfde bedrag te weinig toegerekend. Dat betekent dat de fiscale autoriteiten van diverse staten gedurende een reeks van jaren met onjuiste winstcijfers zouden zijn geconfronteerd. Het [A] -concern is echter een grote, internationale, beursgenoteerde onderneming waarvan mag worden aangenomen dat zij fiscaal in control is en dat ook wil zijn. Daarmee verhoudt zich niet dat ongemerkt zeer grote winstbedragen onjuist aan concernonderdelen in veel verschillende jurisdicties zouden zijn gealloceerd.
5.16
Uit het rapport van [L] (zie 2.14 hierboven) waarin onder meer de resultaten van de productievennootschappen met elkaar worden vergeleken, kan volgens het Hof niet worden afgeleid dat de winst van [D] onzakelijk te hoog is bepaald. Dat rapport kan niet, zoals de TP Master File, worden beschouwd als een verrekenprijzenrapport, maar is slechts een benchmarkrapport waarin essentiële informatie ontbreekt, zoals een vergelijkbaarheids-analyse, een functionele analyse en een onderbouwing van de gekozen verrekenprijs-methoden. Het rapport kan volgens het Hof geenszins in de plaats worden gesteld van de verrekenprijsdocumentatie die binnen het [A] -concern sinds een lange reeks van jaren wordt gebruikt, die jaarlijks wordt geactualiseerd en jaarlijks wordt getoetst door de externe accountant. Het Hof acht bovendien de ondernemingen waarmee [D] in het rapport wordt vergeleken om meer redenen niet vergelijkbaar met [D] , of onvoldoende duidelijk of zij vergelijkbaar zijn. Het Hof beantwoordt vraag ad (3) daarom ontkennend.
Ad (4); Is de winst terecht € 42.843.146 opwaarts gecorrigeerd wegens onjuiste transfer pricing?
5.17
Het Hof heeft de bewijslast ter zake van het verrekenprijsgeschilpunt als volgt verdeeld:
“4.49 (…). Alvorens inhoudelijk op het geschil in te gaan zal het hof eerst bepalen op welke partij (in eerste instantie) de bewijslast rust.
4.50.
De rechtbank heeft voor wat betreft de gehanteerde verrekenprijzen ten aanzien van het
surplus van 39% als volgt geoordeeld:
[Zie 3.7 hierboven; PJW]
4.51.
Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht en op goede gronden geoordeeld dat de bewijslast op belanghebbende rust ten aanzien van de vraag of de door belanghebbende gehanteerde verrekenprijzen met betrekking tot het surplus van 39% als at arm's length kunnen worden beschouwd. Het hof maakt de hiervoor opgenomen overwegingen dan ook tot de zijne.”
5.18
Ik ga op ’s Hofs bepaald omvattende antwoord op vraag (4) in meer detail in bij de behandeling van de vele middelonderdelen en volsta hier met ’s Hofs eigen samenvatting en conclusie:
“Samenvatting en conclusie met betrekking tot de overdracht van het productierisico
4.56.16.
Het [A] -concern beschikt sinds jaar en dag over een uitgebreide verrekenprijs-documentatie die binnen dit concern wordt gebruikt om winsten aan de verschillende concern-onderdelen te alloceren en aan de hand waarvan extern, waaronder jegens de Nederlandse Belastingdienst, verdedigd wordt dat die winstallocatie overeenkomstig de OECD Transfer Pricing Guidelines geschiedt. Door toepassing van de Supply Agreement wordt afgeweken van de verrekenprijsdocumentatie. Blijkens de verrekenprijsdocumentatie is [D] een ‘fully fledged' manufacturer, hetgeen betekent dat zij functioneel volledig is toegerust voor het hele productieproces, beschikt over alle benodigde materiële en immateriële activa en dat zij alle uit de productiefuncties voortvloeiende risico's kan beheersen en kan dragen. [D] produceert volledig op eigen kracht en geheel voor eigen rekening en risico (voornamelijk) kunstmest-producten voor de verkooporganisaties van het [A] -concern tegen marktprijzen. De risico's die [D] loopt zijn groot. Met name de grondstoffenmarkt is bijzonder volatiel. Uit de stukken van het geding blijkt dat de EBIT in de periode 2002 tot en met 2016 als gevolg van sterk wisselende grondstofprijzen en prijzen van kunstmestproducten fluctueert tussen de 3,6% voor het jaar 2009 en 30,8% voor het jaar 2002. Een ander risico betreft de investering van € 400.000.000 door [D] /belanghebbende in de [M] fabriek: deze investering is volledig met interne leningen gefinancierd. In de loop der jaren heeft [D] evenwel bewezen deze risico's goed te kunnen managen. Daarbij zijn twee factoren essentieel, te weten het productievolume en het kostenefficiënt produceren. Als gevolg van de ingebruikneming van de [M] fabriek in 2011 is het productievolume met 39% toegenomen. Deze toename van het volume draagt in hoge mate bij aan het (nog16.) kostenefficiënt(er) produceren.
4.56.17.
Het hof is van oordeel dat het produceren van kunstmestproducten ten behoeve van gelieerde verkooporganisaties door [D] tegen marktprijzen met inachtneming van de door [D] uitgeoefende functies, de door haar te lopen risico's en de door haar gebruikte activa kan worden beschouwd als 'at arm's length'. Daarvan zijn gedurende een reeks van jaren immers ook belanghebbende zelf en de inspecteur uitgegaan. De vraag is of het overdragen van een deel van het productie- en marktrisico aan [E] , te weten het surplus van 39% tegen een cost plus 5% in overeenstemming is met het ‘at arm's length'-beginsel. Het hof is van mening dat dit om hierna te vermelden redenen niet het geval is.
4.56.18.
Naar het oordeel van het hof zou het in niet-gelieerde verhoudingen ondenkbaar zijn dat [D] een belangrijk deel van het door haar te behalen rendement van de investering in de [M] fabriek, te weten het met het surplus van 39% te behalen rendement, zou overdragen aan een derde tegen een cost plus 5% vergoeding. Te meer niet omdat het een rendement betreft dat voortvloeit uit de door [D] uitgeoefende functies, te lopen risico's en gedane investeringen. Daarbij dient bedacht te worden dat na het sluiten van de Supply Agreement voor wat betreft de uitgeoefende functies en de gedane investeringen (nagenoeg) niets veranderd is. [D] is precies dezelfde functies blijven uitoefenen als daarvoor: er zijn geen functies overgegaan naar [E] , noch zijn bij [E] nieuwe functies ontstaan om invulling te geven aan de Supply Agreement. Evenmin is er iets veranderd met betrekking tot het kapitaalbeslag; [D] drijft haar onderneming met precies dezelfde activa als voor het sluiten van de Supply Agreement. Behoudens het productierisico met betrekking tot het surplus van 39% is eveneens niets veranderd aan het productierisico. [D] loopt ten aanzien van de 61%-productie precies hetzelfde productierisico als voor het afsluiten van de Supply Agreement. Alle overige risico's, zoals het bezettingsrisico, calamiteiten, schades, risico's met betrekking tot de kwaliteit van de grondstoffen, machinetalen, valutarisico's, risico's met betrekking tot research en developmentactiviteiten, etc, zijn eveneens dezelfde gebleven. In niet-gelieerde verhouding zou [D] nimmer het uit de door haar uitgeoefende functies, te lopen risico's en gedane investeringen te realiseren rendement inruilen voor een risicoloos rendement van 5%, omdat de geschiedenis heeft geleerd dat zij, gegeven de kostenefficiënte wijze waarop zij grote volumes weet te produceren, in staat is om een veel beter rendement te halen dan een risicoloos rendement van 5%. Uiteraard kunnen marktomstandigheden ertoe leiden dat gedurende een jaar een minder, zelfs negatief, rendement wordt behaald, maar [D] heeft in de voorbije jaren bewezen de markt telkens te kunnen verslaan en in goede jaren een (zeer) hoog rendement te behalen. Door het overdragen van (een deel van) het productierisico met betrekking tot het surplus van 39% tast [D] in wezen haar eigen verdienmodel aan, omdat zij in staat is haar rendement meer dan evenredig te doen stijgen naarmate de schaalgrootte/het volume toeneemt. Het hof is dan ook van oordeel dat het in strijd met het 'at arm's length'-beginsel moet worden geacht dat [D] (contractueel gezien) een deel van haar productierisico heeft overgedragen aan [E] . Er is sprake van het louter op basis van contractuele voorwaarden toerekenen van winst van [D] aan [E] zonder dat deze overeenkomst per saldo leidt tot toegevoegde waarde voor [D] . Tussen onafhankelijke derden zou een dergelijke overeenkomst niet tot stand zijn gekomen.”
5.19
Dat cost plus 5% (veel) minder zou zijn dan de te verwachten winst op de surplusproductie, viel volgens het Hof in 2011 te verwachten, gegeven de tot dan toe behaalde resultaten: In 2002 t/m 2011 was het rendement in de meeste jaren veel hoger dan cost plus 5%. In 2002 t/m 2011 bedroegen de EBIT-percentage: 2002: 19,1%, 2003: 19,6%, 2004: 30,8%, 2005: 24,7%, 2006: 12,5%, 2007: 23,6%, 2008: 28,5%, 2009: 3,6%, 2010: 23,3% en 2011: 29,1%.
5.20
Aan zijn oordeel doet volgens het Hof het verrekenprijsrapport van [H] niet af. Uit dat rapport volgt niet dat cost plus 5% een correcte verrekenprijs is, gegeven de onvergelijkbaarheid van de met [D] vergeleken bedrijven en de kunstmatige en volgens het Hof onverdedigbare scheiding in het verrekenprijsrapport tussen de surplusproductie (39%; geen risico) en de daarvan niet onderscheidbare oorspronkelijke productie (61%; wel risico). De functionele analyse in het verrekenprijsrapport (geen risico) staat volgens het Hof in schril contrast tot de functionele analyse in de transfer pricing-documentatie van het [A-concern] , die [D] beschrijft als fully fledged onderneming die allerlei risico's loopt, terwijl voor dat schrille contrast geen verklaring wordt gegeven. Ook wordt [D] volgens het hof in het verrekenprijsrapport ten onrechte aangemerkt als tested party. Anders dan kennelijk de belanghebbende, meent het Hof dat [D] c.q. de belanghebbende een complexe onderneming is met vele functies en een hoog en divers risicoprofiel.
5.21
De belanghebbende heeft volgens het Hof niet, of in veel te algemene termen, onderbouwd dat haar zaak gelijk te stellen zou zijn aan de Starbucks-17., Nike18.- en Apple19.-zaken. Het enkele feit dat zij een volgens haar betere beloning geniet dan Starbucks en dat de staatssecretaris van Financiën de APA's20.van Starbucks en Nike tegenover de Europese Commissie heeft verdedigd, betekent volgens het Hof niet dat de staatssecretaris een beleid voert inhoudende dat activiteiten als die van [D] (deels) met een cost plus kunnen worden beloond. De at arm's length beloning hangt af van de door [D] uitgeoefende functies, gelopen risico's en gebruikte activa. De belanghebbende heeft op geen enkele wijze inzichtelijk gemaakt of en zo ja, in welke mate haar situatie in die opzichten vergelijkbaar zou zijn met de Starbucks-, Nike en Apple-zaken. Het Hof verwerpt haar stelling dat de Inspecteur zou afwijken van het transfer pricing-beleid door contractuele verhoudingen te negeren, niet aan te sluiten bij de in Nederland uitgevoerde functies, gebruikte activa en gelopen risico's en de benchmarkanalyse te verwerpen; de Inspecteur sluit wel degelijk aan bij de relevante functies, gelopen risico's en gebruikte activa van [D] /belanghebbende en van [E] , maar trekt daaruit niet belanghebbendes gevolg dat [D] een routinefunctie zou vervullen. De Inspecteur concludeert tot fully fledged ondernemerschap, en die conclusie wordt door het Hof wordt onderschreven.
Annotaties
5.22
Van Horzen annoteerde in NTFR 2022/2364:
“Het derde en vierde geschilpunt betreffen transfer pricing. Bij het derde geschilpunt bepleit belanghebbende dat zij over 2012 en eerdere jaren te veel winst heeft verantwoord. Over het jaar 2012 zou het gaan om een bedrag van maar liefst € 203.000.000, hetgeen bij het hof eufemistisch tot ‘enige verbazing’ leidde, onder verwijzing naar de veronderstelling van het hof dat toch zou mogen worden verondersteld dat een concern als dat van belanghebbende fiscaal ‘in control’ zou zijn. De door belanghebbende verantwoorde winst vloeit voort uit de transfer pricing policy van het concern die ook is gedocumenteerd in de Transfer Pricing Master File. Wie dan beweert dat de transfer pricing policy niet deugt, komt mijns inziens weinig geloofwaardig over en zal van ver moeten komen om te bewijzen dat het in beroep aangevoerde TP-rapport superieur is. Het hof neemt uitgebreid de moeite om de stellingen van belanghebbende gemotiveerd te weerleggen en gaten te schieten in de door belanghebbende aangeleverde documentatie. Volgens het hof is ter zake sprake van niet meer dan een benchmark-rapport(je) waarin relevante analyses ontbreken. De stelling van belanghebbende wordt dan ook mijns inziens terecht door het hof onder de voet gelopen.
Het vierde geschilpunt ziet op een door de inspecteur aangebrachte winstcorrectie ter zake van een door belanghebbende met een buitenlandse groepsmaatschappij gesloten ‘Supply Agreement’. (…). In afwijking van haar ‘reguliere’ productie ter zake waarvan belanghebbende als ‘fully fledged manufacturer/entrepreneur’ opereert die het volledige ondernemingsrisico draagt, opereert zij ten aanzien van het surplus als contract manufacturer die door de buitenlandse groepsmaatschappij uit hoofde van de Supply Agreement op cost plus 5% basis wordt beloond. De inspecteur stelt dat belanghebbende zich dientengevolge op onzakelijke basis winst laat ontgaan. In die visie van de inspecteur had het surplus conform de transfer pricing politiek van het concern verkocht moeten worden, net als de ‘normale’ productie. Met betrekking tot dit geschilpunt heeft belanghebbende het hof kennelijk gebombardeerd met allerlei stellingnames en documenten. Het hof komt met een uitgebreide analyse ter onderbouwing van de stelling dat belanghebbende onzakelijk handelde door zich winst te laten ontgaan op grond van de gesloten overeenkomst met betrekking tot het surplus waarbij zij afweek van de gehanteerde transfer pricing policy voor de reguliere productie. Zo wordt belanghebbende verweten het eigen verdienmodel te hebben aangetast. Wat mijns inziens tegen belanghebbende pleit, is het feit dat de extra productie betrekking heeft op dezelfde producten die zij reeds produceerde. Van een nieuwe ‘greenfield’ activiteit die voorheen nog niet werd uitgeoefend en die vroeger mogelijk tot de constatering van informeel kapitaal aanleiding had kunnen geven, is geen sprake. Toch wringt er mijns inziens iets. Uit de feiten blijkt namelijk dat de bouw van de fabriek die in 2011 gereed kwam niet voortvloeide uit eigen initiatief van belanghebbende. De bouw hield verband met een door het concern waartoe belanghebbende behoorde met de Nederlandse overheid gesloten convenant in het kader van het kunnen blijven behouden van (…) vergunningen. In het kader van dat convenant was het concern verplicht er zorg voor te dragen dat overtollige ammonia zou worden omgezet in ureum. Vandaar de nieuwe fabriek met de additionele productiecapaciteit. De vraag is of en in hoeverre de directie van het buitenlandse concern waartoe belanghebbende behoort, betrokken is geweest bij de onderhandelingen met de Nederlandse overheid. Als belanghebbende in dat proces passief is geweest, laat de vraag zich stellen of het surplus wel voortvloeit uit het drijven van een onderneming door belanghebbende of dat het voordeel haar in wezen is gegund door haar concernmoeder. Hoe dat ook zij, het feit dat belanghebbende voor bijna 40% van haar productie risicovrij opereert tegen een gegarandeerde 5% cost-plusvergoeding is gunstig voor haar en de Nederlandse schatkist, mocht de oplossing van de stikstofproblematiek of een doorbraak op het gebied van de radio-tellurische katalyse tot een daling van de vraag naar kunstmest leiden.”
5.23
Hafkenscheid annoteerde in FED 2022/91:
“11. Opvallend is dat het hof in deze procedure – naast de kwantitatieve samenhang gebaseerd op de correlatieregel – ook nog uitgebreid ingaat op de kwalitatieve samenhang, namelijk de vraag naar het oogmerk van afdekking en de aard van de contracten. Met Lubbers21.ben ik van mening dat (…) het samenhangvereiste (dus de kwalitatieve toets) na het marketmaker-arrest naar de achtergrond is verdwenen. Met name voor het oordeel van het hof dat de vorderingen en schulden betreffende land 3 niet samenhangend behoeven te worden gewaardeerd is dat van belang. Het hof meent op zuiver kwalitatieve gronden dat voor die leningen geen samenhangende waardering is vereist, terwijl ik zeker niet uitsluit dat aan de correlatieregel is voldaan. Uit niets blijkt dat het hof de correlatieregel (kwantitatief) heeft toegepast, laat staan dat we een oordeel kunnen vormen over de mate van correlatie tussen de waardeveranderingen van de verschillende instrumenten.
12. (…) vaak dekt een dekkingsinstrument slechts één van de vele risico’s van het onderliggende instrument af, bijvoorbeeld valutarisico, maar niet de overige risico’s, zoals kredietrisico, renterisico, liquiditeitsrisico, etc.,22.zodat een waardeverandering van het onderliggende instrument zich niet een-op-een vertaalt in een gespiegelde waardeverandering van het dekkings-instrument. Juist die omstandigheid maakt de correlatieregel van belang: de regel helpt bij het vaststellen in welke mate de verandering van het onderliggende instrument zich vertaalt in een tegengestelde waardeverandering van het dekkingsinstrument. Het hof erkent dat in rechts-overweging 4.24, en overweegt “(v)oor de beantwoording van de vraag of een samenhangende waardering van een vordering en een daarmee samenhangend dekkingsinstrument is vereist, zal dan ook voor elk zodanig risico een afzonderlijke beoordeling moeten plaatsvinden”. Zo geformuleerd lijkt het erop dat het hof bedoelt dat voor elk risico apart moet worden vastgesteld of voor dat betreffende risico samenhangende waardering moet plaatsvinden. Naar mijn mening is dat niet correct, maar moet juist geanalyseerd worden hoe de waardeveranderingen van het onderliggende instrument (veroorzaakt door materialisatie van alle in aanmerking te nemen risico’s) zich vertalen naar een waardeverandering van het dekkingsinstrument (eveneens veroorzaakt door materialisatie van de betreffende risico’s). Als de uitkomst van de exercitie waarin alle risico’s zijn betrokken zich beweegt binnen de bandbreedte van 80-125% is sprake van voldoende correlatie, anders niet.
13. In een kwantitatieve exercitie zou nog (…) naar voren komen (…) dat in deze zaak de looptijden van de af te dekken instrumenten verschilden van de looptijden van de dekkingsinstrumenten. De dekkingsinstrumenten werden steeds voor perioden van zes maanden aangegaan en vervolgens vernieuwd. Dan speelt de vraag of vernieuwing na balansdatum meegenomen moet worden in de toepassing van de correlatieberekening. Hoe en tegen welke voorwaarden het nieuwe dekkingsinstrument wordt aangegaan staat op balansdatum echter niet vast,23.zodat de vraag is hoe dit moet worden meegenomen bij de toepassing van de correlatieregel. Deze vraag is voor een dynamische hedgestrategie ook aan de orde gesteld door Cornelisse in zijn aantekening in FED 2014/36 onder het marketmaker-arrest, maar is tot heden onbeantwoord gebleven.
14. Concluderend (…). We weten niet of enkel nog de correlatieregel relevant is voor de vraag of samenhangend gewaardeerd moet worden. Als dat zo is heeft het hof ten onrechte op kwalitatieve gronden beoordeeld in hoeverre samenhangend moet worden gewaardeerd. Het is verder onduidelijk hoe in deze casus de correlatieregel kwantitatief is toegepast en ook hoe moet worden omgegaan met na de balansdatum aangegane hedges. We moeten afwachten wat de Hoge Raad hierover gaat beslissen.
15. Het derde grote geschilpunt (…) betreft het (…) verrekenprijsstelsel voor de (…) gefabriceerde kunstmestproducten. (…). Zo ontstond de ietwat opmerkelijke situatie dat belanghebbende deels als routinematige ondernemer zou functioneren (voor het surplus) en deels als volwaardig ondernemer (voor de originele capaciteit). Het hof stelt (…) vast dat de bedrijfsvoering voor de originele en de surplus capaciteit hetzelfde was, zodat onduidelijk bleef wat – anders dan de Supply Agreement – de grondslag was voor het verschil in prijsstelling. Mogelijk vond belanghebbende dat zelf ook wel wat opmerkelijk en wellicht bracht haar dit op het lumineuze idee te stellen dat zij de afgelopen jaren – voorafgaand aan de capaciteitsuitbreiding – ten onrechte haar winst had bepaald in overeenstemming met het verrekenprijsstelsel van het concern. Volgens belanghebbende zou zij daarom jarenlang te veel winst hebben aangegeven, oplopend tot een bedrag van bijna een € 1 miljard. Het hof kan zijn verbazing over dit standpunt – dat lijnrecht staat tegenover een concern breed gehanteerd verrekenprijsrapport dat juist concludeert dat de prijzen die belanghebbende hanteert zakelijk zijn – niet onderdrukken. Ondanks die verbazing neemt het hof nog flink de ruimte het ingenomen standpunt vakkundig af te pellen.
16. (…). De verrekenprijsstelsels van vele multinationals zijn verworden tot een soort van Houdini-verdwijntruc. De verrekenprijzen werden in die verdwijntruc bepaald met een accent op de TNMM-vergoeding voor routinematige werkzaamheden, zonder zich (verrekenprijs-technisch) te bekommeren om de vraag bij wie de overwinst nu precies terecht kwam. Die overwinst verdween feitelijk in een zwart gat van functieloze hybride entiteiten,24.terwijl de vaststelling van de TNMM-vergoeding werd geseald in een “advance pricing agreement” van de lokale belastingdienst.25.Die eenzijdige bepaling van verrekenprijzen ging dus niet uit van een stelsel van communicerende vaten, een stelsel dat het hof (theoretisch terecht) veronderstelt. (…). In mijn aantekening onder de Starbucks-zaak (FED 2020/30) heb ik al aandacht gevraagd voor het ondermijnende karakter van de medewerking die de Belastingdienst heeft gegeven aan belastingontwijkende structuren en belanghebbende doet een poging die ondermijning in haar voordeel te gebruiken door een beroep te doen op het gelijkheidsbeginsel. (…).
(…).
18. Al met al is het terecht dat het hof korte metten maakt met de standpunten van belanghebbende over de onterecht aangegeven winst en het gelijkheidsbeginsel.
19. Het volgende geschilpunt is het verrekenprijsstelsel van het surplus vanaf 2012. Het hof begint met de vaststelling dat de bewijslast van de zakelijkheid van de gehanteerde verrekenprijzen voor het surplus bij belanghebbende ligt, nu deze prijsstelling afwijkt van die van de producten uit de originele capaciteit. (…), nu de bedrijfsvoering voor het surplus en de originele capaciteit ongewijzigd is, terwijl voor een deel van de productie een andere (verreken)prijs wordt berekend (vraagt) dat om een verklaring (…). Die verklaring zoekt belanghebbende (deels) in het betoog dat zij slechts uitvoerend producent is en niet beschikt over het instrumentarium om bepaalde belangrijke functies uit te oefenen en evenmin bepaalde risico’s te managen. Dat is opmerkelijk, want hoe zou het mogelijk zijn dat belanghebbende dat instrumentarium en de functies niet zou hebben voor het surplus en blijkbaar wel voor de originele capaciteit? Belanghebbende bouwde met haar stelling voort op haar eerdere standpunt dat zij in het verleden ook al als routinematige ondernemer beschouwd moest worden. Met de verwerping door het hof van dat standpunt ontvalt tegelijk ook een pijler onder het betoog dat zij voor het surplus vanaf 2012 als routinematige ondernemer kan worden beschouwd.
20. De verdere discussie spitst zich toe op de vraag of het mogelijk en zakelijk was voor belanghebbende om, na de capaciteitsuitbreiding en de daarvoor verrichte investering van € 400 miljoen, het productierisico voor het surplus over te dragen door het aangaan van de Supply Agreement. Het hof beoordeelt die vraag niet principieel, maar toegespitst op de casus. Het gaat uitgebreid in op de vraag of deze concrete casus het nu wel of niet aantrekkelijk was voor belanghebbende een deel van de capaciteit over te dragen tegen een vergoeding gebaseerd op kosten plus 5% opslag. De oordelen van het hof daarover kan ik goed volgen26.en ik ben het ook eens met het hof dat belanghebbende onvoldoende heeft aangevoerd om aannemelijk te maken dat de beslissing productiecapaciteit over te dragen tegen een vergoeding gebaseerd op kosten plus 5% opslag, zakelijk bezien in haar belang was. (…).
21. Daarmee is (…) echter niet het hele verhaal verteld. Immers, de omstandigheid dat in deze concrete situatie overdracht tegen een vergoeding van kosten plus 5% niet zakelijk was, wil nog niet zeggen dat overdracht van productierisico’s tegen een hogere vergoeding niet zakelijk had kunnen zijn, bijvoorbeeld een vergoeding van kosten plus een hogere opslag dan 5%. Waar het immers om gaat is of de hoogte van de vergoeding die belanghebbende bedingt in zakelijke verhouding staat tot de door haar aanvaarde, respectievelijk overgedragen, risico’s. Feit is namelijk dat de risico’s van de door belanghebbende verrichte investering van € 400 miljoen verminderen als zij de productie bij voorbaat verkoopt tegen een op kosten gebaseerde vergoeding, mits de afschrijving van deze investering op correcte wijze in de kostprijs wordt verwerkt en er adequate regelingen zijn voor hoe de risico’s zijn verdeeld bij het einde van de looptijd van de Supply Agreement. In zoverre had de door belanghebbende gesloten Supply Agreement trekken van een termijncontract en de vraag is niet of een termijncontract voor belanghebbende commercieel aantrekkelijk kan zijn, maar tegen welke prijs en voorwaarden een dergelijk contract aantrekkelijk is. De conclusie dus dat de Supply Agreement tegen de (…) gehanteerde vergoeding (kosten met een opslag van 5%) mogelijk resulteerde in een verwachte uitkomst die de zakelijke belangen van belanghebbende niet diende, rechtvaardigt nog niet per se de conclusie dat de overeenkomst als zodanig onzakelijk zou zijn. Als we de lijn zouden volgen van de Hoge Raad in het onzakelijke lening-arrest27.dan dient eerst te worden gepoogd de prijs van een transactie op een ‘at arm’s length’-niveau te bepalen alvorens de transactie als zodanig als onzakelijk te kwalificeren. Pas als een prijsaanpassing de aard van de gesloten overeenkomst fundamenteel zou aantasten moet de overeenkomst als onzakelijk worden gekwalificeerd. Dit is ook in overeenstemming met de OECD Transfer Pricing Guidelines (‘TPG’), zie paragrafen 1.139-1.145. Deze lijn heeft het hof (…) niet gevolgd en ik kan me daar ook wel in vinden. De prijsstelling van een Supply Agreement die ziet op een complex productieproces is wel wat anders dan het bepalen van de rente op een lening. Het ligt niet voor de hand dat enkel wijziging van de winstopslag de situatie had verzakelijkt. In de Supply Agreement zie ik bijvoorbeeld geen regeling voor de afwikkeling van risico’s en betalingen tussen partijen bij het einde van de overeenkomst bijvoorbeeld ter zake van de kapitaalinvestering of de voorwaarden voor voortzetting, cruciale bepalingen voor het zakelijke karakter van de risicoverdeling. (…). Bij termijncontracten worden de “forward prices” bij verlenging opnieuw vastgesteld op basis van de alsdan geldende omstandigheden. Daarvan was in deze casus geen sprake. Vermoedelijk zouden nog meer voorwaarden aangepast of aangevuld moeten worden om de verhouding tussen risico en rendement te verzakelijken. Kortom, de conclusie zou al snel zijn dat belanghebbende er met een enkele prijsaanpassing niet zou zijn geweest. Ook als het hof zijn oordeel had gebaseerd op de vraag of een prijsaanpassing mogelijk zou zijn geweest zonder ook andere voorwaarden aan te passen, denk ik dat de uitkomst van de procedure niet anders zou zijn geweest.
22. Mijn gevoel is dan ook dat de Supply Agreement nogal frivool door belanghebbende is geïmplementeerd. Belanghebbende heeft zich niet bekommerd om het maken van een gedegen functionele en risicoanalyse en evenmin om een economische vergelijking van de twee varianten. Dat gevoel past (…) in het beeld van het ook nogal frivole standpunt van belanghebbende dat zij de voorgaande jaren ten onrechte bijna een miljard euro winst te veel zou hebben aangegeven. Het weinig zakelijke karakter van de beslissingen over de Supply Agreement wordt door het hof nog eens pijnlijk blootgelegd, waar hij vaststelt dat na het einde van de looptijd van de Supply Agreement de overeenkomst werd verlengd zonder ook maar een serieuze poging vast te stellen of verlenging in het belang van belanghebbende was. Nog pijnlijker is de verklaring ter zitting van de tax director van belanghebbende, die ook directeur was van E BV, de entiteit waarin de fabriek werd gedreven. Op de vraag van het hof of het, gelet op zijn functie, niet voor de hand had gelegen dat hij na verloop van de termijn van de Supply Agreement zou bepalen in hoeverre verlenging voor belanghebbende zakelijk aantrekkelijk was, verklaart hij “dat het concern niet tax-gedreven is”.28.De Fransen hebben daar een mooie uitdrukking voor: ‘qui s’excuse, s’accuse’.”
5.24
Van den Brekel annoteerde in NLF 2022/1038:
“Cost-plus 5% voor productie surplus
(…).
Voor verrekenprijszaken is de bewijslast altijd zeer belangrijk. Het Hof legt deze bij belanghebbende omdat de cost-plus 5% afwijkt van het reeds jaren gehanteerde beleid en het beleid voor de overige leveringen. Belanghebbende heeft een rapport opgesteld, maar dit verwerpt het Hof, onder andere omdat het van mening is dat het de vergelijkbaarheid van de erin opgenomen bedrijven niet kan toetsen en omdat de omzet tientallen malen lager is dan van belanghebbende. Dat laatste kan nogal wat problemen opleveren, omdat er nu eenmaal zeer weinig publieke gegevens beschikbaar zijn van ongelieerde bedrijven van grotere omvang. De vraag is of het Hof hier belanghebbende (en voor andere zaken: Inspecteurs) niet met een onmogelijke bewijslast opzadelt.
Contract als uitgangspunt
Het Hof onderkent dat hetgeen contractueel overeengekomen is, inclusief risico-allocatie, in beginsel door de Inspecteur moet worden gerespecteerd, tenzij partijen zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst bewust waren van de onzakelijkheid daarvan. Echter, het Hof meent dat als de ‘juridische werkelijkheid’ (hetgeen contractueel is overeengekomen) niet overeenkomt met de economische werkelijkheid, de Inspecteur niet gebonden is aan de contractuele voorwaarden. En dat is hier het geval, onder meer omdat het Hof het onwaarschijnlijk vindt dat belanghebbende de winst op een deel van de productie zou inwisselen voor een risicoloos rendement van 5%, ook al is zij actief in een volatiele markt. Het Hof kijkt daarvoor naar de verschillen tussen de in het verleden gerealiseerde winst en de cost-plus 5%. Ook ziet het Hof geen verschil in de functies verricht door belanghebbende voor de surplus productie en de andere productie. Door het overdragen van (een deel van) het productierisico tast belanghebbende in wezen haar eigen verdienmodel aan, omdat zij in staat is haar rendement meer dan evenredig te doen stijgen naarmate het volume toeneemt.
Karakterisering van de transactie
Het is jammer dat het Hof, net zomin als de Rechtbank, geen verwijzing opneemt naar de OESO verrekenprijsregels of het Verrekenprijsbesluit.29.De argumentatie dat er van de contractuele voorwaarden kan worden afgeweken indien die niet overeenkomen met de economische werkelijkheid lijkt te zien op de ‘karakterisering van de transactie’ zoals opgenomen in de 2017 OESO-verrekenprijsregels. Het is op de eerste plaats de vraag of deze regels van toepassing zijn op een casus uit 2012. Zo is bijvoorbeeld het Gerecht van de EU30.de mening toegedaan dat dit niet het geval is. Daarnaast kennen zowel de 2017 OESO-verrekenprijsregels als het Verrekenprijsbesluit een expliciet stappenplan voor de vraag of afgeweken kan worden van het contract. Functies van partijen en ‘control over risk’ spelen daarin een belangrijke rol, maar naar mijn mening is het geen onderdeel van het stappenplan dat de risico-allocatie aangepast kan worden als belanghebbende (naar verwachting) een beter rendement zou hebben behaald als zij de risico’s zou hebben behouden.
(…).”
6. De cassatieberoepen
6.1
Beide partijen hebben voor beide jaren 2012 en 2013 (sprong)cassatieberoep ingesteld. Beiden hebben ook voor beide jaren een verweerschrift ingediend. De Staatssecretaris heeft voor beide jaren afgezien van repliek; de belanghebbende heeft voor beide jaren haar cassatieberoepen schriftelijk doen toelichten. De Staatssecretaris heeft voor beide jaren afgezien van een reactie op die toelichtingen.
De cassatieberoepen van de belanghebbende
6.2
De belanghebbende stelt één middel van cassatie voor in 12 onderdelen (a) t/m (l). Haar sprongcassatieberoep voor 2013 komt op de bedragen na inhoudelijk overeen met haar cassatieberoep 2012:
(a) Het Hof heeft ten onrechte de bewijslast op belanghebbende gelegd bij de vraag of haar verrekenprijzen voor het productiesurplus at arm’s length zijn bepaald.
(b) Bij de beoordeling of [D] en [E] met de Supply Agreement zakelijk hebben gehandeld, is het Hof er ten onrechte van uitgegaan dat als de juridische werkelijkheid niet overeenkomt met de economische werkelijkheid, de Inspecteur niet is gebonden aan de overeengekomen voorwaarden en aan de uit de overeenkomst voortvloeiende transactie(s) andere fiscale gevolgen kan verbinden.
(c) Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op belanghebbendes stelling dat [D] en [E] zich niet bewust waren van het feit dat [E] werd bevoordeeld ten koste van [D] en dus geen bevoordelingsbedoeling bestond.
(d) Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op belanghebbendes stelling dat zij met de opstelling van transfer pricing documentatie er blijk van heeft gegeven zakelijke voorwaarden te willen hanteren, zodat zij zich niet bewust was van enige onzakelijkheid in de voorwaarden van de transactie.
(e) Onbegrijpelijk is ’s Hofs oordeel dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet zou zijn gesloten.
(f) Het Hof is ten onrechte niet ingegaan op de stelling dat, gezien de winstgevendheid van [D] als geheel, geen aanleiding bestond voor een opwaartse winstcorrectie in verband met de Supply Agreement.
(g) ’s Hofs oordeel dat voorzienbaar was dat de winst op basis van cost plus 5% (veel) lager zou uitvallen dan de op basis van de CUP te realiseren winst is onbegrijpelijk.
(h) Onbegrijpelijk is ‘s Hofs oordeel dat [D] , om te kunnen voldoen aan haar rente- en aflossingsverplichtingen, afhankelijk was van het rendement op de productie en dat daarom de Supply Agreement indruiste tegen haar zakelijke belang en in ongelieerde verhoudingen niet zou zijn gesloten.
(i) Bij de functies die [D] als producent uitoefent, noemt het Hof research and development, inkoop van grondstoffen, productie, opslag, interne verkoop en daarmee samenhangende logistiek en transport. Dat is onbegrijpelijk.
(j) Het Hof is ervan uitgegaan dat [D] een risicoloos rendement van 5% heeft behaald op de investering in de surplusproductie. Dat is feitelijk onjuist en maakt ’s Hofs oordeel onbegrijpelijk.
(k) Aan zijn oordeel dat de Supply Agreement tussen onafhankelijke derden niet tot stand zou zijn gekomen, heeft het Hof de gevolgtrekking verbonden dat belanghebbendes fiscale winst moet worden bepaald als ware die agreement niet gesloten en alsof [D] surplusproductie maandelijks aan [E] had verkocht tegen prijzen conform het binnen het [A] -concern algemeen geldende systeem van verrekenprijzen. Die gevolgtrekking is onjuist of onbegrijpelijk.
(l) Ervan uitgaande dat [D] en [E] met de Supply Agreement onzakelijk hebben gehandeld, heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbendes winst niet in het jaar van het sluiten van de Supply Agreement (2011) moet worden gecorrigeerd, maar van maand tot maand, in elke maand waarin het onzakelijk handelen zich voordoet. Ook dit oordeel gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting of is onbegrijpelijk: als er gecorrigeerd moet worden, dan in 2011.
De cassatieberoepen van de Staatssecretaris
6.3
Ook het sprongcassatieberoep 2013 van de Staatssecretaris komt op de bedragen na inhoudelijk overeen met zijn cassatieberoep 2012. De Staatssecretaris komt met één middel op tegen ’s Hofs oordeel dat de samenhangende waardering beperkt moet worden tot de valutatermijncontracten en de USD-schulden I en II, hoewel vaststaat dat het bij het valutarisico op alle USD-vorderingen en -schulden om een zeer effectieve hedge gaat: de waardeontwikkelingen van die vermogensbestanddelen door mutatie in de USD-koers hangen direct samen en deze zullen, zoals ook het Hof vaststelt, correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125%. Het USD-valutarisico is in hoge mate beperkt. Het functionele verband tussen de vorderingen en schulden (evident negatief gecorreleerde risico's) volgt uit de aard van de contracten (monetaire posten) in het licht van de aard van de risico's (hetzelfde USD-valutarisico). Die samenhang is ook beoogd, hetgeen onder meer blijkt uit de risicoanalyse op concernniveau waaruit volgt dat het risico wordt gestuurd en afgedekt. Het Hof heeft volgens de Staatssecretaris een onjuiste maatstaf gebruikt door ten onrechte ook samenhang te eisen op basis van de aard van de contracten waaruit de USD-vorderingen en -schulden zijn ontstaan en op basis van het oogmerk van de belastingplichtige. Ten onrechte eist het Hof een zakelijk (historisch of causaal) verband tussen vermogensbestanddelen die functioneel (in het licht van de aard van de risico’s) samenhangen. Daarmee acht het Hof volgens de Staatssecretaris in feite de bedoeling van de ondernemer doorslaggevend, terwijl hij de aard van de contracten had moeten bezien in het licht van de aard van de risico’s. Het Hof heeft bovendien alleen de aard van de contracten beoordeeld waaruit USD-schuld II is ontstaan en niet die van de contracten waaruit de USD-schuld I is ontstaan, zodat zijn oordeel ook onvoldoende is gemotiveerd.
6.4
Ook de Staatssecretaris meent dat het Hof de bewijslastverdeling onjuist heeft verdeeld. Hij acht ’s Hofs oordeel te algemeen geformuleerd; het gaat zijns inziens voorbij aan het belang van bewijslastverdeling naar redelijkheid. De belanghebbende beschikt bij uitstek over de benodigde kennis van haar bedrijfsvoering, met name haar risicobeheersingsstrategie, en de daartoe relevante administratieve gegevens. Zij is dan de meest gerede partij om de feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken die ondersteunen dat en in hoeverre samenhang of een zeer effectieve hedge ontbreekt c.q. dat andere verbanden bestaan die aanleiding geven tot een lagere vaststelling van de belastbare winst. Op basis van de gedingstukken acht de Staatssecretaris onbegrijpelijk ’s Hofs vaststelling dat de partijen het eens zouden zijn dat de USD 200 mio-valutatermijncontracten tezamen gewaardeerd moeten worden met (een deel van) USD-schuld I. De Inspecteur heeft immers primair gesteld dat die contracten tezamen met zowel USD-schuld I als USD-schuld II moeten worden gewaardeerd. Na het ontstaan van USD-schuld II dekken de valutatermijn-contracten ook een deel van het USD-valutakoersrisico op die schuld af. Het verband tussen samenhangende vermogensbestanddelen is volgens de Staatssecretaris dynamisch, gelet op de economische realiteit; dat doet ook recht aan het realiteitsbeginsel. Bij een in samenhang te waarderen vermogensbestanddeel beïnvloedt het afgedekte deel van het risico het fiscale resultaat niet; het niet-afgedekte deel van het risico doet dat wel.
7. De wet en (latere) beleidsregels; OESO-verrekenprijsrichtlijnen
7.1
Artikelen 8 en 8b Wet Vpb luiden, voor zover hier relevant, als volgt:
“Afdeling 2.2. Algemene artikelen inzake bepaling van de winst
Artikel 8
1. De winst wordt opgevat en bepaald op de voet van de artikelen 3.8 (…), waarbij voor ondernemer wordt gelezen belastingplichtige.
2. Het eerste lid is niet van toepassing voorzover:
a. bij of krachtens deze wet of krachtens artikel 3.65 van de Wet inkomstenbelasting 2001 anders is bepaald;
b. (…);
c. uit het verschil in wezen tussen de belastingplichtige en een natuurlijk persoon het tegendeel voortvloeit.
3. Indien een onderneming niet voor rekening van de belastingplichtige wordt gedreven, maar de belastingplichtige, anders dan als aandeelhouder, medegerechtigd is tot het vermogen van die onderneming, wordt de winst van die onderneming rechtstreeks door de belastingplichtige genoten.
(…).
Artikel 8b
1. Indien een lichaam, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of het toezicht op, dan wel in het kapitaal van een ander lichaam en tussen deze lichamen ter zake van hun onderlinge rechtsverhoudingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd (verrekenprijzen) die afwijken van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, wordt de winst van die lichamen bepaald alsof die laatstbedoelde voorwaarden zouden zijn overeengekomen.
2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien een zelfde persoon, onmiddellijk of middellijk, deelneemt aan de leiding van of aan het toezicht op, dan wel in het kapitaal van het ene en het andere lichaam.
3. De in het eerste en tweede lid bedoelde lichamen nemen in hun administratie gegevens op waaruit blijkt op welke wijze de in dat lid bedoelde verrekenprijzen tot stand zijn gekomen en waaruit kan worden opgemaakt of er met betrekking tot de totstandgekomen verrekenprijzen sprake is van voorwaarden die in het economische verkeer door onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen.”
7.2
Het in art. 8(1) genoemde art. 3.8 Wet IB 2001 luidt als volgt:
“Paragraaf 3.2.2. Winst uit een onderneming
Artikel 3.8. Winst
Winst uit een onderneming (winst) is het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.”
7.3
De staatssecretaris van Financiën had in 2012 zijn verrekenprijsbesluit 201331.nog niet gepubliceerd. Het Hof refereert er dan ook niet aan. Ik citeer hier niettemin de algemene passages over armslengteprijsbepaling omdat zij aangeven dat de Nederlandse fiscus kennelijk vrij slaafs de OESO-verrekenprijsrichtlijnen32.volgt, ook bij de beoordeling van intra-concern risico-allocatie en het eventueel negeren van een intraconcerntransactie waarvoor geen ongelieerd vergelijkingsmateriaal bestaat en die evenmin geherkwalificeerd of aangepast kan worden in een tussen derden in de markt denkbare transactie. De veel kortere en globalere voorafgaande besluiten van de staatssecretaris van Financiën van 30 maart 2001, nr. IFZ 2001/295M en van 21 augustus 2004, nr. IFZ 2004/680M, BNB 2004/407, bevatten geen dergelijke passages:
“2. Het arm’s-lengthbeginsel (Hoofdstuk I en III)
2.1
Algemeen
Inleiding
In artikel 9 van het OESO Modelverdrag is het arm’s-lengthbeginsel gedefinieerd (zie tevens par. 1.6 van de OESO-richtlijnen). Het arm’s-lengthbeginsel is in Nederland gecodificeerd in het jaar 2002 door artikel 8b Wet VPB 1969. Het uitgangspunt van het arm’s-lengthbeginsel is dat gelieerde ondernemingen voor fiscale doeleinden worden verondersteld onderling te handelen zoals onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden zouden doen. Dat betekent dat een resultaat dient te worden bereikt waarin de fiscale winst die gelieerde ondernemingen behalen op hun onderlinge transacties vergelijkbaar is met de winst die onafhankelijke ondernemingen onder vergelijkbare omstandigheden met vergelijkbare transacties zouden behalen.
De OESO-richtlijnen beogen inzicht te geven in de wijze waarop het arm’s-lengthbeginsel in de praktijk dient te worden toegepast. Gelet op bovenstaande ga ik ervan uit dat de OESO-richtlijnen in beginsel een directe werking hebben in de Nederlandse rechtspraktijk. Daarnaast spelen de OESO-richtlijnen in internationaal verband een belangrijke rol bij verdragstoepassing en het voorkomen van dubbele belastingheffing.
Gezien het belang van het arm’s-lengthbeginsel wordt in deze paragraaf eerst stilgestaan bij de algemene visie op de toepassing van het beginsel zoals deze verwoord is in de OESO-richtlijnen.
De toepassing van het arm’s-lengthbeginsel
Het uitgangspunt voor de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel is de transactie zoals die tussen de gelieerde partijen is vormgegeven (par. 1.64 OESO-richtlijnen). Het contract vormt het uitgangspunt, tenzij het feitelijke gedrag van de betrokken partijen daarvan afwijkt (par.1.48 en par. 1.53 OESO-richtlijnen). Indien een schriftelijke overeenkomst ontbreekt dan dienen de contractuele verhoudingen te worden afgeleid uit het gedrag van partijen en de economische principes die ten grondslag liggen aan hun relatie (par. 1.52 OESO-richtlijnen).
Het startpunt van de arm’s-lengthtoets wordt gevormd door de vergelijkbaarheidanalyse, de zoektocht naar vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden. De functionele analyse van de bij de transactie betrokken partijen vormt de kern van deze vergelijkbaarheidanalyse. De uitgeoefende functies, de daarmee gepaard gaande risico’s en de gebruikte activa bepalen immers de beloning voor de betrokken partijen.
De arm’s-lengthtoets van par. 1.6 wordt toegepast op de voorwaarden waaronder de gelieerde partijen een transactie zijn aangegaan. Daarbij worden zij vergeleken met de voorwaarden die onafhankelijke partijen bij vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden zouden zijn overeengekomen. De prijs is in dit kader slechts één van de voorwaarden (par. 1.7 OESO-richtlijnen). Indien de voorwaarden tussen de gelieerde partijen afwijken van die welke tussen onafhankelijke partijen zouden zijn overeengekomen, kan het gevolg daarvan voor de fiscale winst worden gecorrigeerd.
Bij deze vergelijking van voorwaarden speelt een aantal uitgangspunten een belangrijke rol. Zo bepaalt paragraaf 1.34 OESO-richtlijnen dat rekening moet worden gehouden met de realistisch beschikbare alternatieven van de betrokken partijen onder arm’s length voorwaarden en het feit dat onafhankelijke partijen alleen een transactie aan zullen gaan wanneer zij geen duidelijk aantrekkelijker alternatief voor handen hebben. Verder is in paragraaf 9.63 van de OESO-richtlijnen bepaald dat de vergelijking van de voorwaarden vanuit het perspectief van alle bij de transactie betrokken partijen dient plaats te vinden.
Als alleen de prijs van de gelieerde transactie afwijkt van de prijs die tussen onafhankelijke derden tot stand zou zijn gekomen dient voor fiscale doeleinden een prijsaanpassing plaats te vinden. Indien andere voorwaarden dan de prijs afwijken en een aanpassing van de fiscale winst door middel van een prijsaanpassing niet mogelijk is, dan kunnen de gevolgen van dergelijke onzakelijke voorwaarden voor fiscale doeleinden worden aangepast of genegeerd (par. 1.47-1.50 OESO-richtlijnen en par. 9.38 OESO-richtlijnen). In de praktijk kunnen zich situaties voordoen waarin voor een bepaalde gehanteerde voorwaarde, bijvoorbeeld een bepaalde risico-allocatie, niet aannemelijk gemaakt kan worden dat (en op welke wijze) een soortgelijke vergelijkbare voorwaarde in ongelieerde verhoudingen bestaat. Paragraaf 9.36 bepaalt dat dit op zich nog geen reden is voor het negeren van een dergelijke risico-allocatie. Wel zou dit een reden kunnen zijn om de economische rationaliteit van een dergelijke risico-allocatie te onderzoeken. Daarbij spelen volgens de OESO-richtlijnen de mate van control (beheersing) en de financiële capaciteit om het betreffende risico te dragen een belangrijke rol.
In paragraaf 1.11 van de OESO-richtlijnen wordt onderkend dat gelieerde partijen transacties aangaan die onafhankelijke partijen niet zouden aangaan. In dergelijke situaties is een vergelijking van voorwaarden in de zin van paragraaf 1.6 met voorwaarden overeengekomen in vergelijkbare transacties tussen derden niet mogelijk. Het enkele feit dat vergelijkbare transacties tussen derden niet gevonden worden betekent echter nog niet dat de gelieerde transactie daarmee niet at arm’s length zou zijn. In een dergelijk geval zal moeten worden onderzocht of voorwaarden kunnen worden gevonden waaronder het denkbaar is dat onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden toch een dergelijke transactie zouden aangaan. Ook voor dergelijke situaties worden richtlijnen gegeven in de OESO-richtlijnen. Zo constateert paragraaf 9.173 van de OESO-richtlijnen dat een business restructuring kan leiden tot een business model dat tussen onafhankelijke partijen niet wordt aangetroffen. Paragraaf 9.174 OESO-richtlijnen bepaalt daarom dat vastgesteld moet worden of de transactie overeenkomt met wat zou resulteren uit het normale commerciële gedrag van onafhankelijke partijen. Vervolgens bepaalt paragraaf 9.175 van de OESO-richtlijnen dat het in ogenschouw nemen van de beschikbare realistische alternatieven relevant kan zijn bij de vraag of de door de gelieerde partijen gekozen vormgeving van de transactie verschilt van die welke door commercieel rationeel handelende onafhankelijke partijen zou zijn overeengekomen. Indien op deze wijze arm’s-length voorwaarden voor de betreffende transactie gevonden kunnen worden dan dienen die te worden gehanteerd en dient de transactie als zodanig te worden gerespecteerd.
Voor extreme gevallen, waarin gelieerde partijen niet alleen een transactie aangaan die rationeel handelende ongelieerde partijen onder vergelijkbare omstandigheden niet zouden aangaan, maar waarvoor, gelet op de wijze waarop de transactie is vormgegeven, bovendien geen arm’s-length voorwaarden gevonden kunnen worden is het voor de Belastingdienst mogelijk de transactie als zodanig ter discussie te stellen (zie par. 1.65 van de OESO-richtlijnen).
Zonder de mogelijkheid van paragraaf 1.65 om de transactie zelf ter discussie te stellen zou in een dergelijk geval de contractuele vormgeving toepassing van het arm’s-lengthbeginsel onmogelijk maken. In dergelijke extreme gevallen dient op grond van paragraaf 1.65 eerst onderzocht te worden of de transactie geherkwalificeerd kan worden in een andere transactie waarvoor wel arm’s-length voorwaarden te vinden zijn. Indien herkwalificatie niet tot een arm’s-length uitkomst leidt, dan rest slechts het volledig negeren van de gevolgen van de transactie voor de fiscale winst. Een dergelijk volledig negeren komt pas aan de orde wanneer het gelet op de vormgeving van de transactie, ook na een eventuele herkwalificatie, het voor de Belastingdienst onmogelijk is om passende arm’s length voorwaarden vast te stellen. Het herkwalificeren of het negeren vindt plaats ten behoeve van de fiscale winstbepaling.”
7.4
In 2018 heeft de staatssecretaris het geciteerde 2013-besluit vervangen door een nieuw verrekenprijsbesluit,33.waarvan de algemene armslengte- en risicoverdelingsparagrafen als volgt zijn uitgebreid en gespecificeerd:
“2. Het arm’s-lengthbeginsel (Hoofdstuk I en III)
2.1
Algemeen
Inleiding
(…).
De toepassing van het arm’s-lengthbeginsel
Karakterisering van de transactie
Elke verrekenprijsanalyse dient gebaseerd te zijn op een goed beeld van de rol van ieder onderdeel van de multinationale onderneming en de commerciële en financiële relaties tussen deze onderdelen en de (al dan niet door de Multinationale Onderneming geïdentificeerde) transacties waarin die relaties tot uitdrukking komen (zie par 1.34, 1.35 en 1.50 van de OESO-richtlijnen). Voordat de prijs van een bepaalde transactie tussen gelieerde partijen kan worden vastgesteld dient de transactie als zodanig gekarakteriseerd te worden. Dit vereist een analyse van de economisch relevante kenmerken van de transactie, bestaande uit (zie par. 1.36 OESO-richtlijnen):
− De contractuele voorwaarden;
− De uitgeoefende functies, rekening houdend met gebruikte activa en gelopen risico’s alsmede de relatie van deze functies, activa en risico’s met de waardecreatie binnen de MNO3;
− De kenmerken van overgedragen goederen of verleende diensten;
− De economische omstandigheden van de partijen en/of de markten waarin zij opereren;
− De bedrijfsstrategie nagestreefd door de betrokken partijen.
Het uitgangspunt bij het karakteriseren van de transactie, voorafgaand aan de toepassing van het arm’s-lengthbeginsel, is de transactie zoals die tussen de gelieerde partijen is vormgegeven met contractuele voorwaarden in de onderlinge overeenkomst(en), zo nodig aangevuld met informatie uit andere vastleggingen over de onderlinge rechten en verplichtingen.
Vervolgens dient deze informatie te worden aangevuld met een analyse van de andere economisch relevante kenmerken van de transactie. Al deze informatie tezamen verschaft inzicht in het feitelijke gedrag van de betrokken partijen. Indien het feitelijk gedrag niet overeenkomt met de contractuele vormgeving van de transactie zal in zijn algemeenheid het feitelijk gedrag bepalend zijn voor de karakterisering van de transactie.
Zoals hierboven aangegeven vindt ook een analyse plaats van de uitgeoefende functies en de economisch relevante risico’s die gepaard gaan met de transactie.
De analyse van de risico’s in een gelieerde transactie bestaat uit de volgende stappen.
− Identificatie van de economisch significante risico’s;
− Analyse hoe deze risico’s contractueel zijn verdeeld tussen partijen bij de op basis van de overeenkomsten en het gedrag gekarakteriseerde transactie;
− Analyse van de wijze waarop de partijen in de transactie zich verhouden tot de risico’s aan de hand van de volgende vragen:
a.wie oefent de ‘control’ en ‘risk mitigation functions’ uit inzake de risico’s?
b.wie draagt feitelijk de positieve en negatieve gevolgen van de gelopen risico’s?
c.wie heeft de ‘financial capacity’ om de gevolgen van de risico’s te dragen?34.
− Interpretatie van de allocatie van de risico’s op basis van de analyse zoals omschreven in de hiervoor omschreven vragen a, b en c waarbij beoordeeld dient te worden of de partij die de risico’s feitelijk draagt wel control uitoefent over deze risico’s en de ‘financial capacity’ heeft om de mogelijke gevolgen van de risico’s te dragen;
− Indien een door de betrokken partijen gehanteerde risico-allocatie bij vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden tussen ongelieerde partijen voorkomt, dient de risico-allocatie te worden gerespecteerd.
− Bepaling of er een herallocatie van risico’s nodig is (afhankelijk van de vraag of de partij die het risico feitelijk draagt wel control uitoefent over dit risico en of deze partij de benodigde ‘financial capacity’ heeft).
In de praktijk zijn situaties denkbaar waarbij meerdere partijen ‘control’ uitoefenen over de risico’s en de ‘financial capacity’ hebben om die risico’s te dragen, terwijl slechts één van die partijen de risico’s contractueel op zich heeft genomen. In dergelijke gevallen bepaalt par. 1.94 van de OESO-richtlijnen dat de contractuele risico-allocatie wordt gerespecteerd. Dat neemt niet weg dat de andere partij(en), at arm’s length dient/dienen te worden beloond voor het uitoefenen van de door die partij(en) vervulde ‘control’ functie. Par. 1.105 van de OESO-richtlijnen bepaalt dat deze beloning, indien in overeenstemming met de bijdrage die wordt geleverd aan de ‘control’ functie, ook een aandeel in de positieve en negatieve consequenties van de risico’s kan zijn. Dat betekent naar mijn mening dat in dergelijke gevallen de ‘Transactional Profit Split Methode’ passend kan zijn. Het lijkt namelijk niet at arm’s-length dat een partij die op basis van het contract risico’s draagt, maar in feite slechts minimaal bijdraagt aan de ‘control’ op basis van par. 1.94 van de OESO-richtlijnen alle negatieve en positieve consequenties van de betreffende risico’s toegerekend krijgt en de andere partij(en) een beperkte routinematige beloning. In het geval dat de door de betrokken partijen gehanteerde risico-allocatie bij vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden tussen ongelieerde partijen daadwerkelijk voorkomt zou de conclusie van deze analyse anders kunnen zijn.
Nadat alle stappen in de analyse van de risico’s zijn genomen is de transactie als zodanig gekarakteriseerd. Deze karakterisering kan derhalve afwijken van hetgeen contractueel is overeengekomen tussen de gelieerde partijen of de uitleg die zij daar aan geven. Op basis van de gekarakteriseerde transactie dient een passende prijs vastgesteld te worden, rekening houdend met de arm’s-length risico-allocatie. Dit dient in principe te gebeuren op basis van vergelijkbare transacties tussen ongelieerde partijen die voortvloeien uit een vergelijkbaarheidsanalyse.35.De hierboven genoemde economisch relevante kenmerken vormen eveneens de elementen van deze vergelijkbaarheidsanalyse.
Negeren van de transactie
Volgens de OESO-richtlijnen is het ter discussie stellen van een transactie als zodanig alleen mogelijk indien de gekarakteriseerde transactie (inclusief de mogelijke aanpassing van de risico-allocatie), bezien in zijn totaliteit, verschilt van wat ongelieerde partijen die zich op een commercieel rationele manier gedragen, zouden zijn overeengekomen in vergelijkbare omstandigheden, waardoor het niet mogelijk is om een voor alle partijen acceptabele prijs vast te stellen. Daarbij moet het perspectief van beide partijen en de beschikbare realistisch aanwezige alternatieven voor ieder van hen op het moment dat de transactie wordt aangegaan in ogenschouw genomen worden (par. 1.122 – 1.124 van de OESO-richtlijnen). In deze situatie dienen de gevolgen van een dergelijke transactie voor de fiscale winst genegeerd te worden.
Par. 1.122 van de OESO-richtlijnen geeft de mogelijkheid om in extreme gevallen de transactie zelf ter discussie te stellen. Hierdoor wordt voorkomen dat de contractuele vormgeving toepassing van het arm’s-lengthbeginsel onmogelijk maakt. Indien mogelijk en gepast kan volgens deze paragraaf de transactie door een alternatieve transactie vervangen worden waarvoor wel arm’s length voorwaarden te vinden zijn. Deze alternatieve transactie moet zoveel mogelijk gebaseerd zijn op de geconstateerde feiten en omstandigheden van het voorliggende geval (par. 1.124 van de OESO-richtlijnen). Het negeren en het mogelijk vervangen door een alternatieve transactie vindt plaats ten behoeve van de fiscale winstbepaling.
In de paragrafen 1.11 en 1.122 van de OESO-richtlijnen wordt onderkend dat gelieerde partijen transacties aangaan die onafhankelijke partijen niet zouden aangaan. In dergelijke situaties is een vergelijking van voorwaarden in de zin van par. 1.6 van de OESO-richtlijnen met voorwaarden overeengekomen in vergelijkbare transacties tussen derden niet mogelijk. Het enkele feit dat vergelijkbare transacties tussen derden niet gevonden worden betekent echter nog niet dat de gelieerde transactie daarmee niet at arm’s length zou zijn. In een dergelijk geval zal moeten worden onderzocht of voorwaarden kunnen worden gevonden waaronder het denkbaar is dat commercieel rationeel handelende onafhankelijke partijen onder vergelijkbare omstandigheden toch een dergelijke transactie zouden aangaan. Vervolgens dient vastgesteld te worden of deze voorwaarden overeenkomen met de voorwaarden van de gelieerde transactie. Indien op deze wijze arm’s-length voorwaarden voor de betreffende transactie gevonden kunnen worden dan dienen deze te worden gehanteerd en dient de transactie als zodanig te worden gerespecteerd.
De vergelijkbaarheidsanalyse
De functionele analyse van de bij de transactie betrokken partijen, van belang bij de karakterisering van de transactie, vormt ook een wezenlijk onderdeel van de toepassing van het arm’s-length principe en de daarbij vereiste vergelijkbaarheidsanalyse. De uitgeoefende functies, de daarmee gepaard gaande risico’s en de gebruikte activa bepalen immers de beloning voor de betrokken partijen.
De arm’s-length toets van par. 1.6 van de OESO-richtlijnen wordt toegepast op de voorwaarden waaronder de gelieerde partijen een transactie zijn aangegaan of zoals deze zijn aangepast in het proces van de karakterisering van de transactie zoals hierboven omschreven. Daarbij worden zij vergeleken met de voorwaarden die onafhankelijke partijen bij vergelijkbare transacties onder vergelijkbare omstandigheden zouden zijn overeengekomen. De prijs is in dit kader slechts één van de voorwaarden (zie par 1.7 OESO-richtlijnen). Bij deze vergelijking van voorwaarden speelt een aantal uitgangspunten een belangrijke rol. Zo bepaalt par. 1.38 van de OESO-richtlijnen dat rekening moet worden gehouden met de realistisch beschikbare alternatieven van de betrokken partijen onder arm’s-length voorwaarden en het feit dat onafhankelijke partijen alleen een transactie aan zullen gaan wanneer zij geen duidelijk aantrekkelijker alternatief voor handen hebben. Verder is daarbij van belang dat de vergelijking van de voorwaarden vanuit het perspectief van alle bij de transactie betrokken partijen dient plaats te vinden.
Als alleen de prijs van de gelieerde transactie afwijkt van de prijs die tussen onafhankelijke derden tot stand zou zijn gekomen kan voor fiscale doeleinden een prijsaanpassing plaatsvinden.36.Bij het aanpassen van de prijs en/of andere voorwaarden van een individuele transactie of specifieke groep van transacties dient, afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval, een analyse plaats te vinden of na die aanpassing nog sprake is van een arm’s-length winst voor de betreffende vennootschap gegeven de uitgeoefende functies, de gebruikte activa en de gelopen risico’s. In voorkomende gevallen dienen mogelijk ook de prijs en of andere voorwaarden van andere transacties, met andere concernvennootschappen te worden aangepast indien deze niet conform het arm’s-lengthbeginsel zijn vastgesteld.
(….).”
8. Samenhangende waardering dollarposities
8.1
Het geschil over samenhangende waardering vraagt u om een knoop door te hakken. Uw rechtspraak laat ruimte voor twee standpunten voor wat betreft de criteria voor samenhangende waardering, die de partijen in dit geschil dan ook tegenover elkaar innemen. Enerzijds biedt die rechtspraak steun aan de opvatting dat een feitelijke zeer effectieve (valuta)hedge (feitelijke correlatie) voldoende is om aan te nemen dat het realiteitsbeginsel noopt tot samenhangende waardering van vorderingen en schulden in dezelfde valuta. Anderzijds biedt die rechtspraak ook steun aan de opvatting dat feitelijke correlatie op zichzelf niet voldoende is en dat daarnaast ook een bedrijfspolitieke samenhang (oogmerk van afdekking en bedrijfseconomisch verband) vereist is tussen schulden en vorderingen in dezelfde valuta. Het Hof heeft met de belanghebbende voor het laatste standpunt gekozen, waardoor de dollarvorderingen op de Braziliaanse groepsmaatschappij buiten de samenhangende waardering vielen. De Staatssecretaris kiest voor het eerste standpunt.
8.2
Ik geef hieronder die rechtspraak weer, waar u dus een klap op moet geven.
8.3
HR BNB 2004/21437.betrof een geschil over toerekening van een vordering, een schuld en een swap aan een Zwitserse financierings-v.i. van de belanghebbende. Na beslechting van dat geschil overwoog u van ambtswege dat de relevante dollarschuld en dollarvordering samenhangend moesten worden gewaardeerd voor zover en zo lang zij hetzelfde bedrag en dezelfde periode betroffen, ook al hadden zij verschillende looptijden:
“-4.4. Ten overvloede wordt nog het volgende overwogen.
Indien, zoals in het onderhavige geval, een vordering in een vreemde valuta tegenover een schuld in dezelfde valuta staat, treedt bij wijziging van de koers van die valuta per saldo geen vermogensmutatie op en zal mitsdien een wijziging van de waardering met betrekking tot de valutakoers van de schuld en de vordering niet los van elkaar mogen plaatsvinden. Dit is niet anders indien de looptijd van de schuld en de vordering niet gelijk zijn aan elkaar. Weliswaar zal ten gevolge van het niet gelijk lopen van de looptijden van de vordering en de schuld uiteindelijk een niet-gedekte valutapositie ontstaan, dit rechtvaardigt niet reeds in de jaren waarin wel een zodanige positie bestaat een verlies of een winst te nemen die gecompenseerd wordt door een even grote winst, respectievelijk even groot verlies op de tegengestelde valutapositie. Het valutarisico ontstaat pas nadat na aflossing van de schuld of na inning van de vordering de valutapost niet langer gesloten is.”
8.4
In de zaak HR BNB 2008/2638.had de belanghebbende call opties geschreven op haar aandelenbezit. Zij waardeerde haar aandelen op kostprijs of lagere beurswaarde, maar haar calloptie-verplichtingen op de ontvangen premie of hogere beurswaarde. Bij koersstijging van de aandelen leidde dat systeem tot verliesneming op de call-optieverplichting zonder winstneming op de aandelen. Dat was volgens u geen goed koopmansgebruik, want onrealistisch:
“3.3.1. Indien, zoals in het onderhavige geval, een verplichting uit hoofde van een geschreven calloptie volledig wordt gedekt door het bezit van de desbetreffende beursaandelen, zal een verlies op die optieverplichting tot ten minste een gelijk bedrag worden gecompenseerd door een opgetreden waardestijging van de desbetreffende beursaandelen. Hierdoor treedt bij een stijging van de koers van die calloptie en dus een stijging van de verplichting uit hoofde daarvan, per saldo geen vermogensverlies op. In een dergelijk geval is het niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik, met name het realiteitsbeginsel dat daaraan ten grondslag ligt, de optieverplichting anders dan in samenhang met de desbetreffende beursaandelen te waarderen. Waardering in samenhang houdt in een geval als het onderhavige in waardering van beide op de vergoeding respectievelijk de kostprijs dan wel van beide op de beurswaarde indien dit laatste per saldo tot een lagere waardering leidt.”
8.5
Het Cacaobonenarrest HR BNB 2009/27139.betrof het prijsrisico op grondstoffen en producten (cacaobonen) en de vraag of cacaobonen, cacaoproducten en cacaocontracten samenhangend moesten worden gewaardeerd. U gaf de volgende regel voor samenhangende waardering van voorverkopen, voorinkopen, technische voorraad en futures in cacaobonen:
“5.1. Het derde geschilpunt voor het Hof betrof de vraag of bij de bepaling van de fiscale winst van belanghebbende de commerciële winst, (…), mag worden verminderd met het volledige bedrag van de ongerealiseerde winsten - door belanghebbende voor alle productgroepen tezamen berekend op (…) ƒ 49 710 000 - of slechts met het bedrag waarmee de ongerealiseerde winsten van B de daaraan volgens de Inspecteur te relateren ongerealiseerde verliezen op de balansdatum overtreffen (door de Inspecteur berekend op ƒ 3 693 710). Het Hof heeft de Inspecteur wat betreft dit geschilpunt in het gelijk gesteld. Het Hof heeft daartoe (…) geoordeeld dat uitgaande van hetgeen is komen vast te staan omtrent de bedrijfsvoering, de administratie en de jaarrekening van B, de door belanghebbende voorgestane gesplitste behandeling van ongerealiseerde winsten (uitstellen) en ongerealiseerde verliezen (direct nemen) op haar voorverkopen, voorinkopen, futures en valuta-termijncontracten een volstrekt kunstmatig karakter heeft en aldus in strijd komt met goed koopmansgebruik. Het Hof heeft daartoe onder meer redengevend geacht dat B er structureel (op globaal niveau) naar streeft om de prijs- en valutarisico's met betrekking tot haar voorraad- en orderpositie te beheersen en dat zij daarin - getuige de omstandigheid dat de cumulatieve flat priced position naar nihil tendeert - over een langere periode bezien goeddeels slaagt.
5.3.1.
Bij de beoordeling van het eerste middel moet het volgende worden vooropgesteld.
Voor zover ten aanzien van het prijsrisico op cacao
a) sprake is van samenhang tussen enerzijds de voorverkopen en anderzijds voorinkopen en futures dan wel de aanwezigheid van een technische voorraad, en
b) dit prijsrisico op balansdatum in hoge mate beperkt is,
brengt het tot goed koopmansgebruik behorende realiteitsbeginsel mee dat deze voorverkopen, voorinkopen, futures en technische voorraad in zoverre in samenhang worden gewaardeerd.
5.3.2.
Of sprake is van samenhang als hiervoor in 5.3.1 onder a) bedoeld, dient naar de omstandigheden te worden beoordeeld. Daarbij kan onder meer betekenis worden toegekend aan de aard van de contracten, bezien in het licht van de aard van de aanwezige risico's, en aan de eventuele omstandigheid dat de afdekking van risico's is beoogd. Dit laatste kan volgen uit de administratie, de jaarrekening en/of de economische doelstellingen van de onderneming.
5.3.3.
Van een prijsrisico dat in hoge mate beperkt is als hiervoor in 5.3.1 onder b) bedoeld, is sprake indien op balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de cacao die begrepen is in de verschillende posten hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 percent. Bij deze toets kunnen gegevens over het waardeverloop van de posten in het verleden een rol spelen, evenals de aard van het dekkingscontract.
5.3.4.
In geval van een samenhangende waardering als hiervoor bedoeld, zal een ongerealiseerd verlies op de voorverkopen - bijvoorbeeld in de vorm van een voorziening - uitsluitend in aanmerking mogen worden genomen indien en voor zover op alle in samenhang te waarderen posten gezamenlijk per saldo een ongerealiseerd verlies wordt geleden.”
Ik merk op dat het in deze zaak niet ging om financiële posten zoals vorderingen en schulden of aandelen en opties op die aandelen, maar om op termijn ingekochte en verkochte oogst, zodat het voor de hand ligt dat ‘de aard van de contracten’ ter zake doet (voorinkoop of voorverkoop en op welke termijn en in welke staat van bewerking van de bonen).
8.6
Van der Geld (noot in BNB 2009/271) vroeg zich af (i) of uw twee criteria (a) (samenhang tussen voorinkopen en voorverkopen) en (b) (in hoge mate beperkt prijsrisico) effectief niet als één voorwaarde moesten worden opgevat en (ii) of het bij de onder (a) bedoelde samenhang om zuiver objectieve samenhang gaat of ook subjectief bedoelde c.q. historische samenhang meedoen:
“De Hoge Raad stelt voor verplichte gezamenlijke waardering een tweetal separate, cumulatieve eisen. Allereerst dient er voldoende samenhang tussen de risico's in de gezamenlijk te waarderen balansposten te zijn en daarnaast dient het prijsrisico (op balansdatum) in hoge mate beperkt te zijn. Het is de vraag hoe we deze dubbele eis moeten duiden. Allereerst kan men met Bruins Slot ('Cacaobonenarrest: stellig onbedoelde gevolgen', NTFR Beschouwingen 2009/27) van mening zijn dat deze twee eisen de facto samenvallen tot één eis: de correlatie van het desbetreffende risico dient binnen de bandbreedte van 80-125% te vallen. Indien die correlatie er is, is in de visie van Bruins Slot namelijk de vereiste samenhang per definitie aanwezig. In deze visie heeft de Hoge Raad ten onrechte als dubbele eis geformuleerd wat in wezen een enkele eis is. De opvatting van Bruins Slot is mijns inziens alleen juist indien men aanneemt dat het bij de eerste eis van de Hoge Raad gaat om een functionele samenhang en niet om bijvoorbeeld een historische samenhang of een samenhang naar de bedoelingen van de ondernemer. Ook mij lijken de objectieve feiten veel geschikter om te beslissen omtrent de vereiste samenhang dan zoiets subjectiefs als de bedoelingen van de ondernemer. Als men echter aanneemt dat de Hoge Raad niet voor niets een tweetal eisen heeft geformuleerd, dan ligt de opvatting voor de hand dat er bij de eerste eis (de vereiste samenhang) wel degelijk ruimte is voor (enige) historische en subjectieve invloeden. De objectieve grenzen die worden gesteld door de bewijsrechtelijke regels alsmede door de tweede eis van voldoende correlatie, zorgen er vervolgens voor dat voor al te subjectieve invloeden wordt gewaakt.”
8.7
De Market maker uit het gelijknamige arrest40.was permanent aan het delta-hedgen om haar koersrisico’s op ingenomen posities volledig uit te doven. Zij wilde niettemin verlies nemen op verkochte effecten waartegenover ongerealiseerde waardestijgingen stonden. U achtte verliesneming alleen mogelijk als de samenhangende groep effecten als geheel minder waard zou zijn geworden of als twee groepen correlerende effecten geen zeer effectieve hedge zouden produceren:
“3.5.1. In beginsel is het in overeenstemming met goed koopmansgebruik bezittingen te waarderen op kostprijs en een eventuele meerwaarde pas in aanmerking te nemen op het moment waarop deze wordt gerealiseerd door levering aan een derde (vgl. onder meer HR 17 juni 1959, nr. 13902, BNB 1959/304). Is de waarde in het economische verkeer van de bezittingen lager dan de kostprijs, dan staat goed koopmansgebruik toe te waarderen op die lagere waarde. Indien echter een samenhangende waardering met andere vermogensbestanddelen is vereist, is een zodanige afwaardering pas toegestaan voor zover de gezamenlijke waarde in het economische verkeer lager is dan de gezamenlijke kostprijs. Een samenhangende waardering als hiervoor bedoeld, moet plaatsvinden indien sprake is van een zeer effectieve hedge. Daarvan is sprake indien op balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogens-bestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 percent (vgl. HR 10 april 2009, nr. 42916, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, BNB 2009/271).
3.5.2.
De (…) in 3.5.1 vermelde uitgangspunten gelden ook voor ter beurze genoteerde effecten. Voor in samenhang te waarderen effecten heeft daarom te gelden dat zij niet lager mogen worden gewaardeerd dan de gezamenlijke beurswaarde van die effecten (vgl. HR 16 november 2007, nr. 42970, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, BNB 2008/26). Naar de Hoge Raad in dit arrest heeft geoordeeld, dient een verplichting uit hoofde van een geschreven calloptie die volledig wordt gedekt door het bezit van de desbetreffende beursaandelen in samenhang met die aandelen te worden gewaardeerd. Thans oordeelt de Hoge Raad dat voor alle vermogensbestanddelen waarvan het waardeverloop direct samenhangt met het waardeverloop van aandelen (hierna tezamen met die aandelen ook: een groep effecten) goed koopmansgebruik gezamenlijke waardering vereist. Het zou in strijd zijn met het aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende realiteitsbeginsel in een zodanig geval een verlies in aanmerking te nemen indien dat voor de groep effecten niet (latent) aanwezig is. Voor vermogensbestanddelen die op verschillende aandelen betrekking hebben, zal alleen een samenhangende waardering als hiervoor bedoeld moeten plaatsvinden indien de hedge zeer effectief is in de zin van het hiervoor in 3.5.1 vermelde arrest van 10 april 2009.
3.5.3.
Voor de Rechtbank en het Hof heeft de Inspecteur het standpunt verdedigd (…) dat een belastingplichtige die een groep effecten op kostprijs waardeert, in geval van verkoop van tot de groep behorende effecten tegen een prijs die lager is dan de voor die effecten geldende kostprijs, het daaruit voortvloeiende verlies niet op dat moment in aanmerking mag nemen indien tegenover dat verlies een ten minste even grote (latente) winst staat op andere (niet verkochte) effecten van die groep. Dit standpunt is juist. Indien een belastingplichtige, zoals in het onderhavige geval, bij voortduring ernaar streeft met betrekking tot een groep effecten door middel van hedging het koersrisico te minimaliseren, is het niet in overeenstemming met goed koopmansgebruik om, indien de tot die groep behorende effecten op kostprijs worden gewaardeerd, bij realisatie van een verlies op tot de groep behorende effecten dat verlies op dat moment in aanmerking te nemen ingeval de totale kostprijs van de groep effecten – inclusief de kostprijs van de tot de groep behoord hebbende met verlies verkochte effecten – lager is dan de beurswaarde van de overblijvende effecten van die groep vermeerderd met de gerealiseerde verkoopopbrengst van de verkochte effecten van die groep. In een zodanig geval vereist goed koopmansgebruik dat de gezamenlijke kostprijs van de overblijvende effecten van die groep wordt verhoogd met dit (gerealiseerde) verlies.”
Een ten opzichte van de kostprijs gerealiseerd verlies op beurseffecten moet dus worden gesaldeerd met ongerealiseerde winst op samenhangende effecten. Bij een market maker ligt het er dik bovenop dat hij het oogmerk tot koersrisico-afdekking koestert (‘bij voortduring ernaar streeft’) en dat de door hem gesloten contracten daarop zijn gericht en samenhangen met de posities in aandelen en afgeleiden daarvan die hij heeft ingenomen. Het zegt dus denkelijk niets dat u niets zei over ‘de aard van de contracten.’ Ik merk wel op dat uw algemene regel (“(…) voor alle vermogensbestanddelen waarvan het waardeverloop direct samenhangt met het waardeverloop van aandelen (hierna tezamen met die aandelen ook: een groep effecten) [vereist] goed koopmansgebruik gezamenlijke waardering (…)”) niet vraagt naar het al dan niet beoogd of gewenst zijn van die ‘directe samenhang’ en suggereert dat als feitelijk 100% koerscorrelatie vast staat, niet ter zake doet of die correlatie is beoogd. De realiteit van 100% correlatie wordt immers niet anders door het wel of niet bestaan van bedoelingen.
8.8
Lubbers (noot in BNB 2014/116) meent dan ook dat niet alleen in gevallen zoals dat van de market maker het realiteitsbeginsel voorrang heeft boven het realisatiebeginsel:
“4. Gevolgen samenhangende waardering
4.1.
Indien samenhangend moet worden gewaardeerd, mogen ongerealiseerde verliezen niet in aanmerking worden genomen voor zover tegenover die ongerealiseerde verliezen ongerealiseerde winsten staan. In de woorden van het Cacaobonen-arrest (r.o. 5.3.4): een ongerealiseerd verlies mag ‘uitsluitend in aanmerking (…) worden genomen indien en voor zover op alle in samenhang te waarderen posten gezamenlijk per saldo een ongerealiseerd verlies wordt geleden’.
4.2.
In de literatuur bestond discussie over het antwoord op de vraag of bij het beëindigen van de samenhangende waardering doordat het verlieslatende vermogensbestanddeel wordt afgewikkeld, (wel) verlies mag worden genomen. Het gaat hier mitsdien om de vraag of gerealiseerde verliezen in aanmerking kunnen worden genomen.
4.3.
De Hoge Raad beantwoordt deze vraag in r.o. 3.5.3. Om het probleem en de door de Hoge Raad gegeven oplossing inzichtelijk te maken, geef ik een eenvoudig cijfervoorbeeld met twee vermogensbestanddelen – een activum en een passivum – die op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad samenhangend moeten worden gewaardeerd. Het activum is in 2012 gekocht voor € 100. Het passivum is in 2012 ontstaan en had destijds een waarde van € 100.
4.4.
Op 31 december 2013 was de werkelijke waarde van het activum € 95. Het passivum had op dat moment een werkelijke waarde van € 95. In 2013 mocht op het activum geen verlies worden genomen, omdat op de samenhangend gewaardeerde positie per saldo geen verlies is geleden: tegenover het ongerealiseerde verlies op het activum stond immers voor hetzelfde bedrag een ongerealiseerde winst op het passivum (zie onderdeel 4.1 hiervóór).
4.5.
In 2014 wordt het activum verkocht tegen € 95. De werkelijke waarde van het passivum is op dat moment € 90. De vraag is of het gerealiseerde boekverlies van € 5 op het activum in 2014 in aanmerking mag worden genomen. Betoogd kan worden dat dit niet mag, omdat per saldo sprake is van een (ongerealiseerde) winst op de samenhangend gewaardeerde positie. Onder die omstandigheden verzet het realiteitsbeginsel zich tegen het in aanmerking nemen van een verlies bij de verkoop van het activum. Verliesneming wordt boekhoudkundig voorkomen door op het achterblijvende vermogensbestanddeel winst te nemen. Tegenover het gerealiseerde verlies op het activum van € 5 – dit verlies wordt in 2014 in aanmerking genomen – wordt de winst van de belastingplichtige in 2014 verhoogd met € 5 door het passivum af te waarderen van € 100 naar € 95. Deze aanpak schrijft de Hoge Raad voor in r.o. 3.5.3.
4.6.
Hoewel de Hoge Raad de in r.o. 3.5.3 geformuleerde regel met betrekking tot het niet in aanmerking mogen nemen van gerealiseerde verliezen toespitst op de situatie van de marketmaker, dient deze regel mijns inziens niet alleen te gelden ten aanzien van een ‘groep effecten’ maar bijvoorbeeld ook bij de samenhangende waardering van de cacaobonen, cacaoproducten en cacaocontracten in het Cacaobonen-arrest. In die zaak werd echter – voor zover ik dat kan beoordelen – alleen geprocedeerd over ongerealiseerde verliezen en hoefde de Hoge Raad zich niet uit te laten over het in aanmerking nemen van gerealiseerde verliezen. Op dit punt heeft de Hoge Raad in het Marketmaker-arrest derhalve een nieuw element toegevoegd aan het leerstuk van samenhangende waardering.
4.7.
Indien de regels van samenhangende waardering tot de conclusie leiden dat voor een ‘groep effecten’ (bijvoorbeeld groep X) een ongerealiseerd of gerealiseerd verlies in aanmerking mag worden genomen, kan de toepassing van het leerstuk van samenhangende waardering met betrekking tot verschillende ‘groepen effecten’ ertoe leiden dat dit verlies (toch) niet in aanmerking mag worden genomen omdat met betrekking tot de tot groep Y behorende effecten sprake is van een ongerealiseerde winst. Dat doet zich voor als met betrekking tot de groepen X en Y sprake is van een zeer effectieve hedge (zie de laatste zin van r.o. 3.5.2) en – naar ik aanneem – is voldaan aan het samenhangvereiste uit het cacao-arrest.
4.8.
Ik ben van mening dat het leerstuk van samenhangende waardering zoals dat tot nu toe door de Hoge Raad is ontwikkeld, slechts regels geeft voor het in aanmerking nemen van ongerealiseerde en gerealiseerde verliezen. De stuwende kracht achter dit leerstuk is het realiteitsbeginsel. Het leerstuk geeft echter geen antwoord op de vraag wanneer winsten in samenhangende posities als gerealiseerd moeten worden beschouwd. Daarbij kan worden gedacht aan een belastingplichtige die beursaandelen met een ongerealiseerde koerswinst bezit, en op enig moment een putoptie koopt waarmee hij die koerswinst geheel of gedeeltelijk vastzet. Dit vraagstuk wordt met name beheerst door het realisatiebeginsel, waarbij uiteraard de realiteit niet uit het oog mag worden verloren.”
8.9
Van der Voort Maarschalk (noot in JOR 2014/188) merkt op dat het Market maker-arrest een van de commerciële standaard afwijkende opvatting van goed koopmansgebruik bestendigde:
“12. Voorts geeft de Hoge Raad (in r.o. 3.5.3) een nauwkeurige regel voor het in aanmerking nemen van verliezen bij verkoop van in samenhang te waarderen effecten die (fiscaal) op kostprijs worden gewaardeerd. Ook daarvoor geldt een (in mijn woorden) “collectieve” benadering. Zolang de gezamenlijke kostprijs van alle in samenhang te waarderen effecten (inclusief de verkochte effecten) lager is dan de beurswaarde van de overblijvende effecten plus de verkoopopbrengst van de verkochte effecten, dan mag ter zake van de verkoop geen verlies in aanmerking worden genomen. Het verlies op de verkochte effecten moet dan bij de kostprijs van de overblijvende effecten worden gevoegd.
13. Met deze beslissingen blijft de fiscale waardering onverminderd afwijken van de commerciële. Commercieel is hedge-accounting een keuzemogelijkheid als aan bepaalde voorwaarden is voldaan; fiscaal is de (met hedge-accounting min of meer vergelijkbare) samenhangende waardering verplicht als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Bovendien mag hedge-accounting commercieel niet worden toegepast in geval van overhedge (dus boven 100%), maar geldt fiscaal de verplichte samenhangende waardering wél als sprake is van een overhedge (mits de grens van 125% niet wordt overschreden).”
8.10
Cornelisse (aantekening in FED 2014/36) zag in het Market maker-arrest weinig nieuws, maar vestigde wel de aandacht op de de facto verrekening van gerealiseerde verliezen met latente winsten en andersom en op de vraag welke betekenis (afdekkings)rechtshandelingen ná balansdatum hebben voor de balanswaardering:
“In vergelijking met de eerdere arresten (…) brengt het onderhavige arrest naar mijn mening geen nieuws. Dat neemt evenwel niet weg dat er reden is op een aantal aspecten die samenhangen met de onderhavige casus nader in te gaan. In de tot op heden gewezen (…) arresten (…) was steeds sprake van een zogenoemde statische hedge. Zulks impliceert dat na het sluiten van de hedge door een belastingplichtige geen handelingen meer behoeven te worden verricht teneinde de hedge (adequaat) in stand te houden. In het onderhavige geval is dat wezenlijk anders. Ook na de eerste tegengestelde transactie moet een belastingplichtige transacties (blijven) verrichten (‘rebalancing’) teneinde de hedge overeind te houden (deltahedgen). Met betrekking tot deze dynamische vorm van hedging rijst de vraag of aan rechtshandelingen die na de balansdatum worden verricht betekenis mag worden toegekend voor het jaar waarin de hedge is aangegaan. Indien aan die rechtshandelingen in dit kader geen betekenis mag worden toegekend is het zeer twijfelachtig of aan het tweede criterium van het cacaobonenarrest wordt voldaan i.e. dat op de balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de verschillende posten hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80-125%. Gelet op de huidige stand van de rechtspraak is het evenwel twijfelachtig of aan die toekomstige rechtshandelingen betekenis mag worden toegekend voor het antwoord op de vraag of per eindbalansdatum van een boekjaar aan het tweede criterium van het zogenoemde cacaobonenarrest (…) wordt voldaan. In dit verband kan onder andere gewezen worden op HR, BNB 1956/59, BNB 1957/300, BNB 1992/79, FED 1992/181, BNB 1995/162, FED 1995/525. Het is opvallend dat de Hoge Raad aan dit aspect in zijn overwegingen geen aandacht heeft besteed.
De ratio van het leerstuk van de samenhangende waardering wordt gevormd door het voorkomen van een vermogensverlies dat gelet op de tegengestelde posities – zolang die tegengestelde posities in stand worden gehouden – per saldo niet zal kunnen optreden. Het leerstuk van de samenhangende waardering gaat dan ook niet verder dan het voorkomen van het tot uitdrukking brengen van een ongerealiseerd verlies dat per saldo niet zal worden geleden. Vergelijk ook de slotzin van r.o. 3.5.2 in het onderhavige arrest.
Het onderhavige arrest bevestigt dat in het geval van per saldo een hogere waarde dan de kostprijs een belastingplichtige niet verplicht is de actuele waarde als waarderingsmaatstaf te hanteren. Samenhangende waardering beoogt slechts de effecten van de asymmetrie van goed koopmansgebruik (ongerealiseerde verliezen wel nemen maar ongerealiseerde winsten uitstellen tot realisatiemoment) te voorkomen maar niet meer dan dat. Indien de relevante posities op kostprijs c.q. vergoeding worden gewaardeerd, rijst de vraag hoe een en ander verloopt indien een van de twee – tegengestelde – posities wordt afgewikkeld en in het kader van deze afwikkeling een winst c.q. verlies tot uitdrukking wordt gebracht. Aan de hand van welke waarderingsmaatstaf wordt dan de niet afgewikkelde positie gewaardeerd? Indien de afgewikkelde positie tot een verlies heeft geleid en zulks ook daadwerkelijk tot uitdrukking is gebracht, dient, zoals de Hoge Raad in het slot van r.o. 3.5.3 tot uitdrukking brengt, de in de niet afgewikkelde positie besloten liggende winst (per het moment van de afwikkeling) tot het bedrag van het in aanmerking genomen verlies eveneens tot uitdrukking te worden gebracht. Immers op deze wijze wordt voorkomen dat een verlies tot uitdrukking wordt gebracht dat niet zal worden geleden. Vanzelfsprekend wordt het doel van het leerstuk van samenhangende waardering eveneens bereikt indien het hiervoor omschreven verlies niet tot uitdrukking wordt gebracht en de overblijvende positie wordt gewaardeerd op basis van de kostprijs. Deze waarderingsmaatstaf zou in mijn visie ook toepassing kunnen vinden in het geval dat een positie, waarin een potentiële winst ligt besloten, wordt afgewikkeld. Dit heeft dan tot gevolg dat een gerealiseerde winst niet tot uitdrukking wordt gebracht. Zulks lijkt in strijd met goed koopmansgebruik. (…).”
8.11
Het Kunstmestarrest41.betrof onder meer de vraag naar samenhangende verantwoording van gerealiseerd verlies op een dollartermijncontract en daartegenover staande ongerealiseerde valutawinst op dollarvorderingen. De belanghebbende had twee dollarvorderingen; één met een looptijd van 1 april 2008 t/m 1 april 2009; een tweede met dezelfde ingangsdatum maar een latere vervaldatum. Zij dekte de valutarisico’s af door periodiek valutatermijncontracten af te sluiten die zij cash afwikkelde. In 2008 sloot zij een dollartermijncontract van 30 mei 2008 t/m 3 december 2008. Tot 30 mei was op de beide vorderingen een latente valutawinst gemaakt. De belanghebbende leed daardoor met de cash settlement een verlies. Op 3 december 2008 sloot zij een tweede valutatermijncontract voor hetzelfde bedrag met als vervaldatum 1 april 2009. Zij nam wel het bij cash settlement gerealiseerde verlies, maar niet de daarmee samengaande ongerealiseerde winst op de dollarvorderingen. De Inspecteur meende dat de vorderingen en de termijncontracten gezamenlijk moesten worden gewaardeerd, zodat geen verlies genomen kon worden, en dat bovendien ook de valutawinst over de periode vóór het eerste termijncontract alsnog belast moet worden op grond van het realiteitsbeginsel. U oordeelde (i) dat de waarderingsregel van het Market maker-arrest ook geldt als valutawinst die staat tegenover een gerealiseerd valutaverlies niet meteen of alleen tegen een discount kan worden gerealiseerd en (ii) dat als een zeer effectieve hedge tot stand komt en daardoor vaststaat of zo goed als zeker is dat een voordien opgetreden waardeontwikkeling van een nadien in samenhang te waarderen vermogensbestanddeel zal worden gerealiseerd, op dat moment het resultaat ter zake van die waardeontwikkeling moet worden genomen:
“(…).
3.1.3.
Zoals is overwogen in rechtsoverweging 3.5.1 van het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:635 (hierna: het marketmakerarrest), moet een samenhangende waardering van vermogensbestanddelen plaatsvinden indien zich met betrekking tot hun waardeontwikkeling een zeer effectieve hedge voordoet. Daarvan is sprake indien op de balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 procent.
3.1.4.
Deze verplichting tot een samenhangende waardering vloeit voort uit het aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende realiteitsbeginsel. Zij strekt ertoe te voorkomen dat verliezen op bepaalde vermogensbestanddelen tot uitdrukking worden gebracht die in werkelijkheid niet zijn geleden omdat zij tegenover (vrijwel) gelijke winsten op andere vermogensbestanddelen staan (vgl. HR 16 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, rechtsoverweging 3.3.1). In het licht van deze strekking van een samenhangende waardering is het niet van belang of het gaat om gerealiseerde dan wel ongerealiseerde winsten of verliezen. Dat brengt bijvoorbeeld mee dat een verlies ter zake van de verkoop van een vermogens-bestanddeel niet bij gelegenheid van die verkoop in aanmerking mag worden genomen indien tegenover dat verlies een ten minste even grote (latente) winst staat op een ander vermogensbestanddeel dat in samenhang met het verkochte vermogensbestanddeel moet worden gewaardeerd (vgl. het marketmakerarrest, rechtsoverweging 3.5.3). In een geval als dat van belanghebbende kan een gerealiseerd verlies op een valutatermijncontract daarom niet ter gelegenheid van de afwikkeling van dat contract in aanmerking worden genomen voor zover dit verlies correspondeert met een ongerealiseerde valutawinst op een vordering die in samenhang met dat contract moet worden gewaardeerd. Dit geldt ook indien die valutawinst niet onmiddellijk of slechts tegen een discount kan worden gerealiseerd doordat de desbetreffende vordering moeilijk verhandelbaar is.
(…).
3.2.2.
Bij de beoordeling van het middel wordt het volgende vooropgesteld. De waarde van een vermogensbestanddeel is afhankelijk van verschillende factoren. Zo is de waarde van een vastrentende vordering die een vaste looptijd heeft en luidt in vreemde valuta, niet alleen afhankelijk van de wisselkoers maar ook van het debiteurenrisico en het verloop van de marktrente. Elk van die factoren kan zelfstandig het fiscale resultaat beïnvloeden en de daarmee samenhangende risico’s kunnen afzonderlijk worden afgedekt. Voor de beantwoording van de vraag of een samenhangende waardering van een vordering en een daarmee samenhangend dekkingsinstrument is vereist, zal dan ook voor elk zodanig risico een afzonderlijke beoordeling moeten plaatsvinden (vgl. HR 10 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, hierna: het cacaobonenarrest, rechtsoverweging 5.5.1). Indien die beoordeling leidt tot de slotsom dat een bepaald risico op een dusdanige wijze is afgedekt dat een samenhangende waardering verplicht is, mag het afgedekte risico het fiscale resultaat niet beïnvloeden. Voor de overige risico’s dwingt goed koopmansgebruik niet tot een zodanige beperking.
3.2.3.
Indien op enig moment een zeer effectieve hedge tot stand wordt gebracht en als gevolg daarvan vaststaat of zo goed als zeker is dat een voordien opgetreden waardeontwikkeling van een nadien in samenhang te waarderen vermogensbestanddeel zal worden gerealiseerd, dient op dat moment het resultaat ter zake van die waardeontwikkeling in aanmerking te worden genomen. Verantwoording van dit resultaat op een later tijdstip zou niet stroken met het aan goed koopmansgebruik ten grondslag liggende realiteitsbeginsel.”
8.12
Lubbers (noot in BNB 2019/58) merkt op dat in het Kunstmest-arrest, net als in het Market maker-arrest het samenhangvereiste naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen en dat u u enkel richt op het correlatievereiste. Hoewel het correlatievereiste volgens Lubbers verreweg het belangrijkste criterium is voor samenhangende waardering omdat bij het bestaan van een ‘zeer effectieve hedge’ ook zal zijn voldaan aan het samenhangvereiste, vervult het samenhang-criterium vermoedelijk een nuttige rol als een dekkingsinstrument op meer vermogensbestanddelen kan zien. Nieuw aan het Kunstmest-arrest is volgens Lubbers dat samenhangende waardering nu ook de toerekening van baten volgens goed koopmansgebruik mede bepaalt:
“(…). In mijn noot bij het Marketmaker-arrest constateerde ik dat het samenhangvereiste naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen. In r.o. 3.5.1 van dat arrest overwoog de Hoge Raad:
“Een samenhangende waardering (…) moet plaatsvinden indien sprake is van een zeer effectieve hedge. Daarvan is sprake indien op balansdatum te verwachten is dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 percent (…).”
Ook in de onderhavige zaak richt de Hoge Raad zich enkel op het correlatievereiste (r.o. 3.1.3). Wel brengt hij impliciet tot uitdrukking dat aan het samenhangvereiste is voldaan door te spreken over ‘een vordering en een dekkingsinstrument’ (r.o. 3.1.2). Hoewel het correlatievereiste verreweg het belangrijkste criterium is voor toepassing van het leerstuk van samenhangende waardering – als er sprake is van een ‘zeer effectieve hedge’ zal ook zijn voldaan aan het samenhangvereiste – vervult het criterium vermoedelijk een nuttige rol indien een dekkings-instrument op meerdere vermogensbestanddelen betrekking kan hebben.42.
(…).
In de onderhavige Kunstmest-zaak verbindt de Hoge Raad een nieuw gevolg aan de toepassing van het leerstuk van samenhangende waardering. Tot het Kunstmest-arrest was het gevolg van samenhangende waardering enkel dat een (on)gerealiseerd verlies niet tot uitdrukking mag worden gebracht. In het Kunstmest-arrest wordt dit leerstuk ook van belang voor de toerekening van baten volgens goed koopmansgebruik. Als hoofdregel geldt dat ontvangsten pas in aanmerking behoeven te worden genomen uiterlijk op het tijdstip van levering van het vermogensbestanddeel. Slechts in uitzonderingsgevallen schrijft goed koopmansgebruik voor een activum vóór levering op te waarderen, met als gevolg dat ‘tussentijds’ winst wordt genomen.
In r.o. 3.2.3 overweegt de Hoge Raad dat “indien op enig moment een zeer effectieve hedge tot stand wordt gebracht en als gevolg daarvan vaststaat of zo goed als zeker is dat een voordien opgetreden waardeontwikkeling van een nadien in samenhang te waarderen vermogens-bestanddeel zal worden gerealiseerd, (…) op dat moment het resultaat ter zake van die waardeontwikkeling in aanmerking [dient] te worden genomen.” Het gaat hier – in de woorden van Niekel – om het ‘inlocken van latente winsten’.
Ik kan mij vinden in de door de Hoge Raad gegeven rechtsregel. Hoewel daadwerkelijke realisatie van het voordeel nog niet heeft plaatsgevonden – er heeft immers nog geen omzetting plaatsgevonden van het ene vermogensbestanddeel in het andere vermogensbestanddeel – kan het voordeel de belastingplichtige niet meer ontgaan. Onder die omstandigheden zou het inderdaad in strijd met het realiteitsbeginsel zijn om het voordeel nog niet in aanmerking te nemen. Het is vanuit het oogpunt van coherentie verstandig dat de Hoge Raad als criterium hanteert dat het voordeel ‘vaststaat of zo goed als zeker is’, woorden die hij ook gebruikt bij de verplichte vrijval van passiva (leidende tot winst).
(…).”
8.13
Het viel de redactie van Vakstudie-Nieuws (V-N 2019/11.8) op dat u voor de vraag of een hedge zeer effectief is, nadrukkelijk een economische invalshoek kiest met een bandbreedte van 80% tot 125%, maar bij de vraag of een voordeel wordt gerealiseerd, een juridische bril opzet en eist dat het (nagenoeg) zeker is dat het resultaat zal worden gerealiseerd. Economisch is er volgens de redactie maar weinig verschil tussen de situatie waarin een belastingplichtige een vordering in vreemde valuta verkoopt tegen euro’s en later vreemde valuta terugkoopt, en de situatie waarin diezelfde belastingplichtige een vordering in vreemde valuta voor een bepaalde periode afdekt qua valutakoersrisico. Het arrest lokt volgens de redactie uit dat belastingplichtigen met een latente winst altijd een hedge afsluiten met een kortere looptijd dan de onderliggende vordering en die dan ‘doorrollen’.
8.14
Ik meen dat de realiteit van een zeer effectieve valutahedge is dat geen valutakoersrisico wordt gelopen zolang en voor zover die hedge bestaat en dat daarom het realiteitsbeginsel in zoverre dwingt tot samenhangende waardering, ongeacht of de ondernemer die hedge beoogde en ongeacht het al dan niet bestaan van bedrijfseconomisch verband tussen vordering en schuld in dezelfde valuta.
8.15
Het staat de ondernemer uiteraard vrij om aannemelijk te maken dat hij andere risico’s op (bijvoorbeeld) dollarvordering(en) loopt, zoals een debiteurenrisico, en dat daarom een deel van de nominale waarde van de vordering moet worden afgeslagen, maar dat neemt niet weg dat op het wél-volwaardige deel van de dollarvordering geen valutarisico wordt gelopen als er een minstens even grote dollarschuld tegenover staat.
8.16
Ik meen daarom dat het cassatiemiddel van de Staatssecretaris in beide zaken doel treft.
8.17
In het geval u meent dat het al dan niet bestaan van een historisch-causaal verband tussen de dollarschulden en de Braziliaanse dollarvorderingen wél ter zake doet voor de vraag of zij samenhangend moeten worden gewaardeerd, komt de door de Staatssecretaris aan de orde gestelde vraag naar de bewijslastverdeling aan snee: moet de belanghebbende vanwege haar met betrekking tot de ondernemingsstrategie makkelijkere bewijspositie aannemelijk maken dat de evident negatieve correlatie tussen dollarvorderingen en -schulden géén gevolg is van bewuste risicobeperking of ondernemingsbeleid (maar toeval) of moet de Inspecteur aannemelijk maken dat de belanghebbende naar valutarisico-beheersing streeft (of streefde ten tijde van het ontstaan van de vorderingen en schulden) of anderszins bedrijfseconomisch verband bestaat tussen de dollarvorderingen en -schulden? Ik meen dat het alleen al vanwege het rijzen van de vraag naar ondernemersbewustzijn (en wie de aan- of afwezigheid ervan moet bewijzen) beter is om alleen naar de feitelijke correlatie te kijken, maar als het anders zou zijn, meen ik dat de bewijslast op de Inspecteur ligt, omdat (i) de hoofdregel is dat elk vermogensbestanddeel afzonderlijk moet worden gewaardeerd, (ii) het niet makkelijk is om te bewijzen dat iets er niet was (beleid of oogmerk) en (iii) de fiscus ex art. 47 AWR de belastingplichtige naar dier (valuta) hedging strategie kan vragen tot en met de bezwaarfase, en de belastingplichtige verplicht is om juist en volledig te antwoorden.
9. Het verrekenprijsgeschil; de correctie in verband met de Supply Agreement
Algemene opmerkingen
9.1
De uitkomst van het verrekenprijsgeschil wordt in belangrijke mate bepaald door de bewijslastverdeling. Belanghebbendes documentatie en administratie zijn in orde, zodat in uitgangspunt de Inspecteur aannemelijk moet maken dat niet marktconform is gehandeld (zie 9.10 e.v. hieronder), maar de bewijslast kan verschuiven als de belanghebbende de schijn tegen heeft of wekt, of zijn stellingen (sterk) afwijken van hetgeen volgens normale ervaringsregelen kan worden verwacht.43.De belanghebbende heeft ter zake van de surplusproductie opvallend afwijkend van haar identieke overige productie en van haar eigen TP Master File gehandeld en bij het Hof verbazing wekkende standpunten ingenomen over beweerdelijk al jarenlang voortdurende, vergaand onjuiste internationale winsttoerekening binnen het concern, die vergaand afwijken van ervaringsregels, zoals de redelijke verwachtingen dat een zeer groot internationaal beursgenoteerd concern fiscaal in control is en dat een concernvennootschap die door het concern zelf als fully fledged én preferred producer wordt aangemerkt, zich in ongelieerde verhoudingen niet zonder zeer goede reden (in afwijking van de in de TP Master File voorgeschreven uncontrolled price) contractueel zou laten afschepen als contract manufacturer. De feitenrechters hebben daarom de belanghebbende gevraagd om (i) een zakelijke verklaring voor de opmerkelijke afwijking die de supply agreement inhoudt van de TP Master File (die CUP voorschrijft) voor de niet van de overige productie en verkoop onderscheidbare surplusproductie van [D] , en (ii) onderbouwing van de nog opmerkelijker stelling dat in het concern al vele jaren honderden miljoenen winst verkeerd, nl. ten onrechte aan [D] zouden zijn gealloceerd. Die bewijslastverdeling lijkt mij niet onredelijk of in strijd met een goede procesorde. ’s Hofs oordeel komt er op neer dat de belanghebbende niet geslaagd is in een aannemelijke verklaring of onderbouwing. Hij heeft het door de belanghebbende overgelegde verrekenprijsrapport van [H] daarvoor volstrekt onvoldoende geacht omdat daarin [D] ten onrechte als least complex party wordt aangemerkt en noch de functionele analyse, noch de vergelijkbaarheidsanalyse deugt, terwijl die ‘uiterst summier onderbouwde’ functionele analyse vergaand afwijkt van de analyse in de sinds jaar en dag in het concern gebruikte TP Master File zonder dat daarvoor een verklaring wordt gegeven.
9.2
Uit ’s Hofs vaststellingen volgt dat [D] al haar winst op de surplusproductie (minus 5% van cost) naar [E] moest overmaken hoewel er feitelijk niets veranderde (r.o. 4.56.7.3): dezelfde ammonia en dezelfde kunstmestproducten worden nog steeds door [D] geproduceerd en nog steeds door haar voor dezelfde marktprijzen aan dezelfde gelieerde verkooporganisaties verkocht zonder onderscheid tussen oorspronkelijke productie en surplusproductie. Vóór de agreements ter zake van de surplusproductie werden gesloten, leverde [D] ook al dezelfde producten op dezelfde wijze aan [E] , zij het toen onder de voorwaarden van de TP Master File. Volgens ‘s Hofs vaststellingen (r.o. 4.56.7.2) zijn na, door of in verband met de Supply Agreement geen functies overgegaan van [D] naar [E] of haar andere groepsmaatschappijen. De productie- en logistieke processen zijn dezelfde gebleven. [E] heeft na het aangaan van de Supply Agreement geen bepaalde functies ten behoeve van het productie- of logistieke proces verricht, noch heeft zij geïnvesteerd in [D] . Evenmin is het kapitaalbeslag veranderd; [D] drijft haar onderneming met dezelfde activa als voor het sluiten van de Supply Agreement. Behoudens het productierisico op het surplus van 39% is het productierisico evenmin gewijzigd: [D] loopt voor de oorspronkelijke productiecapaciteit precies dezelfde risico’s als vóór het afsluiten van de Supply Agreement, en ook ter zake van de surplusproductie zijn alle andere dan verkooprisico’s niet veranderd of verplaatst, zoals het bezettingsrisico, calamiteiten, schades, grondstofkwaliteitsrisico's, machinefalen, valutarisico's, R&D-risico’s, etc. (r.o.4.56.18). De enige verandering ten opzichte van de situatie zonder Supply Agreement is een juridische overdracht van 39% verkooprisico van Nederland naar Zwitserland.
9.3
Het Hof heeft verder vastgesteld dat “ [D] binnen het [A] -concern (al jaren) de grootste en best presterende concernvennootschap (was)” en dat (r.o. 4.56.6) [D] de preferred producer van het concern was, waaraan de swing producenten van het concern hun productieniveau moesten aanpassen.
9.4
Volgens het Hof zou een dergelijke fully fledged producent van ammonia en kunstmestproducten nooit haar bestaande en bewezen overwinstcapaciteit, die door de nieuwe fabriek alleen maar beter werd, op een groot deel van haar productie voor 5% van cost afstaan aan een willekeurige derde in de markt. Dat roept om een verklaring door de belanghebbende. Verklaard moet worden waarom slechts 5% marge wordt gelaten aan de bewezen veel winstgevender ‘best presterende’ entrepreneur die alle functies blijft vervullen die zij daarvóór ook vervulde, behalve - op papier - 39% productierisicobeheersing, en waarom [D] ’s zéér omvangrijke restwinst voortaan maandelijks door haar werd overgemaakt naar een juridische overnemer van 39% productierisico zonder betekenis voor [D] ’s oorspronkelijke productie en zonder betekenis voor de kernfuncties van de surplusproductie, -logistiek, -distributie en -administratie, die alle bij [D] bleven.
9.5
Bij gebrek aan verklaring door de belanghebbende, houdt ‘s Hofs oordeel vervolgens wezenlijk in (i) dat een onderneming die onmiskenbaar de most complex entity is, niet met alleen maar een contract voor een willekeurig percentage (39%) van haar capaciteit veranderd kan worden in een routine-margeproducent op bestelling terwijl die onderneming tegelijk voor de identieke 61% overige productie fully fledged entrepreneur blijft en ook voor de 39% surplus feitelijk alles blijft zoals het was, en (ii) dat evenmin een Zwitserse concernvennootschap die niet ingevoerd is in [D] ’s productie(processen), logistiek, distributie en administratie, en die dus onmiskenbaar de least complex entity is, met alleen maar een contract voor een even willekeurig percentage (39%) kan worden veranderd in de fully fledged entrepreneur die [D] is en feitelijk ook voor die 39% blijft, te minder nu dat contract onmiskenbaar onverenigbaar is met het TP Master File van het concern en met de door dat contract niet relevant gewijzigde feiten.
9.6
Omdat een niet-gelieerde entrepreneur zoals [D] volgens het Hof nooit akkoord zou gaan met zo’n contract en dergelijke contracten volgens hem dan ook niet gesloten worden tussen niet-gelieerde partijen, is verzakelijking van de voorwaarden moeilijk denkbaar: voor een niet-bestaanbare transactie kunnen immers geen zakelijke voorwaarden bedacht worden. Ik acht die feitelijke oordelen niet onbegrijpelijk en daarom evenmin onbegrijpelijk ’s Hofs conclusie dat fiscaalrechtelijk uitgegaan moet worden van de situatie zonder de twee winstverschuivende agreements.
9.7
Civielrechtelijk komt dat oordeel neer op de vaststelling van een relatieve schijnhandeling: er zijn civielrechtelijk weliswaar zeker twee overeenkomsten, maar die hebben gezamenlijk een andere strekking dan de schijnbare. De partijen bij die overeenkomsten beogen niet om [E] voor 39% van [D] ’s productie de werkelijke entrepreneur te doen zijn, noch om [D] voor 39% van haar productie werkelijk slechts marge-fabrikant op bestelling te doen zijn (én tegelijkertijd voor 61% van haar identieke productie fully fledged entrepreneur te laten), maar om 39% van [D] ’s omvangrijke winst (minus 5% van cost) te verplaatsen van de Nederlandse naar de Zwitserse belastingjurisdictie.
9.8
Dat civielrechtelijk enigszins impliciete oordeel, gebaseerd op de aan cassatiecontrole onttrokken uitleg van de overeenkomsten, de TP Master File en de overgelegde accountants- en juristenrapporten en op de eveneens aan cassatiecontrole onttrokken waardering van feiten en bewijsmateriaal zoals verklaringen ter zitting, lijkt mij niet onbegrijpelijk. Ik acht het aanmerkelijk begrijpelijker dan belanghebbendes opzienbarende standpunten dat (i) in de verhouding tussen [E] en [D] de laatste de least complex entity zou zijn en (ii) [D] ter zake van identieke productie die op identieke wijze aan identieke partijen verkocht wordt tegen identieke prijzen tegelijkertijd zowel fully fledged entrepreneur (61%; mét risico) én contract manufacturer (39%; zonder risico) zou zijn, óf (iii) [D] - in flagrante strijd met het eigen TP Master File - al vele jaren – en nog steeds – honderden miljoenen euro’s te veel winst heeft aangegeven, waarbij onopgehelderd blijft aan wie die winst dan wél al die jaren toegerekend had moeten worden en waarom. Ik meen dat alle middelonderdelen daarop afstuiten, maar ga er volledigheidshalve op in.
Onderdeel (a): bewijslastverdeling
9.9
Ik merk over de bewijslastverdeling in aanvulling op het bovenstaande nog het volgende op.
9.10
Voor de belastingplichtige die onder art. 8b Wet Vpb valt, geldt volgens het derde lid van die bepaling een documentatieplicht. Uit de MvT volgt dat deze bepaling het oog heeft op beschikbaarheid van informatie benodigd om te beoordelen of de door de belastingplichtige gehanteerde prijzen en voorwaarden in gelieerde verhoudingen zakelijk zijn.44.Hoewel het niet voldoen aan de documentatieplicht de administratieplicht van art. 52(3) AWR schendt, wat tot omkering van de bewijslast kan leiden als de inspecteur een daartoe strekkende informatiebeschikking vaststelt, is met die documentatieplicht niet zozeer een wijziging in de bewijslastverdeling beoogd.45.Bij geschillen over verrekenprijscorrecties gelden dus geen bijzondere regels voor de bewijslastverdeling. Als die verdeling niet al uit de wet kan worden afgeleid, heeft de partij die een door haar gewenst rechtsgevolg inroept, de bewijslast van de daarvoor relevante feiten en omstandigheden.46.In de literatuur wordt dan ook verondersteld dat als hoofdregel geldt dat de inspecteur de bewijslast heeft dat de door een belastingplichtige gehanteerde prijzen niet at arm’s length zijn.47.
9.11
Zoals boven bleek, zijn beide feitenrechters daarvan ook uitgegaan: zij hebben de initiële bewijslast bij de Inspecteur gelegd, die daaraan voldaan heeft door te laten zien dat de belanghebbende op basis van de feiten en de vóór de agreements bestaande situatie bevreemdend en vergaand afwijkt van haar eigen eerdere beleid en van haar TP Master File en dat zij een bepaald opmerkelijke stelling inneemt over de winsttoerekening ter zake van de oorspronkelijke productie van 61%, die vergaand afwijkt van hetgeen in de vastgestelde omstandigheden naar ervaringsregelen mag worden verwacht bij een concern zoals dat van de belanghebbende. De belanghebbende is zelf van haar TP Master File én van haar bestaande en voor 61% van haar identieke productie ongewijzìgde TP-beleid afgeweken; zij heeft daarmee de bewijslast naar zichzelf doen verschuiven. Gelet op de vastgestelde feiten, ligt het niet voor de hand om na de onvermijdelijke vaststelling dat de feiten om een niet-BEPS-verklaring van de belanghebbende roepen, nog een zero base bewijspositie aan te nemen.
9.12
De belanghebbende klaagt verder dat het Hof bij de bewijslastverdeling ten onrechte de inhoudelijke beoordeling van te bewijzen stellingen heeft meegewogen. De mogelijke uitkomst van die beoordeling mag niet van invloed zijn op de bewijslastverdeling, aldus de belanghebbende. Zoals uit het bovenstaande volgt, is op de dynamiek van de tussen de partijen heen en weer gaande bewijslast wel degelijk van grote invloed de inhoudelijke onnavolgbaarheid van inconsistente stellingen van een belastingplichtige, die afwijken van (i) diens eigen beleid ter zake van 61% van dezelfde productie, (ii) diens eerdere verrekenprijzen jegens dezelfde gelieerde afnemer van dezelfde productie, (iii) diens eigen TP Master File, en (iv) ervaringsregelen,. De belanghebbende heeft aldus een moeilijk te weerleggen schijn tegen zichzelf gewekt. De onaannemelijkheid en onverklaarbaarheid van te bewijzen stellingen speelt wel degelijk een grote rol bij de vraag naar wie de bewijslast schuift ter zake van de onderbouwing dan wel ontzenuwing van die stellingen. Een aannemelijke stelling moet ontzenuwd worden door de andere partij; een onaannemelijke stelling moet onderbouwd worden door de steller.
Onderdeel (b): rechtskundige kwalificatie/ fiscaalrechtelijke interpretatie overeenkomsten
9.13
Ik meen dat middelonderdeel (b) afstuit op hetgeen hierboven, met name in 9.7, is opgemerkt.
Middelonderdelen (c) en (d) informele kapitaalstorting; bewustzijnsvereiste
9.14
Uit de toelichting op middelonderdelen (a) t/m (d) volgt dat de belanghebbende de verrekenprijscorrectie als een informele kapitaalstorting wil zien. Dat valt echter niet in het oordeel van de feitenrechters te lezen en is ook niet waar het geschil over gaat. Het lijkt mij een afleidingsmanoeuvre, bedoeld om de bewijslast af te schudden.
9.15
Het geschil gaat over de vraag of de verrekenprijzen die de belanghebbende met [E] is overeengekomen at arm’s length zijn. ’s Hofs oordeel dat dat niet het geval is, leidt volgens art. 8b(1) Wet Vpb tot een correctie, nl. een hogere dan de aangegeven winst bij de belanghebbende. De boekhoudkundige verwerking van die winstcorrectie aan de andere kant van de balans kan een informele kapitaalstorting in [E] zijn. De OESO-richtlijnen noemen die tweede correctieboeking de secondary transaction.48.De informele kapitaalstorting (constructive equity contribution) zien de OESO-richtlijnen als een mechanisme om een verrekenprijscorrectie boekhoudkundig te verwerken.49.De rechtsgrond voor de litigieuze correctie is art. 8b Wet Vpb en niet art. 3.8 Wet IB 2001.
9.16
De belanghebbende betoogt in middelonderdelen (b) t/m (d) dat voor een informele kapitaalstorting in concernverhoudingen aan het bewustheidsvereiste moet zijn voldaan. Voor zover dit betoog inhoudt dat dit ook geldt voor een verrekenprijscorrectie, gaat het volgens mij uit van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de parlementaire geschiedenis50.van art. 8b Wet Vpb volgt dat bevoordelingsbewustheid bij verrekenprijscorrecties is geobjectiveerd. Het arm’s length-beginsel is een objectieve maatstaf voor de bepaling van een zakelijke verrekenprijs. Een afwijking van die objectieve maatstaf betekent, aldus de MvT, dat het vermoeden ontstaat en daarmee het begin van bewijs is geleverd dat het voor- of nadeel dat hierdoor voor het betrokken lichaam is ontstaan, zijn oorzaak vindt in de gelieerdheid tussen de betrokken lichamen. Waardoor de last om dat redelijke vermoeden te ontzenuwen dus bij de afwijker ligt.
9.17
Hierop stuiten mijns inziens de middelonderdelen (b) t/m (d) af.
Middelonderdeel (e) – de functies van [E]
9.18
De belanghebbende klaagt dat het Hof bij de vraag of het productierisico ter zake van het surplus aan [E] kan worden overgedragen, ten onrechte geen enkele aandacht heeft besteed aan de door [E] uitgeoefende functies.
9.19
Het Hof heeft wel degelijk, zoals ook de belanghebbende zelf vaststelt, uitdrukkelijk onderkend dat voor beantwoording van die vraag moet worden vastgesteld welke functies door [D] en [E] worden uitgeoefend en of, gezien die functies, in niet-gelieerde verhoudingen eenzelfde Supply Agreement bestaanbaar zou zijn. Ook overigens berust deze klacht mijns inziens op verkeerde lezing van ‘s Hofs uitspraak, zoals onder meer blijkt uit ’s Hofs r.o. 4.56.7.2:
“De Supply Agreement die is aangegaan door [D] en [E] heeft er niet toe geleid dat de voorwaarden zoals opgenomen in de Master Agreement zijn gewijzigd. In de bedrijfsvoering van [E] is na het aangaan van de Supply Agreement evenmin iets gewijzigd. Er zijn in vergelijking met de situatie van voor de Supply Agreement geen functies overgegaan naar [E] of andere groepsmaatschappijen. Het productieproces noch het logistieke proces heeft enige wijziging ondergaan. Evenmin heeft [E] na het aangaan van de Supply Agreement bepaalde functies ten behoeve van het productie- of logistieke proces verricht of heeft zij investeringen gedaan in [D] .”
9.20
Ook uit r.o. 4.56.18 blijkt dat het Hof wel degelijk de door [E] uitgeoefende functies heeft onderzocht:
“Daarbij dient bedacht te worden dat na het sluiten van de Supply Agreement voor wat betreft de uitgeoefende functies en de gedane investeringen (nagenoeg) niets veranderd is. [D] is precies dezelfde functies blijven uitoefenen als daarvoor: er zijn geen functies overgegaan naar [E] , noch zijn bij [E] nieuwe functies ontstaan om invulling te geven aan de Supply Agreement. Evenmin is er iets veranderd met betrekking tot het kapitaalbeslag; [D] drijft haar onderneming met precies dezelfde activa als voor het sluiten van de Supply Agreement. Behoudens het productierisico met betrekking tot het surplus van 39% is eveneens niets veranderd aan het productierisico. [D] loopt ten aanzien van de 61%-productie precies hetzelfde productierisico als voor het afsluiten van de Supply Agreement. Alle overige risico's, zoals het bezettingsrisico. calamiteiten, schades, risico's met betrekking tot de kwaliteit van de grondstoffen, machinetalen, valutarisico's, risico's met betrekking tot research en development activiteiten. etc, zijn eveneens dezelfde gebleven.”
9.21
De belanghebbende acht dat oordeel onbegrijpelijk omdat zonder toelichting, die het Hof volgens belanghebbende niet heeft gegeven, niet zou zijn in te zien dat en waarom tussen onafhankelijke partijen een dergelijke verschuiving van winstcapaciteit niet zou kunnen worden overeengekomen als daarbij een adequate vergoeding wordt bedongen.
9.22
Ook dit lijkt mij een poging om de op de belanghebbende rustende bewijslast af te schudden: het is aan haar om die bestaanbaarheid aannemelijk te maken in een geval waarin 61% van de volstrekt identieke productie en alle functies bij de producent blijven en om aannemelijk te maken dat de door haar overeengekomen vergoeding voor de winstverschuiving ook in de markt zou kunnen zijn overeengekomen. Voor zover de klacht inhoudt dat het Hof op zoek had moeten gaan naar een (hogere) vergoeding die wél in ongelieerde verhoudingen zou kunnen zijn overeengekomen, geldt eveneens dat de belanghebbende eerst aannemelijk zal moeten maken zo’n onnavolgbare 61%/39%-splitsing tussen ongelieerde partijen in de markt bestaanbaar is. Pas daarna kan zinvol over beprijzing ervan gepraat worden. Ik acht het niet onbegrijpelijk dat het Hof, gegeven de vast staande vreemde feiten, geconcludeerd heeft dat niet alleen een in ongelieerde verhoudingen irrationale transactie is aangaan, maar ook, gegeven die vreemde feiten, met name de kunstmatige opsplitsing in 61% en 39% van identieke risico’s, dat er niets zakelijks tussen derden van te maken valt. Zoals annotator Van Horzen (zie 5.22 hierboven) opmerkte: het zou misschien nog gekund hebben bij een greenfield activiteit, maar de 39% extra productie is identiek aan de producten die de belanghebbende al produceerde. Zoals annotator Hafkenscheid (zie 5.23 hierboven) opmerkte: als er qua functies niets is veranderd, is het niet mogelijk dat de belanghebbende het benodigde instrumentarium en de benodigde functies niet zou hebben voor 39% van haar identieke productie en wél voor de originele capaciteit van 61%.
9.23
Het Hof heeft, mijns inziens geheel in lijn met § 1.65 van de OESO-richtlijnen, de transactie fiscaal geherkwalificeerd naar haar werkelijke strekking (een relatieve schijnhandeling die niet strekte tot overdracht van functies en risico’s waar aanspraak op de restwinst bij hoort, maar een papieren winstverschuiving om fiscale redenen) en vervolgens bezien welke niet fiscaal gedreven beloning daarbij zou horen voor [E] , nl. nihil. Als géén functies zijn overgenomen door [E] , kan daar ook geen prijs aan gehangen worden, laat staan enige aanspraak, hoe klein ook, op een aandeel in de zeer omvangrijke restwinst boven 5% van cost.
9.24
Dan resteert voor de toepassing van art. 8b(1) Wet Vpb terugvallen op de eigen TP Master File van de belanghebbende. Dat is geenszins onbegrijpelijk.
Middelonderdeel (f) – heeft [D] (veel) te veel winst aangegeven?
9.25
De belanghebbende betoogt dat het Hof bij de beoordeling van de fiscale gevolgen van de Supply Agreement geen aandacht heeft besteed aan de winstgevendheid van [D] in haar geheel, inclusief de winst op de oorspronkelijke 61% productie. Het Hof heeft te veel nadruk gelegd op de specifieke transactie ter zake van de 39% surplusproductie. Zij wijst op het auto-importeursarrest HR BNB 2002/343 ten betoge dat het Hof had moeten bezien of een derde in alle rechten en plichten van [D] (ter zake van de volle productie) zou hebben willen treden. Ik begrijp deze stelling aldus dat het voor een derde, ondanks de Supply Agreement, nog steeds aantrekkelijk kon zijn, gegeven de winst op de originele productiecapaciteit, om de volledige positie van [D] over te nemen en dat het Hof dat had moeten onderzoeken.
9.26
Ik meen dat het Hof niet verweten kan worden géén vergezochte interne-compensatieredenering in belanghebbendes standpunten in hoger beroep te hebben ontwaard en hij dat hij ook bij ontwaring niet gehouden zou zijn geweest om er op in te gaan, gegeven het gebrek aan concretisering en substantiëring van deze vergezochte stelling. Niet valt in te zien, aldus terecht de Staatssecretaris, op welke wijze en door welke specifieke andere, eveneens onzakelijke transacties van [D] zij miraculeus per saldo op een overall arm’s length winst zou uitkomen. Dit betoog lijkt mij belanghebbendes positie eerder te verzwakken dan te versterken omdat het impliceert dat de voorwaarden voor de 39% surplusproductie voor niet-gelieerde partijen (aanzienlijk) onaantrekkelijker waren dan die voor de 61%, welk verschil dan opnieuw om een overtuigende verklaring door de belanghebbende roept. De bij het Hof ingenomen stelling dat het TP Master File van het concern [D] ’s winst op de oorspronkelijke 61% productiecapaciteit tot 2012 stelselmatig te hoog bepaalde (en nog steeds), is zodanig innerlijk tegenstrijdig en vergezocht dat er moeilijk serieus op in te gaan valt. Met name is onbegrijpelijk dat vanaf 2012 dan niet ook ter zake van die 61% alle winst boven 5% van cost aan andere concernonderdelen (welke?) is toegerekend (op welke basis?), waardoor het beweerdelijke, voor een derde zo aantrekkelijke, compenserende onzakelijke winstoverschot juist niet zou bestaan. Hoe dan ook lag de bewijslast ter zake van de voor substantiëring van deze interessante stelling benodigde feiten en omstandigheden bij de belanghebbende, die daaraan volgens het Hof niet heeft voldaan, hetgeen mij een verre van onbegrijpelijk bewijsoordeel lijkt.
Middelonderdeel (g) – supply agreement voorzienbaar nadelig voor [D] ?
9.27
Het Hof heeft vastgesteld dat bij het sluiten en verlengen van de Supply Agreement het zakelijk belang van [D] /belanghebbende onvoldoende is meegewogen, in afwijking van wat in niet-gelieerde verhoudingen zou zijn gebeurd. De overdracht van het productierisico met betrekking tot het surplus van 39% was niet in het belang van [D] /belanghebbende, zeker niet met het oog op de investering van € 400.000.000 in de nieuwe fabriek en het risico dat als gevolg van die overdracht de investering niet zou kunnen worden terugverdiend. Middelonderdeel (g) betoogt dat het Hof daarbij ten onrechte voorbij is gegaan aan een stelling van de belanghebbende (uit de conclusie van repliek bij het hoger beroep) die, aldus belanghebbende, iets zegt over de ten tijde van het sluiten van de Supply Agreement bestaande verwachtingen over de exploitatie van het Surplus. In de kern komt die stelling erop neer dat de investering in de fabriek paste in de strategie van [A] om zich te concentreren op specialties, relatief nieuwe producten, waarvan de productie met risico was omgeven omdat de mogelijkheid bestond dat de vraag zou achterblijven. Om te voorkomen dat de productiecapaciteit van de fabriek niet volledig benut zou kunnen worden, heeft [A] daarom oorspronkelijk besloten om het surplus toch te gebruiken voor de productie van een ‘basisproduct’. Daarvan werd in 2011 verwacht dat de prijzen zouden gaan dalen, aldus belanghebbende.
9.28
Het Hof constateerde dat het financiële effect van de contractuele overdracht van het productierisico ter zake van het surplus zeer groot is. Zou de Supply Agreement niet zijn gesloten, dan zou [D] /belanghebbende in 2012 tot en met 2019 in totaal (naar verwachting) ruim € 135.000.000 meer winst hebben gerealiseerd. Dit hogere bedrag aan winst zou zich in alle jaren hebben gemanifesteerd, behoudens in 2018 in welk jaar de aanwezigheid van de Supply Agreement ertoe zou hebben geleid dat geen verlies zou zijn geleden. Dat de winst op basis van de cost plus 5% beloning (veel) minder zou bedragen dan de te realiseren winst op het surplus, achtte het Hof voorzienbaar. Hij baseerde zich daarvoor op de in het verleden behaalde resultaten: In 2002 t/m 2011 was het rendement in de meeste jaren véél hoger dan een cost plus 5% beloning. In 2002 t/m 2011 bedroeg het EBIT-percentage: 2002: 19,1%, 2003: 19,6%, 2004: 30,8%, 2005: 24,7%, 2006: 12,5%, 2007: 23,6%, 2008: 28,5%, 2009: 3,6%, 2010: 23,3% en 2011: 29,1%. Het Hof nam daarbij in acht dat de kans groot was dat deze percentages voor 2012 en de jaren daarna nog voor verbetering vatbaar waren, gegeven de toegenomen schaalgrootte, die van groot belang is voor kostenefficiënt produceren. Het Hof achtte het niet aannemelijk dat in niet-gelieerde verhoudingen een ondernemer zoals [D] /belanghebbende, gegeven de gerealiseerde EBIT-percentages in de tien voorafgaande jaren, de (hoge) restwinst op een groot deel van de identieke productie zou inwisselen voor een risicoloos rendement van 5% op cost ook al gaat het mogelijk om een volatiele markt. De verschillen tussen de in het verleden gerealiseerde EBIT-percentages en een risicoloos rendement van 5% van cost is daarvoor simpelweg (veel) te groot, aldus het Hof.
9.29
Het Hof overweegt dat op basis van het voorgaande, dus achteraf, kan worden vastgesteld dat zonder de agreements de winsten van [D] /belanghebbende veel hoger zouden zijn geweest en dat de Supply Agreement niet de zakelijke belangen van belanghebbende heeft gediend. Het Hof heeft ook geoordeeld dat ook ten tijde van het besluit om het productierisico van 39% van de productie contractueel over te dragen aan [E] er al sterke aanwijzen waren dat de Supply Agreement tegen de zakelijke belangen van [D] /belanghebbende indruiste en dat zo’n besluit in ongelieerde verhoudingen niet zou zijn genomen. [D] droeg immers het risico van de investering van € 400 miljoen en was voor haar rente- en aflossingsverplichtingen afhankelijk van het rendement op de surplusproductie. [D] was bovendien al jaren de grootste en best presterende concernvennootschap. Door het besluit om een groot deel van het productierendement over te dragen aan [E] is [D] voor een belangrijk deel de mogelijkheid ontnomen om een goed rendement te behalen, aldus het Hof, terwijl de kans op een goed rendement – (veel) beter dan cost plus 5% - zeer reëel was. De rendementen van [D] /belanghebbende waren al zeer goed en met de nieuwe fabriek en het grotere productievolume was de verwachting dat nog kostenefficiënter en dus nog winstgevender geproduceerd zou kunnen worden. Het Hof vindt het verder – niet onbegrijpelijk - opmerkelijk dat de Supply Agreement pas na ingebruikneming van de fabriek is gesloten, op 14 september 2011. Dat de beslissing daartoe al (veel) eerder genomen zou zijn, bijvoorbeeld ten tijde van de investeringsbeslissing, is gesteld noch gebleken. Aangenomen moet daarom worden dat de investeringsbeslissing in 2007 en de daaruit voortvloeiende verplichtingen destijds beoordeeld zijn ervan uitgaande dat de hele productiecapaciteit zou worden ingezet om de noodzakelijke rendementsverwachtingen te realiseren.
9.30
Deze feitelijke onderbouwing van ‘s Hofs oordeel dat de supply agreement niet in [D] ’s belang was, acht ik geenszins onbegrijpelijk. Het lag op de weg van de belanghebbende om op te helderen waarom ná ingebruikneming van de fabriek, vier jaar na de investeringsbeslissing, opeens tot een heel andere business case werd besloten dan op het beslissende moment van aangaan van verplichtingen in 2007 en hoe dat [D] ’s belang diende. De uiteenzetting over - niet-uitgevoerde - voornemens tot specialties-productie kon het Hof daartoe onvoldoende achten. Wat niet gebeurd is, kan een onzakelijke beprijzing van wat wél gebeurd is niet verzakelijken.
9.31
Het is moeilijk het betoog in dit middelonderdeel te volgen, gegeven ook dat de Supply Agreement na vijf jaar zonder enige vorm van evaluatie stilzwijgend is verlengd, hoewel [D] /belanghebbende toen wist dat haar na die vijf jaar per saldo circa al € 118.600.000, dus gemiddeld al ruim € 23.700.000 per jaar aan winst was ontgaan door de Supply Agreement. In een niet-gelieerde verhouding ondenkbaar, aldus kort samengevat ’s Hofs oordeel. Geenszins onbegrijpelijk, lijkt mij.
Middelonderdeel (h) – rente- en aflossingsverplichtingen
9.32
De belanghebbende herhaalt in cassatie hetgeen zij in hoger beroep aanvoerde: dat het Hof bij zijn oordeel dat de Supply Agreement tegen de zakelijke belangen van [D] /belanghebbende indruiste ten onrechte mede van belang heeft geacht dat [D] risico liep over de investering in de fabriek en afhankelijk was van het productierendement om te kunnen voldoen aan haar rente- en aflossingsverplichtingen. [D] kan met cost plus 5% een goed rendement halen op de productie en dat voorzienbare rendement stelt haar in staat om aan haar rente- en aflossingsverplichtingen te voldoen, aldus de belanghebbende. Dat blijkt ook uit de berekeningen die zij als bijlage V bij repliek aan het Hof heeft verstrekt, die op basis van gegevens uit 2020 tot de conclusie voert dat de jaarlijkse cashflow op basis van de Supply Agreement ruim voldoende is om de rentelasten en aflossingen te dragen.
9.33
Ook als dat zo is, is daarmee geenszins aannemelijk gemaakt dat de supply agreement het zakelijke belang van [D] diende, noch maakt het ’s Hofs oordeel dat dat belang niet werd gediend onbegrijpelijk. ’s Hofs oordeel dat [D] risico liep over de investering van € 400.000.000 in de fabriek en afhankelijk was van het productierendement voor haar rente- en aflossingsverplichtingen lijkt mij niet voor bestrijding vatbaar en kan niet los gezien worden van zijn eveneens feitelijke en begrijpelijke oordeel dat de kans op een goed rendement – (veel) beter dan cost plus 5% - zeer reëel moest worden geacht in zowel het investeringsbeslissingsjaar als het ingebruiknemingsjaar. Dat met minder rendement dan de volle restwinst wellicht evenzeer aan de rente- en aflossingsverplichtingen voldaan had kunnen worden, is irrelevant voor de vraag of het ná ingebruikneming van de investering afzien van de verwachte hoge restwinst zakelijk was.
9.34
Ook dit onderdeel strandt.
Middelonderdeel (i) – de organisatie van de productiefunctie; fully fledged?
9.35
Het Hof heeft volgens de belanghebbende een verkeerd beeld van de organisatie van de productiefunctie binnen het [A] concern. Zij heeft in de processtukken aan de hand van de geconsolideerde jaarrekening van [B] toegelicht welke strategische en operationele risico’s het concern loopt. Daarbij heeft zij uiteengezet welke onderdelen van het concern bepaalde kernfuncties uitoefenen. Volgens de belanghebbende volgt daaruit dat veel van de functies die het Hof heeft toegeschreven aan [D] , worden uitgevoerd door andere groepsvennootschappen. Zij wijst erop dat aardgas in 2012 en in 2013 werd ingekocht in België en dat de daar gevestigde CPOO-afdeling (door het Hof aangeduid als PMO51.) verantwoordelijk was voor de interne verkoop en coördinatie van het transport. Doordat ’s Hofs oordeel voorbij gaat aan deze volgens de belanghebbende onweersproken feiten, is het volgens de belanghebbende onbegrijpelijk.
9.36
Het Hof heeft in 4.56.12 de TP Master File geciteerd:
“As mentioned previously, all internal sales are in practice facilitated by the Product Management and Optimization Unit (PMO). The functions of the PMO were described above under Business Strategies”.
Het Hof heeft verder in r.o. 4.56.15 overwogen dat het gegeven dat [D] wordt beloond voor bepaalde functies en te lopen risico’s niet betekent dat bepaalde (ondersteunende) diensten niet intern of extern door haar kunnen worden uitbesteed. Hierin is ook voorzien in de TP Master File, die een rol toebedeelt aan PMO. Het Hof heeft in dat verband onderdeel 4.3.3 - Business strategies van de TP Master File geciteerd:
“In order to facilitate efficient and optimal allocation of products to the sales units, [A] has an central planning group referred to as the Product Management and Optimization Unit (PMO). The PMO contributes to achieving [A] ’s business strategy by implementing [A] 's global transfer pricing policy and ensuring that [A] sells products to the best markets. The PMO further ensures that the company utilizes distribution opportunities as they arise. They do this by matching the production volume, timing and product allocation of the Sellers with the sales activities of the Buyers. Due to the seasonality of fertilizer sales within a given geographical market, the balancing of the demand in order to allow for maximum capacity utilization at the plants is of critical importance.
The PMO annually collects and reviews information about sales plans, production plans and prices for the next year. Based on this information, a recommendation as to allocation of products to the different business units is made. Once approved by the plants, this Business Plan is meant to ensure that the company as a whole is selling product to the best markets.
In addition, the PMO sends out a price and volume commitment sheet monthly to the Buyers. On this worksheet, the sales units input the volumes that they would like to purchase and provide information with regard to the market price and any relevant factors affecting the transfer price. This allows the PMO to monitor the various world markets to ensure that [A] is selling-into the best markets when product is in short supply. The costs associated with the PMO are accumulated and shared equally amongst Sellers and Buyers based on production volumes and sales volumes respectively.”
Het Hof is dus geenszins voorbijgegaan aan de functie van de CPOO-afdeling en heeft wel degelijk onderkend dat aardgas door een andere concernvennootschap werd ingekocht. In r.o. 4.56.12 citeert het Hof een deel van Section 4A - Sale of finished fertilizer van de TP Master File, dat ingaat op de verkopen door de producenten zoals [D] aan de gelieerde verkooporganisaties. Het Hof citeert in r.o. 4.56.12 in het bijzonder uitgebreid uit 4.3.4 van Section 4A waarin de functionele analyse is opgenomen en in r.o. 4.56.12 uit de samenvatting waarmee de functionele analyse wordt afgesloten en die als volgt luidt:
“4.3.4.4 Summary functional analysis
Based on the above functional analysis the parties to the transaction can best be characterized as follows:
For the purpose of this transaction, the Sellers may be characterized as fully-fledged manufacturers.”
9.37
Het Hof heeft die functionele analyse geenszins onbegrijpelijk aldus verstaan dat het [A] -concern de producenten zoals [D] als fully fledged manufacturers aanmerkt, gebaseerd op de functies die door die producenten worden uitgevoerd, de door die producenten gelopen risico’s en de door die producenten gebruikte activa. Daarbij heeft het Hof onderkend dat de inkoop van aardgas door een andere vennootschap van het concern plaatsvindt, maar dat het risico van de fluctuerende marktprijs van aardgas ligt bij de producenten zoals [D] .
9.38
Ook middelonderdeel (i) strandt dus.
Middelonderdeel (j) – rendement op de investering in de fabriek
9.39
De belanghebbende acht ’s Hofs oordeel ook onbegrijpelijk omdat het uitgaat van een risicoloos rendement van 5%. Zij heeft in de processtukken gemotiveerd en onweersproken gesteld dat [D] een hoger rendement heeft gehaald op de investering in de surplusproductie. Bij repliek voor het Hof heeft zij uiteengezet dat [D] op basis van de Supply Agreement een goed rendement kan halen op haar investering in de fabriek. Daartoe heeft zij een internal rate of return (IRR)-berekening verstrekt aan het Hof. Dat is haars inziens een gebruikelijke methode om het rendement van een investering te berekenen. Zij heeft het rendement op de investering in de surplusproductie aldus berekend op ongeveer 8,6% na belasting en inflatie.
9.40
Ik meen dat dit onderdeel berust op verkeerde lezing van ’s Hofs uitspraak. Volgens mij bedoelt het Hof, gezien zijn omschrijving van de cost plus 5% als een verrekenprijs die bestaat uit de kostprijs vermeerderd met een opslag van 5%, een risicoloos rendement van 5% op de kosten. Dat volgt ook uit het feit dat het Hof de cost plus 5% vergelijkt met de EBIT-percentages. Ook als juist zou zijn dat het Hof IRR-berekeningen en niet de cost plus had moeten vergelijken met de EBIT-percentages (na correctie voor rente, belasting en inflatie, dan nog maakt dat geenszins onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd ’s Hofs oordeel dat het sluiten - en zeker het klakkeloos verlengen - van de Supply Agreement het zakelijk belang van [D] /belanghebbende onvoldoende diende om als zakelijk beschouwd te kunnen worden. Die beoordeling moet plaatsvinden op het moment waarop de Supply Agreement werd aangegaan c.q. klakkeloos werd verlengd.
9.41
Ook middelonderdeel (j) strandt mijns inziens.
Middelonderdeel (k) – hoe en wanneer moet onzakelijkheid verzakelijkt worden?
9.42
Het Hof heeft geoordeeld dat uitvoering aan de Supply Agreement onzakelijk was. Op grond van art. 8b Wet Vpb moet dan gecorrigeerd worden naar een resultaat dat vergelijkbaar is met de winst die onafhankelijke ondernemingen onder vergelijkbare omstandigheden met vergelijkbare transacties zouden behalen. Volgens het Hof zou de Supply Agreement in niet-gelieerde verhoudingen niet zijn overeengekomen en zou niet maandelijks winst zijn overgeheveld naar [E] . Het maandelijkse onzakelijke handelen moet volgens het Hof dan ook maandelijks gecorrigeerd worden.
9.43
De belanghebbende meent dat als concernvennootschappen een overeenkomst sluiten die niet tussen ongelieerden gesloten zou zijn, niet zonder meer tot de conclusie voert dat die overeenkomst onzakelijk is, en te minder tot de conclusie dat die overeenkomst bij de toepassing van het arm’s length beginsel dan fiscaal geheel kan worden genegeerd. Volgens de belanghebbende had het Hof, uitgaande van het oordeel dat de Supply Agreement niet tussen onafhankelijke derden tot stand zou zijn gekomen en uitgaande van een juiste rechtsopvatting, behoren te motiveren (i) dat de Supply Agreement geen zakelijk karakter heeft en (ii) waarom fiscaal volledig aan de Supply Agreement moet worden voorbijgegaan en niet kan worden volstaan met een minder vergaande correctie. Wat dit laatste betreft, had het Hof volgens de belanghebbende met name moeten toelichten waarom het (veronderstelde) onzakelijke karakter niet kan worden hersteld door aan te nemen dat [E] bij het sluiten van de Supply Agreement een vergoeding aan [D] zou hebben betaald gelijk aan de geschatte contante waarde van het contract.
9.44
Ik meen dat ook dit onderdeel een poging is om anderen te belasten met de op de belanghebbende rustende bewijslast en dat het voor het overige grotendeels een herhaling van andere onderdelen is. Ik verwijs naar de onderdelen 9.6, 9.7 en 9.13 hierboven. De belanghebbende miskent dat voor een niet-bestaanbare transactie geen zakelijke voorwaarden bedacht kunnen worden en dat als dat wel mogelijk zou zijn (hetgeen de belanghebbende aannemelijk zou moeten maken), het op haar weg zou liggen om de zakelijkheid van een andere correctie dan op basis van de kwalificatie ‘relatieve schijnhandeling’ aannemelijk te maken.
9.45
Middelonderdeel (k) strandt.
Middelonderdeel (L) – correctie eenmalig in 2011 in plaats van maandelijks?
9.46
Middelonderdeel (L) ziet op ’s Hofs oordeel dat de Supply Agreement niet kan worden genegeerd en het oordeel dat het daarin overeengekomen onzakelijke handelen op grond van art. 8b Wet Vpb maandelijks moet worden gecorrigeerd in de maanden waarin onzakelijk werd gehandeld. Dit oordeel berust volgens de belanghebbende op verkeerde uitleg van art. 8b Wet Vpb en de artikelen 3.2 en 3.25 Wet IB 2001 in samenhang met art. 8b Wet Vpb. Zij vindt het oordeel ook innerlijk tegenstrijdig omdat het Hof enerzijds (terecht) vooropstelt dat de Supply Agreement niet kan worden genegeerd – waarmee het Hof volgens haar niet anders kan hebben bedoeld dan dat de Supply Agreement fiscaal niet kan worden genegeerd – en het anderzijds aan de Supply Agreement fiscaal volledig voorbijgaat en het uitvoering geven aan de Supply Agreement corrigeert. De belanghebbende herhaalt dat als het de Supply Agreement als zodanig is die tot verschuiving van winstcapaciteit en dus tot een vermogensverschuiving van [D] naar [E] heeft geleid, de fiscale correctie moet plaatsvinden in het jaar waarin die verschuiving plaatsvond, te weten in 2011.
9.47
Zoals ook al in 9.6 en 9.7 opgemerkt, bedoelde het Hof met de opmerking dat de Supply Agreement niet kan worden genegeerd, het civielrechtelijke bestaan en de civielrechtelijke implicaties van die overeenkomst. De overeenkomst bestond geenszins slechts in schijn, maar had een andere fiscaalrechtelijke strekking dan de civielrechtelijke bewoordingen suggereerden. Fiscaalrechtelijke interpretatie van die overeenkomst naar zijn werkelijke (fiscale) strekking leert dat maandelijks onzakelijk winst wordt overgeheveld en dat de arm’s length correctie van die maandelijkse winstverplaatsing dus ook maandelijks moet plaatsvinden. De werkelijke (fiscale) strekking van de civielrechtelijke overeenkomst was niet om eenmalig alle toekomstige winst reeds in 2011 naar [E] te verplaatsen, maar om de maandelijkse restwinst boven cost plus 5% elke maand met overmaking van de maandopbrengst minus cost plus 5% naar Switzerland over te maken. Zo staat het immers in de in dat opzicht niet te negeren agreement.
9.48
Ook onderdeel (L) strandt.
10. Conclusie
10.1
Ik geef u in overweging de cassatieberoepen van de belanghebbende ongegrond te verklaren en de cassatieberoepen van de Staatssecretaris gegrond te verklaren.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑02‑2023
Verweerschrift in eerste aanleg
Uitspraak op bezwaar, p. 1.
Controlerapport van 14 november 2018 met betrekking tot de vennootschapsbelasting 2013 t/m 2015, p. 29, bijlage 5 bij het beroep tegen de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag Vpb 2013.
De Staatssecretaris merkt in zijn beroepschrift op dat het Hof in r.o. 2.25 vermeldt dat de inspecteur het aangegeven belastbare bedrag heeft verhoogd met € 4.227.785 in verband met de gestelde samenhang tussen USD-schuld I, USD-schuld II en de Braziliaanse vorderingen. Dat is volgens de Staatssecretaris echter niet de correctie maar het bedrag van de ongerealiseerde verliezen op deze vorderingen in 2012. De inspecteur heeft bij de aanslagregeling correcties in verband met de samenhangende waardering van vorderingen en schulden in USD aangebracht van in totaal € 56.386.165 (zie r.o. 2.4).
Ik begrijp dat gedeputeerde staten van Zeeland een deel van de Wm-vergunning (Wet milieubeheer) voor het verladen van zeeschepen met ammoniak (zeer giftig) hadden ingetrokken, maar daarna een nieuwe vergunning voor de fabriek verleenden omdat [D] meewerkte aan vermindering van transport van ammoniak en aan transport met aanvaringsbestendige binnenvaartschepen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 11 november 2019, nr. 17/4994, ECLI:NL:RBZWB:2019:4920, NLF 2020/0222 met noot Van den Brekel, NTFR 2020/277 met noot Van Horzen, FutD 2020-0007 en V-N 2020/8.10.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juli 2022, nr. 18/8616, ECLI:NL:RBZWB:2022:4115, NLF 2022/1678 met noot Antonisse, NTFR 2022/3224 met noot Van Tilburg, FutD 2022-2203.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juli 2022, nr. 18/8616, ECLI:NL:RBZWB:2022:4115, r.o. 4.3.2, NLF 2022/1678 met noot Antonisse, NTFR 2022/3224 met noot Van Tilburg, FutD 2022-2203.
Hof Den Bosch 13 april 2022, nrs. 19/00771 en 19/00779, ECLI:NL:GHSHE:2022:1198, FutD 2022-1377, NLF 2022/1038 m.nt. Ronald van den Brekel, NTFR 2022/2364 m.nt. F. van Horzen, V-N 2022/31.1.3, FED 2022/91 m.nt. Hafkenscheid.
Hoge Raad 8 februari 2019, nr. 17/02617, ECLI:NL:HR:2019:199, BNB 2019/58 met noot Lubbers, FED 2019/52 met noot Russo, NLF 2019/0455 met noot Van Horzen, NTFR 2019/470 met noot Bruijsten, NTFR-B 2019/16 met noot Bruins Slot.
Hoge Raad 10 april 2009, nr. 42916, ECLI:NL:HR:2009:AZ7364, BNB 2009/271 met noot Van der Geld, FED 2009/52 met noot Verhagen en V-N 2009/18.19.
Hoge Raad 16 november 2007, nr. 42970, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, BNB 2008/26 met noot Cornelisse, FED 2008/13 met noot Verhagen en V-N 2007/55.16.
Hoge Raad 21 maart 2014, nr. 12/02793, ECLI:NL:HR:2014:635, BNB 2014/116 met noot Lubbers, FED 2004/35 met noot Cornelisse, JOR 2014/188 met noot Van der Voort Maarschalk en NTFR 2014/1118 met noot Ligthart.
Hoge Raad 23 januari 2004, nr. 37893, ECLI:NL:HR:2004:AI0670, BNB 2004/214 met noot De Vries, NTFR 2004/99 met noot Antonisse, FED 2004/482 met noot Verhagen.
Ook USD-schuld I diende volgens het verweerschrift in hoger beroep (p. 2 onderdeel 2) en volgens het rapport van het boekenonderzoek tot financiering van de aankoop van een deelneming. Het Hof heeft dit echter niet feitelijk vastgesteld.
Voetnoot in origineel: “Binnen concern gold [D] al als bijzonder kostenefficiënt.”
Gerecht van de Europese Unie 24 september 2019, Starbucks, ECLI:EU:T:20 19:669.
Gerecht van de Europese Unie 22 november 2019, Nike, T-648/19 (nog geen eindbeschikking).
Gerecht van de Europese Unie 15 juli 2020, Apple, ECLI:EU:T:2020:338.
Advanced Pricing Agreement.
Voetnoot in origineel: “Aantekening onder het marketmaker-arrest in BNB 2014/116, punt 3.3.”
Voetnoot in origineel: “Wattel geeft in zijn conclusie bij het marketmaker-arrest een interessant overzicht van de verschillende risico’s die aan de orde komen bij delta-hedging.”
Voetnoot in origineel: “Bij het einde van de looptijd van het dekkingsinstrument zal het voort te rollen nieuwe dekkingsinstrument alleen kunnen worden aangegaan tegen dan geldende marktomstandigheden.”
Voetnoot in origineel: “Starbucks (FED 2020/30), Apple (FED 2020/143) Amazon (FED 2022/14) zijn daarvan drie publiek bekende voorbeelden, maar zijn slechts een heel klein topje van een enorme ijsberg. Fiat (FED 2020/29), het vierde publiek bekende voorbeeld, is naar mijn mening wel het meest sprekende. Men had zich daar helemaal niet bekommerd om de vraag waar de restwinst aan toe te rekenen was (in die zaak: het verschil tussen enerzijds de marge tussen de ontvangen rente en de betaalde rente en anderzijds de ruling-marge, bepaald aan de hand van de equity-at-risk-premium). Zie voor een uitleg van de werking hiervan mijn aantekening in FED onder Fiat. In alle andere zaken waren in elk geval de namen van het Zwarte Gat nog bekend: Alki LP voor Starbucks, Apple Sales International Ltd. en Amazon Europe Holding Technologies SCS. Het voorbeeld van Fiat is zeker niet uniek. Wie de Luxemburgse, maar ook Nederlandse, transferpricingpraktijk kent weet dat (in elk geval tot een recent verleden) tientallen, zo niet honderden financieringsstructuren op dezelfde leest waren geschoeid als die van Fiat.”
Voetnoot in origineel: “De Nederlandse fiscus heeft in het verleden enthousiast meegewerkt aan deze Houdini-verdwijntrucs met het op grote schaal afgeven van advance pricing agreements (‘APAs’). Dat betekent niet dat de verrekenprijzen die in die APAs gehanteerd werden niet zakelijk zouden zijn, maar wel dat een verrekenprijsstelsel niet per se resulteert in een evenwichtige allocatie van winsten, zoals het hof wel veronderstelt.”
Voetnoot in origineel: “Met dien verstande dat het hof naar mijn mening de winstopslag ten onrechte aan een “risicoloos rendement” betitelt. Met een risicovrij rendement heeft dit niets te maken, dat ziet op het rendement dat met een investering wordt behaald. Welk rendement belanghebbende op haar investering van € 400 miljoen behaalde is helemaal niet bekend.”
Voetnoot in origineel: “ECLI:NL:HR:2011:BN3442, BNB 2012/37.”
Voetnoot in origineel: “R.o. 4.56.3, voorlaatste zin.”
Voetnoot in origineel: “Besluit van 22 april 2018, 2018-6865, NLF 2018/1111, met noot van ondergetekende.”
Voetnoot in origineel: “Staatssteunzaak inzake Amazon, Gerecht (EU) 12 mei 2021, T-816/17, ECLI:EU:T:2021:252, NLF 2021/1733, met noot van Verhagen.”
Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 14 november 2013, nr. IFZ 2013/184M.
OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations 2010, via: OECD iLibrary (oecd-ilibrary.org)
Voetnoot in origineel: “Par. 1.65 van de OESO-richtlijnen geeft de volgende omschrijving van ‘control’:‘Control over risk involves the first two elements of risk management defined in paragraph 1.61; that is (i) the capability to make decisions to take on, lay off, or decline a risk-bearing opportunity, together with the actual performance of that decision-making function and (ii) the capability to make decisions on whether and how to respond to the risks associated with the opportunity, together with the actual performance of that decision-making function.’ “
Voetnoot in origineel: “Hierbij dient opgemerkt te worden dat bij belastingplichtigen die alleen een verrekenprijsdocumentatie dienen te hebben op basis van artikel 8b wet VPB 1969 het ontbreken van een onderzoek of studie uit te voeren naar de (in databanken voorradige) prijzen die in vergelijkbare situaties tussen ongelieerde partijen tot stand zijn gekomen niet zal leiden tot de omkering van de bewijslast.”
Voetnoot in origineel: “Deze aanpassing kan ook in neerwaartse zin plaatsvinden als een Nederlandse vennootschap louter op basis van aandeelhoudersmotieven een voordeel ontvangt, dus zonder enige of tegen een onzakelijk lage tegenprestatie, en zowel de verstrekker als de ontvanger van het voordeel zich hiervan bewust zijn.”
Hoge Raad 23 januari 2004, nr. 37 893, na conclusie Groeneveld, ECLI:NL:HR:2004:AI0670, BNB 2004/214 met noot De Vries.
Hoge Raad 16 november 2017, nr. 42 970, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2007:AZ7371, BNB 2008/26 met Cornelisse.
Hoge Raad 10 april 2009, nr. 42 916, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2009:AZ7634, BNB 2009/271 met noot Van der Geld, NTFR 2020/219 met noot Reijnen, NLF 2018/2030 met noot Russo, V-N 2018/48.3 en FutD 2018-2359.
Hoge Raad 21 maart 2014, nr. 12/02793, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2014:635, BNB 2014/116 met noot Lubbers, FED 2014/36 met noot Cornelisse, JOR 2014/188 met noot Van der Voort Maarschalk en NTFR 2013/1118 met noot N.M. Ligthart.
HR 8 februari 2019, nr. 17/02617, na conclusie Wattel, ECLI:NL:HR:2019:199, BNB 2019/58 met noot Lubbers, FED 2019/53 met noot Russo, NTFR-B 2019/16 met noot Bruins Slot, NTFR 2019/470 met noot Bruijsten, NLF 2019/0455 met noot Van Horzen, V-N 2019/11.8 met noot redactie en FutD 2019-0352.
Voetnoot in origineel: “De redactie van V-N (V-N 2019/11.8) werpt de vraag op “hoe een hedge moet worden toegerekend, indien die op meerdere activa betrekking kan hebben.” Ik denk dat het antwoord op die vraag is dat zoveel mogelijk aan de hand van het samenhangvereiste moet worden bekeken welke vermogensbestanddelen met elkaar samenhangen.”
R.J. Koopman, Bewijslast in belastingzaken, Kluwer: Deventer 1996, p. 77-78.
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. 3, p. 21-22.
Kamerstukken II 2001/02, 28 034, nr. A (Advies van de Raad van State en Nader Rapport), p. 9-10.
Cursus belastingrecht, formeel belastingrecht 6.7.4.B Systematiek van de bewijslastverdeling, p. 462.
Zie o.m. J.T. van Egdom, Verrekenprijzen; de verdeling van de winst van een multinational (Fiscale Monografieën nr. 115), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 245-246.
OECD Transfer Pricing Guidelines 2010, p. 29.
OECD Transfer Pricing Guidelines 2010, p. 151, zie ook: J.T. van Egdom, Verrekenprijzen; de verdeling van de winst van een multinational (Fiscale Monografieën nr. 115), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 14-15.
In voetnoot 39 van ’s Hofs uitspraak heldert het Hof de verschillende namen op. De Product Management and Optimization Unit (PMO) is later CPOO genoemd.