Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.3
1.8.3 Taakopvatting EHRM en margin of appreciation
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 12 juli 1988, appl.no. 10862/84 (Schenk/Zwitserland), § 45; EHRM 1 juni 2010, appl.no. 22978/05 (Gäfgen/Duitsland), § 162.
EHRM 26 april 1991, appl.no. 12398/86 (Asch/Oostenrijk), § 26; EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 39. Zie over de taak die het EHRM zich stelt Glas 2013.
EHRM (GC) 16 november 2010, appl.no. 926/05 (Taxquet/België), § 83: ‘in cases arising from individual petitions the Court’s task is not to review the relevant legislation in the abstract.’
In hun dissenting opinion bij EHRM (GC) 16 februari 2000, appl.no. 27052/95 (Jasper/ Verenigd Koninkrijk), schreven rechter Palm en vijf van haar collega’s: ‘It is not for the Court to prescribe specific procedures for domestic courts to follow’.
EHRM 26 juli 2005, appl.nos. 39481/98 & 40227/98 (Mild & Virtanen/Finland), § 46.
ECRM 6 december 1991, appl.no. 14106/88 (Hayward/Zweden); ECRM 22 oktober 1997, appl.no. 29185/95 (M.A. & B.S./Noorwegen).
EHRM 13 april 2006, appl.no. 75699/01 (Vaturi/Frankrijk), § 53.
EHRM 4 juli 2000, appl.no. 43149/98 (dec.) (Kok/Nederland).
EHRM 14 februari 2002, appl.no. 26668/95 (Visser/Nederland).
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 161: het EHRM is niet een ‘court of fourth instance’;EHRM 14 februari 2008, appl.no. 36207/03 (Ivanova/ Bulgarije), § 39; EHRM 24 juli 2008, appl.no. 35450/04 (Melich & Beck/Tsjechië).
EHRM 16 juli 2009, appl.no. 18002/02 (Gorgievski/Macedonië), § 53: ‘The Court reiterates that its role in this matter is essentially subsidiary to that of the domestic authorities which are better placed than the Court to assess the credibility of evidence with a view to establishing the facts.’
EHRM 13 oktober 2005, appl.no. 36822/02 (Bracci/Italië), § 51; EHRM 11 mei 1999, appl.no. 30505/96 (dec.) (Huikko/Finland), p. 5.
EHRM 12 juli 1988, appl.no. 10862/84 (Schenk/Zwitserland), § 45; EHRM 31 juli 2014, appl.no. 1774/11 (Nemtsov/Rusland), § 88. In EHRM 2 augustus 2005, appl.no. 35811/97 (Kolu/Turkije), § 60 overwoog het EHRM overigens wel dat het er alle schijn van had dat het naar Turks recht niet toegestaan was om de betwiste getuigenverklaringen voor het bewijs te gebruiken.
EHRM 13 december 2005, appl.no. 23362/02 (dec.) (Wojciechowski/Polen), § 6; EHRM 25 november 2005, appl.no. 72370/01 (dec.) (Van Thuil/Nederland). In EHRM 9 november 1999, appl.no. 39024/97 (dec.) (L.N./Nederland) overwoog het EHRM dat verschil van opvatting over de interpretatie van artikel 342 lid 2 Sv geen grond opleverde voor het aannemen van een schending van artikel 6 EVRM.
Een voorbeeld van een uitzondering is de getuigenverklaring die door marteling is verkregen. Deze mag onder geen enkele voorwaarde aan het bewijs meewerken. Zie EHRM 1 juni 2010, appl.no. 22978/05 (Gäfgen/Duitsland), § 166.
EHRM 12 mei 2000, appl.no. 35394/97 (Khan/Verenigd Koninkrijk), § 34. In zijn dissenting opinion bij dit arrest was rechter Loucaides een andere mening toegedaan: ‘It is my opinion that the term “fairness”, when examined in the context of the European Convention on Human Rights, implies observance of the rule of law and for that matter it presupposes respect of the human rights set out in the Convention. I do not think one can speak of a “fair” trial if it is conducted in breach of the law.’ Hij kreeg hierin bijval van rechter Tulkens in haar dissenting opinion bij EHRM 25 september 2001, appl.no. 44787/98 (P.G. & J.H./Verenigd Koninkrijk).
EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden), § 44; EHRM 13 januari 2009, appl.no. 926/05 (Taxquet/België), § 60.
EHRM 19 maart 1991, appl.no. 11069/84 (Cardot/Frankrijk), § 34.
EHRM 26 april 1991, appl.no. 12398/86 (Asch/Oostenrijk), § 28.
EHRM 4 juli 2000, appl.no. 43149/98 (dec.) (Kok/Nederland), p. 20-21.
EHRM 25 november 2005, appl.no. 72370/01 (dec.) (Van Thuil/Nederland).
EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 161; EHRM8 augustus 2006, appl.no. 43803/98 (Eskelinen e.a./Finland), § 31. In EHRM 8 oktober 2013, appl.no. 29861/03 (Haxhia/Albanië) overwoog het EHRM dat artikel 6 EVRM het gebruik van indirect of circumstantial evidence niet verbiedt.
In EHRM 19 oktober 2006, appl.no. 65550/01 (Koval/Oekraïne), § 118 attendeerde het EHRM op ‘its subsidiary role in relation to the domestic authorities, which are better placed and equipped as fact-finding tribunals’.
EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 39; EHRM 26 april 1991, appl.no. 12398/86 (Asch/Oostenrijk), § 26; EHRM 11 oktober 2001, appl.no. 31871/96 (Sommerfeld/Duitsland), § 62. In EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 161 overwoog het EHRM: ‘The Court cannot therefore, as a matter of principle and in the abstract, rule out the possibility that evidence obtained in breach of provisions of domestic law may be admitted.’
EHRM 6 november 2012, appl.no. 41867/04 (Borodin/Rusland), § 158; EHRM 11 december 2008, appl.no. 6293/04 (Mirilashvili/Rusland), § 161; EHRM 2 september 2008, appl.no. 6497/04 (dec.) (Kiratli/Turkije), p. 9.
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 77-78. Zie voor uitzonderingen op deze regel § 2.6 van hoofdstuk 3.
EHRM 8 december 2009, appl.no. 44023/02 (Caka/Albanië), § 105. Deze uitspraak had betrekking op uiteenlopende verklaringen van een getuige. Onder bepaalde omstandigheden kan de rechter verplicht zijn de omstandigheden waaronder de intrekking heeft plaatsgevonden te onderzoeken en te motiveren waarom hij kennelijk waarde hecht aan de oorspronkelijke verklaring. Zie daarover EHRM 25 april 2013, appl.no. 51198/08 (Erkapić/Kroatië), § 76-89.
EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 78: ‘The Court cannot hold in the abstract that evidence given by a witness in open court and on oath should always be relied on in preference to other statements made by the same witness in the course of criminal proceedings, not even when the two are in conflict.’ In EHRM 27 januari 2011, appl.no. 24460/04 (Shanin/Rusland), § 57 voegde het EHRM daar nog aan toe: ‘The above does not exclude that the credibility and weight of an ordinary deposition, which is not punishable for perjury, may be called into question in the circumstances of a given case.’ Zie ook EHRM 1 juni 2010, appl.no. 28823/04 (Bulfinsky/Roemenië), § 46 en EHRM 16 maart 2000, appl.no. 51760/99 (dec.) (Camillieri/Malta).
EHRM 8 april 2003, appl.no. 39470/98 (dec.) (Lindgren/Zweden), p. 8: ‘The Court cannot hold in the abstract that evidence given by a person in open court should always be relied on in preference to other statements made by the same person in the course of criminal proceedings, not even when the two are in conflict’. Zie ook ECRM 21 oktober 1998, appl.no. 37340/97 (J.W.V./Nederland), p. 7.
EHRM 26 april 1991, appl.no. 12398/86 (Asch/Oostenrijk), § 28; EHRM 25 november 1999, appl.no. 30509/96 (dec.) (Vilhunen/Finland).
EHRM 7 juni 2005, appl.no. 27549/02 (dec.) (Jerino/Italië), p. 12.
In Straatsburgse uitspraken over het ondervragingsrecht wordt de margin of appreciation zelden expliciet genoemd. Zie bijvoorbeeld EHRM 11 mei 1999, appl.no. 30409/96 (dec.) (Peltonen/Finland), p. 7. Ten aanzien van andere EVRM-rechten speelt dit leerstuk echter een belangrijke rol. Zie hierover, onder verwijzing naar veel andere bronnen, Gerards 2014b, p. 27-32, Gerards 2011, p. 183-227 en Gerards 2010. Arai-Takahashi 2001, p. 57 besteedt specifiek aandacht aan de margin of appreciation ten aanzien van het ondervragingsrecht.
EHRM 26 april 1991, appl.no. 12398/86 (Asch/Oostenrijk), § 28; EHRM 25 november 1999, appl.no. 30509/96 (dec.) (Vilhunen/Finland).
EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland).
Stavros 1993, p. 236 heeft betoogd dat het EHRM, om te voorkomen dat het als vierde instantie zou gaan oordelen, in beginsel een schending van het ondervragingsrecht zou moeten vaststellen wanneer een getuige niet kon worden ondervraagd. Alleen wanneer het andere bewijsmateriaal zo sterk is dat op basis daarvan zelfs het EHRM de schuld kan vaststellen, zou de vaststelling van een schending mogen uitblijven.
De bewijswaardering zal overigens moeten worden omgeven met bepaalde waarborgen. Het EHRM heeft in een aantal gevallen schendingen van het recht op een eerlijk proces vastgesteld omdat de betrouwbaarheid van de getuigenverklaring onvoldoende was onderzocht door de nationale rechter. Zie bijvoorbeeld EHRM 25 april 2013, appl.no. 51198/08 (Erkapić/Kroatië), § 76-89. InEHRM31 juli 2014, appl.no. 1774/11 (Nemtsov/ Rusland), § 90-91 had de nationale rechter het bewijs uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van twee politieambtenaren. Hoewel de verdachte dertien ontlastende getuigen kon horen, die consistente verklaringen hadden afgelegd, had de nationale rechter hun verklaringen uitgesloten om aan het bewijs mee te werken, omdat zij bevooroordeeld zouden zijn. Het EHRM oordeelde dat op grond van het door de nationale rechter aangelegde criterium verklaringen van ontlastende getuigen per definitie niet in aanmerking zouden worden genomen en stelde een schending van het recht op een eerlijk proces vast.
Zie bijvoorbeeld EHRM 19 juni 2007, appl.no. 21508/02 (W.S./Polen), § 58.
EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland), § 43-46. Volgens Wasek- Wiaderek 2000, p. 29 begeeft het EHRM zich in zo’n geval op verboden gebied.
Leeuw & Van Lent 2012, p. 855.
EHRM 19 juli 2012, appl.no. 26171/07 (Hümmer/Duitsland), § 49-51. Een ander voorbeeld van een zaak waarin het EHRM zich uitdrukkelijk en anders dan de nationale rechter uitliet over de bewijswaardering is EHRM 13 juli 2006, appl.no. 26853/04 (Popov/ Rusland), § 188.
Anders Summers 2007, p. 141, onder verwijzing naar de dissenting opinion van rechter Vilhjálmsson bij EHRM 28 augustus 1992, appl.no. 13161/87 (Artner/Oostenrijk).
De verdragsstaten bij het evrm hebben zich verplicht om de in het verdrag vastgelegde mensenrechten te garanderen. Het is de taak van het ehrm om de nakoming van deze verplichtingen te beoordelen. Het ehrm doet dit naar aanleiding van concrete klachten die burgers of verdragsstaten hebben ingediend. Die klachten hebben betrekking op vermeende mensenrechtenschendingen in concrete gevallen. De taak van het ehrm is om in deze concrete gevallen te beoordelen of het desbetreffende mensenrecht voldoende is gerespecteerd. Het ehrm leidt deze taak af uit artikel 19evrm: ‘To ensure the observance of the engagements undertaken by the High Contracting Parties in the Convention and the Protocols thereto, there shall be set up a European Court of Human Rights’.1 Geconcretiseerd naar het recht op een eerlijk proces van artikel 6evrm ziet het ehrm zijn taak als volgt: ‘The Court’s task is to ascertain whether the proceedings considered as a whole, including the way in which evidence was taken, were fair.’2
Hoewel daarbij de nationale rechtsregels een rol spelen en in de arresten van het ehrm dikwijls ook de tekst wordt opgenomen van nationale rechtsregels die van belang zijn voor de beoordeling van de voorgelegde kwestie, beschouwt het ehrm het niet als zijn taak om de nationale rechtsregels als zodanig te beoordelen.3 Het is denkbaar dat bepaalde rechtsregels structureel tot mensenrechtenschendingen leiden, maar het eindoordeel van het ehrm zal in dat geval toch zijn dat in de specifieke strafzaak een mensenrecht is geschonden. Het ehrm heeft niet de autoriteit om verdragsstaten te verplichten hun wetgeving of jurisprudentiële regels aan te passen.4 Dit neemt overigens niet weg dat het ehrm een enkele keer algemene uitspraken heeft gedaan over het nationale recht. Zo stelde het in het arrest Mild & Virtanen: ‘The Court further observes that, at the relevant time, there was no basis in national legislation for ensuring the attendance of M. and R. in the proceedings against the applicants. Thus, the law was inadequate on this point.’5 In verschillende zaken overwoog de ecrm dat het beginsel van vrije bewijswaardering als zodanig niet strijdig was met artikel 6 lid 3 sub d evrm.6 In het arrest Vaturi overwoog het ehrm dat de Franse voorwaarde voor ontvankelijkheid van een getuigenverzoek in appèl dat dit verzoek reeds in eerste aanleg is gedaan, in het algemeen inbreuk kan maken op het recht op een eerlijk proces.7
Het zal meestal niet de regel zelf zijn die schendingen veroorzaakt, maar de toepassing ervan in concrete gevallen. Dat bleek bijvoorbeeld uit de beoordeling door het ehrm van Nederlandse zaken waarin gebruik was gemaakt van verklaringen van bedreigde getuigen. In de zaak Kok was de procedure van artikel 226a e.v. Sv gevolgd. De klacht over het gebruik van de anonieme getuigenverklaringen werd niet-ontvankelijk verklaard.8 In het algemeen kan de bedreigde getuige-regeling de Straatsburgse toets kennelijk doorstaan. Ook in de zaak Visser was deze procedure gevolgd. Daarin werd echter een schending van het ondervragingsrecht aangenomen, omdat de rechter onvoldoende had gemotiveerd waarom hij van oordeel was dat de getuige in kwestie werd bedreigd en om die reden anoniem moest blijven.9
Zoals het vaststellen van de nationale rechtsregels is voorbehouden aan de nationale wetgever en rechter, is het oordelen over concrete strafzaken voorbehouden aan de nationale rechter. De taak van het ehrm is niet om alle aspecten van die oordeelsvorming te controleren als een soort extra beroepsinstantie, maar om vast te stellen of in de strafzaak een bepaald mensenrecht is geschonden.10 Het ehrm beschouwt zijn rol als subsidiair ten opzichte van de beoordeling door de nationale rechter.11 Zo kan alleen de nationale rechter beoordelen of de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.12 Als de nationale rechter feiten onjuist heeft vastgesteld of het nationale recht op een onjuiste manier heeft toegepast, is het niet de taak van het EHRM om zich daarover uit te laten.13 Over de interpretatie van nationale rechtsregels door de nationale rechter zal evenmin met succes kunnen worden geklaagd in Straatsburg.14 Zelfs wanneer bewijsmateriaal in strijd met het evrm is verkregen, is het in beginsel15 aan de nationale rechter om te bepalen of het voor het bewijs mag worden gebruikt.16 Alleen wanneer de beslissing van de nationale rechter inbreuk heeft gemaakt op een in het evrm gegarandeerd mensenrecht, zal met succes in Straatsburg kunnen worden geklaagd.
Toegespitst op getuigenbewijs heeft de taakopvatting van het ehrm de volgende betekenis. De nationale rechter is als regel vrij om te oordelen of het noodzakelijk of wenselijk is om een getuige te horen.17 Voor het doen van getuigenverzoeken kan de nationale wetgever regels stellen, waaraan de verdediging moet voldoen. Wordt niet aan deze regels voldaan, dan mag de rechter het getuigenverzoek negeren.18 De nationale wetgever mag zelf bepalen in welke gevallen getuigen zich mogen beroepen op hun verschoningsrecht. Het is niet de taak van het ehrm om te bepalen welke gevolgen aan een beroep op het verschoningsrecht kunnen worden verbonden.19 Ook de beslissing om het antwoord op een bepaalde vraag te beletten moet aan de nationale rechter worden overgelaten, omdat alleen hij kan beoordelen of deze maatregel noodzakelijk is voor bijvoorbeeld het garanderen van de veiligheid van een anonieme getuige.20
De nationale rechter is ten aanzien van de vaststelling van de feiten in een zaak in beginsel vrij.21 Het evrm bevat immers geen bepalingen over het bewijs als zodanig.22 Bovendien is de nationale rechter in een betere positie om de feiten vast te stellen.23 Hij kan bepalen of bewijsmateriaal rechtmatig is verkregen, of het toegelaten wordt als bewijsmiddel en welke bewijskracht eraan wordt gehecht.24 Ook mag hij zelf beoordelen of een getuige geloofwaardig is en zijn verklaring betrouwbaar is.25 Wanneer bijvoorbeeld een getuige een bij de politie afgelegde verklaring later heeft ingetrokken, is het in de regel aan de nationale rechter om te bepalen of deze verklaring desondanks voor het bewijs wordt gebruikt.26 Het algemene uitgangspunt is dat de rechter bij tegenstrijdige verklaringen van dezelfde persoon mag kiezen welke verklaring hij voor het bewijs gebruikt, al wordt onderbouwing van deze keuze door het ehrm wel op prijs gesteld en kan het uitmaken of die persoon zijn voor het bewijs gebruikte verklaring uit vrije wil heeft afgelegd.27
De rechter hoeft in het algemeen niet de voorkeur te geven aan een beëdigde boven een onbeëdigde verklaring.28 Wanneer een getuige ter zitting heeft verklaard, is het aan de nationale rechter om te beoordelen of hij daaraan meer waarde hecht dan aan een elders dan ter terechtzitting eerder afgelegde verklaring.29 Wanneer de getuige zich tijdens een ondervraging op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, is de nationale rechter in beginsel vrij om zijn eerder afgelegde verklaring voor bewijs te gebruiken.30 Wenst de nationale rechter een bewezenverklaring hoofdzakelijk op verklaringen van medeverdachten te baseren, dan staat hem dat in beginsel vrij.31
De vrijheid van de nationale rechter – ook wel de margin of appreciation32 genoemd – heeft een grens. Deze grens ligt daar waar een bepaald mensenrecht in het geding komt. Zo is het uitgangspunt van het ehrm dat de nationale wetgever en rechter zelf mogen bepalen welke gevolgen het beroep van de getuige op zijn verschoningsrecht moet hebben.33 Wanneer de getuigenverklaring echter van doorslaggevende betekenis is voor de veroordeling van de verdachte, mogen de nationale autoriteiten de getuigenverklaring niet voor het bewijs gebruiken wanneer de verdediging de getuige wilde ondervragen en onvoldoende compensatie is geboden.34 Een ander voorbeeld is het waarderen van bewijsmateriaal. Hoewel de nationale rechter vrij is in de bewijswaardering, onderzoekt het ehrm dikwijls zelf het beschikbare bewijs, om te bepalen of een getuigenverklaring van beslissende betekenis is geweest of om vast te stellen of de nationale rechter voldoende behoedzaam met het bewijs is omgegaan.35 De beoordeling van de bewijsconstructie heeft dan als doel om vast te stellen of het ondervragingsrecht is gerespecteerd en niet om een oordeel ten aanzien van de bewijswaardering in de plaats te stellen van dat van de nationale rechter.36 Ten aanzien van het gewicht van de getuigenverklaring laat het ehrm zich leiden door het oordeel van de nationale rechter wanneer deze de verklaring van beslissende betekenis heeft geacht.37 In dat geval gaat het ehrm ervan uit dat de verklaring inderdaad beslissend was. Meende de nationale rechter dat de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis was, dan zal het ehrm over het algemeen zelf de bewijsconstructie onderzoeken. Dat gebeurde bijvoorbeeld in het arrest Vidgen, waarin het nationale gerechtshof de getuigenverklaring niet van beslissende betekenis achtte, maar het ehrm wel.38 In de zaak Hümmer ging het ehrm wel heel ver in de beoordeling van het bewijs.39
Het onderzocht niet alleen de gebezigde bewijsmiddelen, maar ook aspecten van het bewijs waaraan de nationale rechter geen aandacht had besteed. Zo meende het dat de getuigen in deze zaak tegenstrijdig of onsamenhangend hadden verklaard. Het stelde expliciet dat de nationale rechter bepaalde inconsistenties niet had benoemd.40 Deze aanpak is mijns inziens gerechtvaardigd, omdat het ehrm bepaalde oneerlijkheden in een strafproces niet zou kunnen vaststellen wanneer het uitsluitend zou afgaan op de inhoud van het vonnis.41