Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.8.7
1.8.7 Invloed van het ten laste gelegde feit
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Het is wel mogelijk dat bij een lichte overtreding de klacht bij het EHRM niet-ontvankelijk wordt verklaard wegens onvoldoende nadeel (art. 35 lid 3 sub b EVRM). Dat neemt niet weg dat in zo’n geval het ondervragingsrecht geschonden kan zijn en in de nationale procedure dus wel gerespecteerd had moeten worden.
EHRM 29 augustus 2000, appl.no. 31541/96 (dec.) (Caresana/Verenigd Koninkrijk), p. 15.
In EHRM 5 februari 2009, appl.no 13769/04 (Makeyev/Rusland), § 41, EHRM 24 juli 2008, appl.no. 41461/02 (Romanov/Rusland), § 104 en EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/ 00 (Bonev/Bulgarije), § 44 riskeerde de verdachte meer dan tien jaar gevangenisstraf en noemde het EHRM deze factor expliciet bij de beoordeling of de autoriteiten zich voldoende hadden ingespannen. Zie uitvoeriger § 2.4.3 van hoofdstuk 5.
EHRM 20 november 1989, appl.no. 11454/85 (Kostovski/Nederland), § 44; EHRM 19 juni 2003, appl.no. 28490/95 (Hülki Güneş/Turkije), § 96.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 156.
Beide interpretaties zijn overigens niet onverenigbaar met elkaar.
EHRM 19 februari 2013, appl.no. 61800/08 (Gani/Spanje), § 47 wijst, ten aanzien van de toepassing van de sole or decisive rule, in een andere richting: ‘The Court is aware of the difficulties faced by the domestic courts when dealing with sexual crimes (...), which are normally surrounded by secrecy and which are frequently, whether for fear or other reasons, reported too late for the carrying out of a full corroborative medical examination. Thus, in many such cases the sole or decisive evidence for the defendant’s conviction is the victim’s statement, the truthfulness and credibility of which may be put in question by the defence at the hearing by means of his or her cross-examination.’ Zie echter onderdeel 11 van de conclusie van AG Vellinga bij HR 13 juli 2010, NJ 2010, 515: ‘De eis van ‘voldoende steun’ kan in het kader van de vervolging ter zake van seksueel misbruik gezien de daaraan verbonden specifieke bewijsproblemen met de nodige soepelheid worden gehanteerd.’
Het in § 8.4.2 genoemde beslismodel maakt geen onderscheid naar het type delict dat ten laste is gelegd. Het recht getuigen te ondervragen bestaat dan ook zowel wanneer de verdachte wordt beschuldigd van een ernstig misdrijf als wanneer slechts een lichte overtreding ten laste is gelegd.1 Ten aanzien van equality of arms, een situatie die het ondervragingsrecht beoogt te bewerkstelligen, heeft het ehrm wel opgemerkt dat ‘the seriousness of the offences of which the applicant was accused, the severity of the sentence which he risked and the complexity of the case are relevant considerations.’2 Bij de toetsing van bepaalde factoren ter beoordeling van ondervragingsklachten kan het ten laste gelegde delict inderdaad een rol spelen.
Ten aanzien van de vraag of een goede reden bestond voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid is van belang wat de ernst van het ten laste gelegde delict is. Zo worden van de justitiële autoriteiten meer inspanningen gevergd om de gewenste getuige voor ondervraging ter beschikking te stellen naarmate de geriskeerde straf hoger is.3 Aangezien ernstigere delicten met een hogere straf worden bedreigd, speelt de ernst van het ten laste gelegde feit dan indirect een rol. Het ehrm lijkt zich overigens op het standpunt te stellen dat de aanpak van georganiseerde criminaliteit en terroristische misdrijven ten aanzien van het ondervragingsrecht aan dezelfde eisen moet voldoen als de aanpak van andersoortige (ernstige) delicten.4
In de zaak Al-Khawaja overwoog het ehrm: ‘In a case of indecent assault by a doctor on his patient, which took place during a private consultation where only he and the victim were present, it would be difficult to conceive of stronger corroborative evidence, especially when each of the other witnesses was called to give evidence at trial and their reliability was tested by cross-examination.’5 Het ging hier niet om de vraag of de getuigenverklaring een beslissend bewijsmiddel was geweest, maar om de vraag of voldoende compensatie was geboden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. De overweging van het ehrm zou zo kunnen worden geïnterpreteerd dat bij zedendelicten in de genoemde situatie minder compensatie noodzakelijk zou zijn dan in andere situaties. De overweging kan ook zo worden opgevat dat de maximaal haalbare compensatie in deze zaak was gerealiseerd.6 Bij die opvatting zou het niet alleen gaan om de inhoud van de compensatie, maar ook om de mate van compensatie die van de autoriteiten kan worden gevergd. Omdat het ehrm zich in andere zaken tot nu toe nog niet heeft uitgelaten over deze kwestie, kunnen aan deze overweging geen stellige conclusies worden verbonden.7