Stille getuigen
Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.7:7 Volgorde van behandeling
Stille getuigen 2015/0.7
7 Volgorde van behandeling
Documentgegevens:
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hoofdstuk 1 zullen eerst de achtergrond, het doel en de reikwijdte van artikel 6 lid 3 sub d evrm worden besproken. Vervolgens zal worden aangegeven op welke manier het ehrm klachten over schending van het ondervragingsrecht in het algemeen beoordeelt. Daarbij zal een beslismodel worden gepresenteerd, zal worden ingegaan op de taakopvatting van het ehrm en zal worden aangegeven op welke manier het ondervragingsrecht samenhangt met andere rechten die vallen onder het recht op een eerlijk proces. In hoofdstuk 2 zal aan de orde worden gesteld welke regels naar nationaal Nederlands recht van toepassing zijn met betrekking tot het ondervragingsrecht en hoe de Hoge Raad in het algemeen te werk gaat bij het beoordelen van klachten over het niet naleven van de regels met betrekking tot dat recht.
De beslismodellen die het ehrm en de Hoge Raad hanteren, bestaan uit verschillende vragen. Daaruit kunnen beoordelingsfactoren worden afgeleid. Deze beoordelingsfactoren worden in de hoofdstukken 3 tot en met 7 uitgewerkt. In ieder van deze hoofdstukken zal steeds eerst het evrm-recht worden besproken en daarna het Nederlandse recht.
Van de verdediging wordt verwacht dat zij zich actief opstelt in de nationale procedure. In hoofdstuk 3 wordt aan de orde gesteld welke gevolgen bepaalde (in)activiteit van de verdediging kan hebben voor de beoordeling van de klacht dat het ondervragingsrecht niet is gerespecteerd. Ook wordt in dit hoofdstuk de verplichting ambtshalve getuigen op te roepen besproken. Hoofdstuk 4 heeft betrekking op de vraag of de verdediging een behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid heeft gekregen. De kwaliteit van de ondervraging staat hierbij centraal. Wanneer een getuige niet door de verdediging kon worden ondervraagd, moet dat worden gerechtvaardigd door een goede reden. Hoofdstuk 5 heeft betrekking op de vraag wanneer zo’n goede reden mag worden aangenomen. Wanneer een veroordeling in beslissende mate is gebaseerd op de verklaring van een niet door de verdediging ondervraagde getuige, zal in beginsel een schending van het ondervragingsrecht moeten worden aangenomen. In hoofdstuk 6 staat de vraag centraal op welke manier kan worden bepaald of een getuigenverklaring van beslissende betekenis is. Niet in alle gevallen waarin een beslissende getuigenverklaring niet op betrouwbaarheid kon worden getoetst door de verdediging, zal het ondervragingsrecht geschonden worden geacht. Wanneer de nadelige positie van de verdediging voldoende is gecompenseerd in de strafrechtelijke procedure, zal het gebruikmaken van de getuigenverklaring geen schending van het ondervragingsrecht opleveren. In hoofdstuk 7 wordt in kaart gebracht op welke manier het ehrm en de Hoge Raad beoordelen of voldoende compensatie is geboden.
In hoofdstuk 8 zal ik de onderzoeksvraag beantwoorden. Ook zal ik aanbevelingen doen met betrekking tot de wetgeving en met betrekking tot de rechtspraak van het ehrm, de Hoge Raad en de feitenrechters.