Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/3.5.4.4
3.5.4.4 Rechtskarakter standaardvoorwaarden
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS492805:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie de noot van R.J. de Vries onder HR 13 juni 2003, nr. 37.745, BNB 2003/295, de noot van P.C. van der Vegt onder HR 13 juni 2003, nr. 37.745, FED 2003/398 en F.J. van Lemel en J.M. van der Vegt, ‘Standaardvoorwaarden eindelijk gepromoveerd naar de hoogste divisie van het fiscale recht’, WFR 2003, 1727. Overigens is de redactie van Vakstudie Nieuws blijkens haar aantekening in V-N 2003/31.13 wat meer terughoudend.
Het betroffen herdrukken in verband met de invoering van de Wet IB 2001 respectievelijk de invoering van de euro.
In Fiscale gevolgen van omzetting van rechtspersonen (NOB/LOF), Deventer: Kluwer 2003, p. 43 merkte ik in dit verband op dat de verschillende omzettingsvormen zich eigenlijk niet lenen voor de in het besluit in beginsel gehanteerde homogene aanpak. Concrete interpretatieproblemen ontstonden dan ook toen ik vervolgens de standaardvoorwaarden ging toepassen op de omzetting van een stichting in een BV. Zie J.L. van de Streek, Fiscale gevolgen van omzetting van rechtspersonen (NOB/LOF-serie), Deventer: Kluwer 2003, p. 83-85 en 91-92.
In het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 geeft de Staatssecretaris van Financiën de voorwaarden weer die hij in de regel stelt bij de omzetting in een NV of BV van een andere rechtsvorm (hierna: standaardvoorwaarden). De standaardvoorwaarden zien dus op de volgende omzettingen:
omzetting van een stichting in een NV of BV;
omzetting van een vereniging in een NV of BV;
omzetting van een coöperatie in een NV of BV; en
omzetting van een onderlinge waarborgmaatschappij in een NV of BV.
Zoals gebruikelijk merkt de bewindsman op dat het algemene karakter van de standaardvoorwaarden met zich brengt dat deze worden gewijzigd en/of aangevuld al naargelang de bijzondere omstandigheden van het individuele geval. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat de omzettende rechtspersoon compensabele verliezen heeft (zie par. 8 van het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/ 146). Indien een in een concreet geval gestelde voorwaarde overeenkomt met een standaardvoorwaarde, heeft de gestelde voorwaarde te gelden als recht in de zin van art. 79 Wet RO. Dat betekent dat de uitleg van de desbetreffende voorwaarde door de Hoge Raad op haar juistheid in cassatie kan worden getoetst. Voor de standaardvoorwaarden ex art. 15 (oud) Wet VPB 1969 heeft de Hoge Raad dat expliciet uitgemaakt in HR 13 juni 2003, nr. 37.745, BNB 2003/295c*.1 De Hoge Raad overwoog in dit arrest:
‘De krachtens artikel 15, lid 1, van de Wet, door de Minister nader gestelde voorwaarden hebben zich in de loop van de jaren ontwikkeld van een model op basis waarvan in een concreet geval voorwaarden worden vastgesteld, tot (een samenstel van) voorwaarden die in de regel zullen worden gesteld. Die voorwaarden die blijkens voormelde resolutie in het algemeen zullen gelden, maar die in een individueel geval naargelang de bijzondere omstandigheden van dat geval kunnen worden gewijzigd en/of aangevuld, moeten daarom worden aangemerkt als beleidsregels, welke het bestuursorgaan thans ingevolge artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht in beginsel verplicht is te hanteren. Als beleidsregels vormen de standaardvoorwaarden recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie, over schending waarvan in cassatie met vrucht kan worden geklaagd. Indien, zoals in dit geval, een gerechtshof een door de inspecteur voor de toepassing van artikel 15 van de Wet gestelde voorwaarde uitlegt en niet in geschil is dat die voorwaarde overeenkomt met een standaardvoorwaarde als hiervoor bedoeld, mag worden aangenomen dat het gerechtshof bij de uitlegging van eerstbedoelde voorwaarde niet iets anders voor ogen heeft gestaan dan wat zou volgen uit de standaardvoorwaarde. In verband hiermee en ter wille van een eenvormige interpretatie in het belang van de zekerheid omtrent de inhoud en de strekking van de standaardvoorwaarden kan de uitlegging die een gerechtshof geeft aan een met een standaardvoorwaarde overeenkomende voorwaarde door de Hoge Raad op haar juistheid worden getoetst.’
Algemeen wordt ervan uitgegaan dat deze beslissing ook geldt voor de door de Staatssecretaris van Financiën gestelde standaardvoorwaarden bij andere fiscale faciliteiten, waaronder art. 28a Wet VPB 1969.2 De voorwaarden die de Staatssecretaris van Financiën op de voet van art. 28a lid 3 Wet VPB 1969 verbindt aan een fiscaal begeleide omzetting hebben zich namelijk – evenals de fiscale-eenheidsvoorwaarden – in de loop van de jaren ontwikkeld van een model op basis waarvan in een concreet geval voorwaarden worden vastgesteld, tot (een samenstel van) voorwaarden die in de regel zullen worden gesteld.
Die ontwikkeling begon bij het Besluit van 20 oktober 1995, nr. DB95/3066M, BNB 1996/78 waarin de Staatssecretaris van Financiën voor de eerste maal publiekelijk uitvoering gaf aan art. 28a lid 3 Wet VPB 1969. Het besluit zag nog slechts op de voorwaarden die gesteld plegen te worden bij de omzetting van een coöperatie in een BV.
Blijkens de aanhef van dit besluit betrof het uitdrukkelijk géén zogenoemde standaardvoorwaarden die model staan voor alle omzettingen die met toepassing van art. 28a Wet VPB 1969 plaatsvinden. In de toelichting op de voorwaarden van het Besluit van 20 oktober 1995, nr. DB95/3066, BNB 1996/78 merkte de Staatssecretaris van Financiën echter op dat bij de inwilliging van een verzoek om de toepassing van art. 28a Wet VPB 1969 op de omzetting van een stichting in een BV, voorwaarden zullen worden gesteld die overeenkomen met die die in het besluit zijn opgenomen. De herdrukken van dit besluit, te weten het Besluit van 19 december 2000, nr. CPP2000/ 2680, V-N 2001/6.18 en het Besluit van 31 oktober 2001, nr. CPP2001/1557, V-N 2001/ 60.15, bevatten op dit punt geen verandering.3 Hoewel de standaardvoorwaarden nagenoeg ongewijzigd bleven, kregen de standaardvoorwaarden bij de daaropvolgende herdruk, te weten het Besluit van 9 januari 2002, nr. CPP2002/82, V-N 2002/ 12.25, een opmerkelijk ruim toepassingsbereik. In dit besluit liet de staatssecretaris namelijk de passage achterwege dat het hier géén zogenoemde standaardvoorwaarden betrof die model staan voor alle omzettingen die met toepassing van art. 28a Wet VPB 1969 plaatsvinden. In combinatie met een algemene toestemming voor inspecteurs om bepaalde omzettingen zelf af te doen, merkte de staatssecretaris op dat het besluit modelvoorwaarden bevat die hij pleegt te stellen bij (alle) omzettingen van een rechtspersoon. Dus inclusief de complete verzameling van omzettingsvormen die inspecteurs niet zelf af mogen doen. Dat was bijna zeker een vergissing omdat de desbetreffende standaardvoorwaarden op het eerste oog al niet leken te passen bij bepaalde omzettingsvarianten, zoals de omzetting van een stichting in een BV.4 Bij het Besluit van 27 mei 2004, nr. CPP2004/112M, BNB 2004/303 maakte de staatssecretaris gelukkig schoon schip. In dit besluit trok de staatssecretaris het voorgenoemde Besluit van 20 oktober 1995, nr. DB95/3066M, BNB 1996/78 in (en in het sequeel daarvan de herdrukte versies) en beperkte het toepassingsbereik van de in het besluit vervatte – wederom nagenoeg niet gewijzigde – standaardvoorwaarden tot omzettingen in een NV of BV van een andere rechtsvorm. Dit toepassingsbereik komt overeen met de opvolger van dit besluit, te weten het Besluit van 9 maart 2006, nr. CPP2005/2571M, BNB 2006/146 (zie hiervóór).