Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/5.2.2.1
5.2.2.1 Inleiding
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS303201:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Belastingverdragen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 7 februari 1951, B. 8939.
HR 11 maart 1998, nr. 32 240, BNB 1998/208c*.
HR 27 januari 1988, nr. 23 919, BNB 1988/217*.
Bij de beantwoording van de vraag of een geldverstrekking als een geldlening of als een kapitaalverstrekking kwalificeert, mag een hof niet in het midden laten of civielrechtelijk sprake is van een geldlening en of, mocht dat het geval zijn, die lening is verstrekt onder één van de omstandigheden die in BNB 1988/217* zijn genoemd. HR 10 augustus 2001, nr. 36 622, BNB 2001/364.
De reden waarom dividend niet aftrekbaar is voor de vennootschapsbelasting en rente wel, is volgens de Hoge Raad gelegen in het verschillende karakter van de verhouding tussen de vennootschap en haar aandeelhouders ten opzichte van de relatie tussen de vennootschap en haar crediteuren. Rente is de prijs, die een geldnemer aan derden-geldschieters betaalt voor hun geldlening. Dividend wordt uitgekeerd aan hen, die zich zo nauw aan het uitkerende lichaam hebben verbonden, dat ze niet als derden-geldschieters kunnen worden beschouwd.1
Voor de beantwoording van de vraag of in de fiscale sfeer een geldverstrekking door een schuldeiser aan een onderneming als een geldlening dan wel als een kapitaalverstrekking heeft te gelden, is als regel de civielrechtelijke vorm beslissend.2 De Hoge Raad maakt in drie gevallen een uitzondering op deze regel. De eerste uitzondering doet zich voor in de situatie waarin alleen naar de schijn sprake is van een lening, terwijl partijen in werkelijkheid hebben beoogd een kapitaalverstrekking tot stand te brengen (schijn en wezen). De tweede exceptie betreft het geval waarin de lening is verstrekt onder zodanige voorwaarden dat de schuldeiser met het uitgeleende bedrag in zekere mate deel heeft in de onderneming van de schuldenaar (deelnemerschap). Ten slotte is de civielrechtelijke vorm van de geldverstrekking evenmin beslissend wanneer het de crediteur meteen duidelijk moet zijn geweest dat de lening niet of niet ten volle kan worden terugbetaald (bodemloze put).3 Daarnaast rijst de vraag hoe de Hoge Raad een lening die zonder dat zekerheid is gesteld, niet zou zijn verstrekt door een onafhankelijke derde (onzakelijke lening) behandelt. Hierna wordt beknopt ingegaan op het leerstuk van schijn en wezen, de bodemlozeputlening, de deelnemerschapslening en de onzakelijke lening.4