Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/7.9.3.2
7.9.3.2 Verantwoordelijkheid voor een onjuist beleid
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652300:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Van der Vlis 1997, p. 229; Van Solinge (onder 8) in zijn annotatie bij HR 8 april 1998, JOR 1998/133 (Skipper Club Charter); Geerts 2004, p. 229-230; Assink 2007, p. 400; Assink/Slagter 2013, p. 1809; Bulten & Josephus Jitta 2022, p. 698; Du Bois & Hermans 2022, p. 441.
Zo ook Van der Vlis 1997, p. 229; Van Solinge 1998, p. 53; Van Solinge (onder 8) in zijn annotatie bij HR 8 april 1998, JOR 1998/133 (Skipper Club Charter); Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779; Van Calker 2017, p. 522-523; Van Solinge 2017, p. 498-499; De Bie Leuveling Tjeenk 2018, p. 420; Spruitenburg 2018, p. 227; Spruitenburg 2022a, p. 269.
Assink 2007, p. 460-473, met verwijzingen naar jurisprudentie. Zie ook nog OK 17 oktober 2019 (r.o. 4.20), JOR 2020/32, m.nt. P.H.M. Broere (Nijhuis Fabel).
Zo ook Van Solinge 1998, p. 53; Van Solinge (onder 8) in zijn annotatie bij HR 8 april 1998, JOR 1998/133 (Skipper Club Charter); Josephus Jitta (onder 8) in zijn annotatie bij HR 19 mei 1999, JOR 1999/145 (Bobel); Veenstra 2003, p. 222; Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/779; Du Bois & Hermans 2022, p. 441-442. Zie ook Doorduyn 2018, p. 203, die wanbeleid als voorwaarde voor verhaal van de kosten van het onderzoek stelt.
Kamerstukken II 1967/68, 9596, 3, p. 6-7.
Geerts 2006, p. 63. Zie ook Assink 2007, p. 471, voetnoot 377.
Kamerstukken II 1968/69, 9595, 9596, 6, p. 16. Zie ook HR 18 november 2016 (r.o. 3.6.2), NJ 2017/202, m.nt. H.B. Krans & P. van Schilfgaarde; JOR 2017/30, m.nt. A. Hammerstein (Meavita).
Zie bijv. OK 19 juni 1997 (r.o. 4.5), NJ 1997/673, m.nt. J.M.M. Maeijer (onder NJ 1997/671); JOR 1997/83, m.nt. F.J.P. van den Ingh (Bobel); OK 2 november 2015 (r.o. 15.3), JOR 2016/61, m.nt. P. van Schilfgaarde (Meavita).
Geerts (onder 5) in zijn annotatie bij HR 16 augustus 1996, TVVS 1996, p. 322 (VHS); Assink 2007, p. 456; Borrius 2016, p. 61. Zie bijv. OK 18 maart 1976, NJ 1978/317, m.nt. B. Wachter; TVVS 1976, p. 379, m.nt. C.A. Boukema (Sekisui); OK 28 oktober 1993, NJ 1994/566 (RLA). Anders OK 21 juli 2003 (r.o. 3.7), JOR 2003/254 (Polyplus).
Art. 2:354 BW laat verhaal van de kosten van het onderzoek toe op een bestuurder of commissaris, indien uit het onderzoeksverslag blijkt dat deze verantwoordelijk is voor een ‘onjuist beleid’. De norm ‘verantwoordelijkheid voor een onbevredigende gang van zaken’ is gereserveerd voor handelen van anderen in dienst van de rechtspersoon, waarover par. 7.9.3.3.
Onduidelijk is waarin een ‘onjuist beleid’ verschilt van ‘wanbeleid’. De minister ziet een onjuist beleid als lichtere (dis)kwalificatie dan wanbeleid, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis:
‘De ondernemingskamer onderzoekt of uit de gegevens die haar ter beschikking staan gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen zijn af te leiden en wijst, bij beantwoording in bevestigende zin, het verzoek tot de instelling van een enquête toe. Uit het resultaat van het onderzoek kan blijken dat achteraf gezien de twijfel toch ongegrond was, of dat inderdaad van een onjuist beleid moet worden gesproken. Blijkt het beleid in zeer ernstige mate te zijn te kort geschoten, zodat van wanbeleid moet worden gesproken, dan is er voldoende aanleiding tot toepassing van een of meer voorzieningen door de ondernemingskamer, voor zover niet reeds vrijwillig maatregelen zijn getroffen.’1
Ook in de literatuur wordt algemeen aangenomen dat onjuist beleid een lichtere (dis)kwalificatie is dan wanbeleid.2 In theorie is het dan ook mogelijk dat de Ondernemingskamer verhaal van de kosten van het onderzoek op grond van art. 2:354 BW toelaat omdat sprake is van een onjuist beleid, maar meent dat geen sprake is van wanbeleid. In de praktijk zal die situatie zich denk ik echter lastig voordoen.3
Problematisch is ook dat uit de jurisprudentie van de Ondernemingskamer geen consequent gehanteerd normatief onderscheid volgt tussen de begrippen ‘onjuist beleid’ en ‘wanbeleid’ als door de minister voorgestaan. De ene keer zijn de begrippen voor de Ondernemingskamer uitwisselbaar, de andere keer niet.4 Voor het verdere verloop van dit onderzoek houd ik het erop dat beide begrippen vrijwel identiek zijn.5
Volgens de minister komt de vaststelling van wanbeleid ook pas in een later stadium van de enquêteprocedure aan de orde dan de vaststelling van een onjuist beleid in het kader van een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek.6 Het is mogelijk dat de Ondernemingskamer een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek toewijst, zonder dat (reeds) een procedure tot de vaststelling van wanbeleid plaatsvindt, maar noodzakelijk is dat niet. Een verzoek tot kostenverhaal kan ook worden geïncorporeerd in een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid (par. 7.4.5). Zouden de begrippen ‘onjuist beleid’ en ‘wanbeleid’ werkelijk uitwisselbaar zijn, dan roept dit overigens de vraag op of een procedure op grond van art. 2:354 BW nog wel kan plaatsvinden zonder (voorafgaande) procedure als bedoeld in art. 2:355 BW, waarin de Ondernemingskamer tot het oordeel wanbeleid komt.7
De Ondernemingskamer moet bij een verzoek tot verhaal van de kosten van het onderzoek naar billijkheid beslissen. In haar beoordeling dient de Ondernemingskamer alle omstandigheden van het geval tegen elkaar af te wegen, waaronder de mate van schuld en de omvang van de kosten.8 Rekening kan worden gehouden met de zittingsduur van de betrokkenen en hun functie, waaronder ook het voorzitterschap van de betrokken organen of periodes van arbeidsongeschiktheid van betrokkenen.9 Daarnaast kan een rol spelen dat één of meer personen worden aangesproken, terwijl de verantwoordelijkheid voor het tekortschietende beleid ook op anderen rust die de dans ontspringen als verhaal wordt toegelaten op de aangesprokenen.10