Einde inhoudsopgave
Art. 2:11 BW, doorgeefluik van bestuurdersaansprakelijkheid (IVOR nr. 106) 2017/2.2.7.2.5
2.2.7.2.5 Geen persoonlijke taakvervulling door rechtspersoon-bestuurder
mr. C.E.J.M. Hanegraaf, datum 25-06-2017
- Datum
25-06-2017
- Auteur
mr. C.E.J.M. Hanegraaf
- JCDI
JCDI:ADS301279:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Huizink 1989, p. 122; Van der Heijden en Van der Grinten 1992, nr. 85.
Van der Heijden en Van der Grinten 1992, nr. 85.
HR 11 november 2005, NJ 2007, 231, JOR 2006, 90 (Voorsluijs). Zie ook Glasz, Beckman en Bos 1994, p. 63 en De Valk 2009, p. 524.
Bovendien zou voor de figuur van de rechtspersoon-commissaris in de praktijk geen belangstelling bestaan waardoor aan het schrappen van die figuur geen praktische bezwaren verbonden zijn. Vgl. Van Schilfgaarde 1986, p. 87.
Zie: Tuit 1982, p. 113.
Vgl. tevens Van der Heijden en Van der Grinten 1992, nr. 85 en Huizink 1989, p. 122. Laatstgenoemde merkt op dat de functie van bestuurder in beginsel – net als die van commissaris – een persoonlijke taakvervulling verlangt. Dat de figuur van de rechtspersoon- bestuurder niet geschrapt is, getuigt naar zijn mening van opportunisme.
Zie: Asser-Maeijer 2 III (1994), nrs. 306 en 337.
Asser-Maeijer 2 III (1994), nr. 307 en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nr. 425. Zie ook: HR 9 juli 1990, NJ 1991, 215 (Bruins Management B.V.) waarin de Hoge Raad onder meer oordeelde dat een arbeider in de zin van de (toenmalige) in het BW opgenomen regeling slechts een natuurlijk persoon kan zijn.
Vgl. Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:11 BW, aant. 6.1 en Huizink 1989, p. 122-123. Zie ook: HR 9 juli 1990, NJ 1991, 215 (Bruins Management B.V.).
Een ander kritiekpunt ten aanzien van de figuur van de rechtspersoon-bestuurder hangt samen met hetgeen ik in de vorige paragraaf opmerkte. Dit kritiekpunt berust op de gedachte dat de functie van bestuurder in beginsel een persoonlijke taakvervulling verlangt.
Een rechtspersoon kan niet “persoonlijk” een taak vervullen.1 De rechtspersoon handelt uit de aard der zaak niet zelf, maar wordt vertegenwoordigd.2 Een juridische constructie als een rechtspersoon kan namelijk slechts door natuurlijke personen feitelijk in de maatschappij optreden.3 Bij de figuur van de commissaris is de wetgever – juist vanwege het belang dat werd gehecht aan de persoonlijke taakvervulling – zover gegaan dat uitdrukkelijk bepaald is dat de raad van commissarissen slechts uit natuurlijke personen kan bestaan (artt. 2:57 en 2:140/250 BW).4 De functie van commissaris zou uit haar aard om een persoonlijke taakvervulling vragen.5 Men kan zich echter eveneens op het standpunt stellen dat de functie van bestuurder niet past bij een rechtspersoon.6 Ook de bestuursfunctie dient uiteindelijk door natuurlijke personen te worden vervuld. Het persoonlijk karakter van het bestuurderschap komt onder meer in art. 2:11 BW tot uiting.7 De aansprakelijkheid van de eerstegraads rechtspersoon-bestuurder wordt namelijk in beginsel tevens beschouwd als een aansprakelijkheid van de natuurlijk persoon die optreedt als tweedegraads bestuurder.
De persoonlijke aard van de dienstverrichting door een bestuurder ziet men eveneens terug in de contractuele verhouding tussen de bestuurde rechtspersoon enerzijds en de (eerstegraads) rechtspersoon-bestuurder anderzijds. Het gaat daarbij niet om een arbeidsovereenkomst (als bedoeld in artt. 7:610 e.v. BW), maar om een overeenkomst van opdracht (artt. 7:400 e.v. BW).8 Een arbeidsovereenkomst veronderstelt dienstverrichting door een natuurlijk persoon.9 De arbeidsovereenkomst verplicht – anders gezegd – tot persoonlijke taakvervulling. Volgens Huizink geldt hetzelfde voor de in Boek 7 BW geregelde opdracht.10 Wat betreft laatstgemeld standpunt vraag ik mij af of dat niet te ver gaat. Een rechtspersoon kan een opdracht geven en een opdracht ontvangen. Dat de betreffende rechtspersoon – een juridische, doch geen fysieke entiteit – ten minste één natuurlijke persoon inschakelt om de opdracht fysiek uit te voeren, is een noodzakelijk gevolg van het werken met een abstract figuur als die van de rechtspersoon. Erkent men de rechtspersoon(lijkheid) en de figuur van de rechtspersoon-bestuurder, dan zal men in bepaalde opzichten moeten (kunnen) abstraheren. Tot deze opmerking beperk ik mij, aangezien dit onderwerp buiten het kader van mijn onderzoek valt.