Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.2.3.2
9.2.3.2 Bezitseis
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS397131:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie het eerste lid van art. 15 Wet VPB 1969. De eis omtrent de stemrechten werd in de praktijk al gesteld maar is in 2012 in de wet opgenomen in verband met de Wet vereenvoudiging en flexibilisering BV-recht (Flex-BV), die op 1 oktober 2012 in werking is getreden. De Flex-BV-wetgeving maakt het mogelijk om winst- en stemrechten over verschillende aandelen te verdelen. Omdat de fiscale eenheid een zeer vergaande regeling is, heeft de wetgever het passend geacht om 95% te eisen van zowel de winst- en vermogensrechten als de stemrechten.
HR 18 juni 2010, nr. 08/03662, BNB 2010/266. In het arrest is bepaald dat een dochtervennootschap waarvan de aandelen gecertificeerd zijn bij een Stichting Administratiekantoor, onder omstandigheden toch in een fiscale eenheid mag worden opgenomen. Die omstandigheden waren in casu dat de moedermaatschappij via een bindende steminstructie richting het stichtingbestuur wel de volledige zeggenschap in de dochtermaatschappij behield en dat er geen mogelijkheid tot decertificering bestond. De aangescherpte bezitseis is ook van belang voor naar Nederlandse maatstaven fiscaal transparante tussenmaatschappijen met rechtspersoonlijkheid. Deze maatschappijen voldoen ook niet (meer) aan de bezitsvereiste en kunnen zodoende geen deel uitmaken van een Nederlandse fiscale eenheid.
Een fiscale eenheid kan alleen tot stand komen indien de moedermaatschappij zowel de gehele juridische als de economische eigendom bezit van ten minste 95% van het nominaal gestort aandelenkapitaal van de dochtermaatschappij terwijl dit aandelenbelang tevens ten minste 95% van de statutaire stemrechten vertegenwoordigt alsmede recht geeft op ten minste 95% van de winst en het vermogen van de dochtermaatschappij (art. 15 lid 1 Wet VPB 1969)1 De bezitseis is per 9 december 2016 aangepast (het woordje “gehele’’ is toegevoegd), omdat de wetgever ongelukkig was met de uitkomst van het zogenoemde STAK-arrest.2
In het Besluit FE 2003 zijn nadere beleidsregels te vinden omtrent het hebben van verschillende soorten aandelen (art. 2 Besluit FE 2003) en situaties waarbij het moment van overgang van de economische eigendom verschilt van de juridische eigendomsovergang (art. 4 Besluit FE 2003). In het besluit BNB 2011/63 staat de interpretatie van de staatssecretaris in gevallen van opties op, en/of verpanding van aandelen in relatie met de bezitseis.
De moedermaatschappij behoeft het 95%-belang in de dochtermaatschappij niet rechtstreeks te bezitten. Art. 15 lid 2 Wet VPB 1969 bepaalt namelijk dat, als de moedermaatschappij een middellijke bezit heeft in een dochtermaatschappij en dit bezit wordt gehouden via een andere fiscale-eenheidsmaatschappij, dat middellijke bezit ook meetelt voor de “ten minste 95%’’-grens.