Einde inhoudsopgave
Verhandelbare emissierechten in broeikasgassen (SteR nr. 34) 2017/4.2.3
4.2.3 Nieuwkomers
mr. T.J. Thurlings, datum 01-08-2017
- Datum
01-08-2017
- Auteur
mr. T.J. Thurlings
- JCDI
JCDI:ADS603350:1
- Vakgebied(en)
Energierecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 3 onder h Richtlijn ETS. Hier moet een nuancering worden aangebracht. Onder Besluit 2011/278/EU inzake de kosteloze toewijzing van emissierechten wordt als bestaande installatie ook die installatie aangemerkt die in werking is, op uiterlijk 30 juni over alle relevante milieuvergunningen beschikt, en uiterlijk op 30 juni 2011 voldoet aan alle overige in de nationale wetgeving vastgestelde criteria op basis waarvan de installatie in aanmerking komt voor de verlening van de broeikasgasemissievergunning. De vergunning hoeft dan dus nog niet te zijn verleend (artikel 1 aanhef en ander a en onder ii Besluit 2011/278/EU). De Commissie was bevoegd deze interpretatie van het begrip nieuwkomer vast te stellen op grond van artikel 10bis lid 7 Richtlijn ETS. Immers, door de ‘bestaande installatie’ nader te definiëren is ook een nadere scheidslijn met de nieuwkomer aangebracht. De nadere definiëring past binnen de kaders van de Richtlijn ETS. Zouden installaties wel als nieuwkomer worden aangemerkt op basis van een latere verlening van de vergunning, terwijl zij al wel in werking zijn tegelijk met hun concurrenten die reeds over een vergunning beschikken, dan worden de betreffende concurrenten niet op een gelijke manier behandeld bij de kosteloze toewijzing. Bestaande installaties kunnen immers worden geconfronteerd met een uniforme correctiefactor, als de voorlopige toewijzingen van de lidstaten gezamenlijk het emissierechtenplafond voor bestaande installaties overstijgt (artikel 10 bis lid 5 Richtlijn ETS). Een dergelijke uniforme correctiefactor was ook door de Commissie vastgesteld, maar is recent vernietigd omdat het emissierechtenplafond foutief is vastgesteld. Zie: HvJ EU 28 april 2016, gevoegde zaken C‑191/14, C‑192/14, C‑295/14, C‑389/14 en C‑391/14-C‑393/14 (Borealis Polyolefine e.a.). Zie over dat arrest ook: Thurlings 2016d). Een dergelijke ongelijke behandeling zou de kostenefficiëntie van het ETS aantasten.
Artikel 16.32 lid 2 jo 16.29 Wm jo artikel 42 lid 1 Rhe.
https://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/toewijzing-ets/inhoud/gratistoewijzing-van-emissierechten/veranderingen-in-toewijzing-emissierechten (geraadpleegd op 17 februari 2017). Het betreft wederom in feite een template die door de Commissie ter beschikking is gesteld. Dit volgt uit het betreffende standaardformulier, onder het kopje ‘Richtlijnen en voorwaarden’.
Artikel 42 lid 4 Rhe.
Artikel 42 lid 5 Rhe. Zie in dit kader tevens de toelichting op de invoering van deze bepaling in het destijds van kracht zijnde Regeling monitoring handel in emissierechten (Stcrt. 2012, 11815, p. 24).
Stcrt. 2012, 11815, p. 24.
De definitie van een broeikasgasinstallatie is immers: ‘vaste technische eenheid, waarin een of meer activiteiten worden verricht, die een emissie van een broeikasgas in de lucht veroorzaken en die behoren tot een categorie die met betrekking tot het betrokken broeikasgas bij algemene maatregel van bestuur is aangewezen, alsmede andere activiteiten die met eerstbedoelde activiteiten rechtstreeks samenhangen en daarmee technisch in verband staan en die gevolgen kunnen hebben voor de emissie van het betrokken broeikasgas in de lucht’.
Stcrt. 2012, 11815, p. 24, i.h.b. voetnoot 18.
Immers, de subinstallaties worden dan op het niveau van de broeikasgasinstallaties vastgesteld en de kosteloze toewijzing van emissierechten vindt ingevolge Besluit 2011/ 278/EU plaats op basis van een initiële berekening per subinstallatie.
Vergelijk de lijst van inrichtingen per januari 2015 (http://www.emissieautoriteit.nl/onderwerpen/deelnemers-ets (geraadpleegd op 14 februari 2017) met bijlage I van het Nationaal Toewijzingsbesluit: er zijn geen nieuwe broeikasgasinstallaties op de lijst van deelnemers bijgeschreven.
Dat dit document in feite de template is die door de Commissie ten aanzien van nieuwkomers ter beschikking is gesteld volgt uit de ‘Richtlijnen en voorwaarden’ vermeld op het standaardformulier. Vgl. ook het formulier te vinden op: http://ec.europa.eu/clima/policies/ets/cap/allocation/documentation_en.htm (geraadpleegd op 14 februari 2017).
Aangenomen dat de nieuwe inrichting meer dan een broeikasgasinstallatie bevat. Zie tevens Guidance Document 2 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012, Guidance on allocation methodologies, section 2, van het DG Climate action van de Commissie, waarnaar wordt verwezen in Guidance Document 7 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012, Guidance on New Entrants and Closures, par. 3.2.2, van het DG Climate action van de Commissie.
De toewijzing aan een nieuwkomer, niet zijnde een aanzienlijke uitbreiding, wordt berekend door het activiteitsniveau van de subinstallaties te vermenigvuldigen met de respectievelijke benchmarks (artikel 19 Besluit 2011/278/EU). Het activiteitsniveau wordt overeenkomstig de artikelen 18 jo 17 lid 4 jo 7 lid 3 Besluit 2011/278/EU berekend.
Stcrt. 2012, 11815, p. 24.
Dit volgt uit artikel 16.32 lid 1 Wm.
Zie tevens Guidance Document 2 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012, Guidance on allocation methodologies, section 2, van het DG Climate action van de Commissie, waarnaar wordt verwezen in Guidance Document 7 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012, Guidance on New Entrants and Closures, par. 3.2.2, van het DG Climate action van de Commissie.
Zie in dit kader tevens: Leidraad Toewijzing Emissierechten 2013-2020, Nieuwkomers en veranderingen, van de NEa, p. 9 en 10, waarin over aanzienlijke capaciteitsuitbreidingen ten aanzien van inrichtingen wordt gesproken.
Voor zover de nieuwkomersreserve uiteraard niet is uitgeput.
Althans, volgens het DG Climate action in Guidance Document 7 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012, Guidance on New Entrants and Closures, par. 3.4.
Dit volgt uit artikel 42 lid 5 Rhe.
Behoudens de kanttekeningen die ten aanzien van de opdeling van inrichtingen in par. 4.2.2 zijn gemaakt.
Ook wel ‘greenfields’ genoemd, zie: Guidance Document 7 on the harmonized free allocation methodology for the ETS post 2012, Guidance on New Entrants and Closures, p. 9.
Een nieuwe broeikasgasinstallatie moet immers zelfstandig als een vaste technische eenheid kunnen worden beschouwd (artikel 16.1 lid 2 Wm).
De reden hiervoor is dat de drijver reeds de keuzemogelijkheid had bij de initiële toewijzing en er geen latere herkansing dient plaats te vinden (Stcrt. 2012, 11815, p. 24). Dit is een logische keuze, omdat anders de drijver bij iedere uitbreiding van een inrichting of een broeikasgasinstallatie een nieuwe opdelingskeuze kan maken om zo (meer) emissierechten te verkrijgen.
In dat geval bestaat er een keuzemogelijkheid. Zie in dit kader tevens de toelichting van de Staatssecretaris, reeds hierboven geciteerd (Stcrt. 2012, 11815, p. 24) alsook: Leidraad Toewijzing Emissierechten 2013-2020, Nieuwkomers en veranderingen, van de NEa, p. 6, i.h.b voetnoot 2.
Aangenomen dat er zich meer dan één broeikasgasinstallatie in de inrichting bevindt.
Artikel 3 onder i Besluit 2011/278/EU.
Stcrt. 2012, 11815, p. 23. Naar deze toelichting wordt tevens verwezen in de toelichting op het huidige Rhe (Stcrt. 2012, 25395, p. 26).
Zulks vloeit eveneens voort uit de toelichting van de Staatssecretaris op de invoering van de artikel 34bd leden 3-5, de voorloper van artikel 33 leden 3-5 (Stcrt. 2011, 23268, p. 2).
Er is immers nooit voor een opdeling gekozen die de grenzen van de individuele broeikasgasinstallaties zou moeten vaststellen.
Dit wordt tevens bevestigd in de toelichting door de Staatssecretaris op de invoering van artikel 34 bd leden 3-5 Regeling monitoring handel in emissierechten, de voorganger van artikel 33 leden 3-5 Rhe (Stcrt. 2011, 23268, p. 2, hierboven reeds aangehaald).
Al lijkt de Staatssecretaris ook ten aanzien van capaciteitsverminderingen van mening te zijn dat door de bank genomen minder snel sprake zal zijn van aanzienlijke capaciteitsverminderingen bij een toewijzing op het niveau van de inrichting (Stcrt. 2011, 23268, p. 2, hierboven reeds aangehaald).
Artikel 19 lid 4, artikel 22 en artikel 24 Besluit 2011/278/EU jo artikel 16.32 leden 4 en 5 Wm.
Artikel 16.34b Wm jo artikel 24 Besluit 2011/278/EU.
Als nieuwkomers zijn aan te merken, kort gezegd, installaties die een activiteit uitvoeren als genoemd in bijlage I Richtlijn ETS en aan wie voor het eerst na 30 juni 2011 een vergunning is verleend. Dan wel een installatie die een activiteit uitvoert die voor het het eerst op grond van artikel 24 lid 1 of 2 Richtlijn ETS in het ETS is opgenomen. Dan wel een aanzienlijke uitbreiding na 30 juni 2011 van een bestaande installatie, voor zover het die uitbreiding betreft.1
De toewijzing aan nieuwkomers is geregeld in artikel 16.32 Wm. Ook nieuwkomers dienen een aanvraag in te dienen overeenkomstig een elektronisch beschikbaar gesteld standaardformulier van het bestuur van de NEa.2 Het standaardformulier voor nieuwkomers is te vinden op de website van de NEa.3 Ook nieuwkomers kunnen ervoor kiezen gegevens aan te leveren op inrichtingenniveau, of op het niveau van de broeikasgasinstallatie.4 Echter, ten aanzien van broeikasgasinstallaties waarvoor reeds op grond van artikel 33 leden 3-5 Rhe een opdelingkeuze is gemaakt in het kader van een eventuele oorspronkelijke toewijzing, moet die opdeling worden gevolgd. Hetzelfde geldt voor broeikasgasinstallaties waarvoor eerder al een nieuwkomertoewijzing is gevraagd.5 Ten aanzien van nieuwe broeikasgasinstallaties kan een keuze voor een toewijzing als aparte installatie, dan wel als aanzienlijke uitbreiding van de bestaande inrichting worden gemaakt. De Staatssecretaris overwoog daaromtrent:
‘Als een bestaande, reeds onder het ETS vallende, inrichting een uitbreiding ondergaat die zelfstandig kan worden aangemerkt als broeikasgasinstallatie, kan gekozen worden uit twee mogelijkheden. In de eerste plaats heeft het bedrijf de keuze om nieuwkomersrechten aan te vragen voor de uitbreiding van de bestaande inrichting of broeikasgasinstallatie binnen de inrichting, indien de uitbreiding als aanzienlijk kan worden aangemerkt. In de tweede plaats kan het bedrijf de uitbreiding beschouwen als een nieuwe broeikasgasinstallatie. De toewijzing voor deze broeikasgasinstallatie wordt dan berekend volgens de regels voor nieuwe installaties.’6
Voor zover naar het oordeel van de Staatssecretaris een nieuwe broeikasgasinstallatie kan worden gekwalificeerd als een aanzienlijke uitbreiding van een bestaande broeikasgasinstallatie is dat standpunt onjuist. Immers, de (grenzen van de) individuele broeikasgasinstallaties zijn alleen bekend als de inrichting conform artikel 33 leden 3-5 of artikel 42 leden 4 en 5 Rhe is opgedeeld in individuele broeikasgasinstallaties. Als een nieuwe broeikasgasinstallatie als uitbreiding moet worden gezien van een bestaande broeikasgasinstallatie, dan kan er überhaupt geen sprake zijn van een nieuwe broeikasgasinstallatie. Er kan immers slechts sprake zijn van een uitbreiding als deze zich binnen de grenzen van de bestaande broeikasgasinstallatie voordoet.7 Voor zover dergelijke ‘uitbreidingen’ hebben plaatsgevonden zijn deze tevens in strijd met het begrip ‘installatie’ van artikel 3 onder e Richtlijn ETS. Immers, een nieuwe installatie is in dat geval ten onrechte als een aanzienlijke uitbreiding van een bestaande installatie gekwalificeerd.
Ook in het kader van de toewijzing aan nieuwkomers bestaat, door de gemaakte keuzes van de Staatssecretaris, strijd met de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU. We kunnen de volgende situaties onderscheiden:
Toewijzing ten aanzien van een nieuwe inrichting.
Toewijzing ten aanzien van een nieuwe broeikasgasinstallatie binnen een inrichting.
Toewijzing ten aanzien van een aanzienlijke uitbreiding van een inrichting resp. broeikasgasinstallatie.
Elk van deze situaties zal hieronder worden uitgewerkt.
Toewijzing ten aanzien van een nieuwe inrichting
Ten aanzien van een inrichting die in zijn geheel als nieuwkomer valt aan te wijzen (die dus niet eerder over broeikasgasinstallaties beschikte) kan er een keuze worden gemaakt tussen een aanvraag op het niveau van de inrichting of op het niveau van de broeikasgasinstallatie. De Staatssecretaris verwijst voor het beoordelingskader voor de opdeling onder meer naar de toelichting ten aanzien van de invoering van de opdelingmogelijkheid voor bestaande inrichtingen.8 Hij heeft echter verzuimd dit beoordelingskader expliciet in artikel 42 Rhe vast te leggen, zoals wel (in ieder geval voor wat betreft het bestuur van de NEa als bevoegd gezag) is gebeurd in artikel 33 leden 3-5 Rhe. Nu voor de opdeling van nieuwkomers geen aparte procedure is opgesteld (parallel aan artikel 33 leden 3-5 Rhe), dient deze beoordeling plaats te vinden in het kader van het toewijzingsbesluit van de Minister. Indien deze beoordeling niet plaatsvindt, leidt dit ertoe dat nieuwkomers onder een gunstigere positie komen te verkeren dan bestaande inrichtingen, doordat zij zelf zouden beslissen over de indeling in broeikasgasinstallaties. Bovendien zou ontbrekende controle strategische indelingen in de hand kunnen werken.9 De keuze voor opdeling heeft zich in het kader van nieuwkomers tot op heden overigens niet voorgedaan.10
De gegevens ten behoeve van de aanvraag worden ingediend met een standaardformulier dat is opgesteld door het bestuur van de NEa. Echter, ook dit standaardformulier is in feite weer het standaardformulier dat door de Commissie ten behoeve van aanvragen door nieuwkomers ter beschikking is gesteld.11 Ook dit formulier ziet weer op een toewijzing ten aanzien van installaties. Ten aanzien van de onderverdeling in subinstallaties van deze nieuwe inrichting doen zich dan ook dezelfde knelpunten voor als bij het Nationaal Toewijzingsbesluit: de subinstallaties van de inrichting kunnen de grenzen van een broeikasgasinstallatie overschrijden.12 Zij het dat bij nieuwkomerbesluiten geen rekening kan worden gehouden met capaciteitswijzigingen in het verleden, aangezien het om een nieuwe ETS installatie gaat.13
Toewijzing ten aanzien van een nieuwe broeikasgasinstallatie binnen een niet opgedeelde inrichting
Indien er sprake is van een nieuwe broeikasgasinstallatie binnen de inrichting, dan laat artikel 42 leden 4 en 5 Rhe ruimte voor twee type aanvragen, die tevens door de Staatssecretaris in zijn toelichting zijn genoemd.14 De eerste betreft een aanvraag ten aanzien van de broeikasgasinstallatie als zijnde een nieuwe installatie. Aangezien het standaardformulier betrekking heeft op de installatie, en verder de berekening ten aanzien van de nieuwe installatie geschiedt overeenkomstig Besluit 2011/278/EU,15 is een dergelijke aanvraag in overeenstemming met Besluit 2011/278/EU.
De tweede situatie betreft een aanvraag waarbij de nieuwe broeikasgasinstallatie wordt gezien als een aanzienlijke uitbreiding van de bestaande inrichting. In dat geval geldt dat de activiteiten die onder een bepaalde benchmark vallen die de huidige inrichting met de nieuwe broeikasgasinstallatie gemeen heeft, onder dezelfde subinstallaties vallen en dus de grenzen van de individuele broeikasgasinstallaties overschrijden.16 De inrichting ten aanzien waarvan de nieuwe broeikasgasinstallatie als uitbreiding wordt gezien, wordt dan als de ‘installatie’ in de zin van Besluit 2011/278/EU beschouwd.17
Ten aanzien van deze grensoverschrijdende subinstallaties moet dan artikel 3 lid 1 onder i Besluit 2011/278/EU worden toegepast. Er moet dan sprake zijn van een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding van de respectievelijke subinstallaties, wil de inrichting voor deze ‘uitbreiding’ nieuwkomeremissierechten ontvangen.
Ten aanzien van eventuele nieuwe subinstallaties die door de nieuwe broeikasgasinstallatie in de inrichting tot stand worden gebracht worden wel gegarandeerd nieuwkomeremissierechten toegekend.18 Ten aanzien van deze nieuwe subinstallaties moet weliswaar eveneens artikel 3 onder i Besluit 2011/278/EU worden toegepast, maar bij deze nieuwe subinstallaties wordt uitgegaan van een uitbreiding van niveau ‘0’ naar een waarde boven ‘0’, hetgeen per definitie aanzienlijk is.19
Duidelijk is dat wanneer een nieuwe broeikasgasinstallatie als een ‘uitbreiding’ van een inrichting wordt gekwalificeerd, deze voor een minder ruime toekenning uit de nieuwkomerreserve in aanmerking zou kunnen komen. Deze, met de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU strijdige, keuze lijkt voor een drijver dus minder aantrekkelijk te zijn. Toch kan deze keuze, zoals hieronder zal blijken, een strategisch voordeel opleveren in het kader van latere (voorziene) capaciteitsverminderingen en sluitingen.
Toewijzing ten aanzien van een aanzienlijke uitbreiding van een inrichting resp. broeikasgasinstallatie
Wanneer een inrichting overeenkomstig artikel 33 leden 3-5 Rhe, resp. artikel 42 leden 4 en 5 Rhe is opgesplitst in broeikasgasinstallaties, dient een aanzienlijk uitbreiding op het niveau van de broeikasgasinstallatie te worden beoordeeld.20 Aangezien deze uitbreiding overeenkomstig Besluit 2011/278/EU dient te worden beoordeeld is deze toewijzingsmethode in overeenstemming met Besluit 2011/278/EU.21 Voor zover overeenkomstig de hierboven geciteerde toelichting van de Staatssecretaris een nieuwe broeikasgasinstallatie als een uitbreiding van een bestaande broeikasgasinstallatie wordt behandeld, ontstaat strijd met Besluit 2011/278/EU. Er is dan immers sprake van een nieuwe installatie,22 en niet van een uitbreiding van een bestaande installatie.23
Wanneer gegevens voor de oorspronkelijke kosteloze toewijzing zijn aangeleverd op het niveau van de inrichting moet ingevolge artikel 42 lid 5 Rhe ook een aanzienlijke uitbreiding op dat niveau worden beoordeeld,24 tenzij de uitbreiding zelf als een nieuwe broeikasgasinstallatie valt te kwalificeren.25 In dat geval kan deze nieuwe broeikasgasinstallatie zelfstandig overeenkomstig artikel 42 lid 4 Rhe als nieuwkomer worden gekwalificeerd. In het geval van een uitbreiding op het niveau van een inrichting, geldt opnieuw dat subinstallaties binnen de inrichting de grenzen van de broeikasgasinstallaties kunnen overschrijden.26 Ten aanzien van deze subinstallaties zal in andere gevallen sprake zijn van een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding als bedoeld in artikel 3 onder i Besluit 2011/278/EU, dan wanneer de uitbreiding op broeikasgasinstallatieniveau zou worden beoordeeld. Hierdoor ontstaat strijd met Besluit 2011/278/EU. Immers, van een aanzienlijke capaciteitsuitbreiding is sprake:
bij een fysieke verandering waarbij de capaciteit van de subinstallatie met 10% toeneemt; of
bij een fysieke verandering die resulteert in een aanzienlijk wijziging in het activiteitsniveau, dat resulteert in een jaarlijkse wijziging van de toewijzing met 50.000 emissierechten. Daarbij moet deze wijziging minimaal overeenkomen met 5% van het voorlopig jaarlijks aantal toegewezen emissierechten voor de wijziging van de subinstallatie.27
Wanneer voor een toewijzing op het niveau van de inrichting is gekozen, is minder snel sprake van een wijziging als bedoeld onder 1), maar kan er mogelijk sneller sprake zijn van een wijziging als bedoeld onder 2).
Voordelen voor toewijzingen op inrichtingniveau in het kader van latere capaciteitsverminderingen en sluitingen van installaties
Overigens heeft de keuze voor een toewijzing op het niveau van de inrichting gelijksoortige gevolgen voor (de melding door de vergunninghouder van) een aanzienlijke capaciteitsvermindering als voor aanzienlijke capaciteitsuitbreidingen. In de toelichting van de Staatssecretaris op de invoering van de 33d-33g Regeling monitoring handel in emissierechten, de voorlopers van de huidige artikelen 44-47 Rhe, wordt gesteld:
‘Of zich een omstandigheid voordoet, die op grond van de artikelen 33d tot en met 33g aan het bestuur van de emissieautoriteit moet worden gemeld, wordt ook bepaald door de wijze waarop op grond van artikel 34bd de gegevens voor de kosteloze toewijzing zijn aangeleverd dan wel de wijze waarop een nieuwkomersaanvraag, anders dan voor een aanzienlijke uitbreiding, op grond van artikel 34b is ingediend. Met andere woorden: de manier waarop de gegevens voor de initiële toewijzing zijn aangeleverd, is leidend. Indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid om gegevens in te dienen per afzonderlijke broeikasgasinstallatie binnen de inrichting dan moet op het niveau van de aldus onderscheiden broeikasgasinstallaties worden beoordeeld of er sprake is van een gehele of gedeeltelijke beëindiging of van een aanzienlijke capaciteitsvermindering. In de gevallen waarin er geen opdeling in broeikasgasinstallaties heeft plaatsgevonden, vindt de beoordeling plaats op het niveau van de inrichting. Om een voorbeeld te geven: een inrichting heeft er bij de gegevensaanlevering voor gekozen om onder te verdelen in meerdere broeikasgasinstallaties. Indien een van deze broeikasgasinstallaties wordt gesloten moet dit worden gemeld op grond van artikel 33d. Een ander voorbeeld: op grond van artikel 33e moet de gedeeltelijke beëindiging van de werking van een broeikasgasinstallatie zoals bedoeld in artikel 23 van Besluit 2011/278/EU worden gemeld. In genoemd artikel 23 gaat het om de vermindering van het activiteitsniveau van een subinstallatie. De manier waarop de indeling in subinstallaties voor de initiële toewijzing heeft plaatsgevonden, is leidend. Deze indeling heeft hetzij plaatsgevonden op het niveau van de inrichting, hetzij op het niveau van broeikasgasinstallaties binnen de inrichting. Het activiteitsniveau van deze subinstallaties bepaalt of er sprake is van een gedeeltelijke beëindiging. Hetzelfde uitgangspunt geldt voor de melding van een aanzienlijke capaciteitsvermindering van de broeikasgasinstallatie op grond van artikel 33g. Ook hier is de manier waarop de inrichting bij de gegevensaanlevering voor de initiële toewijzing is opgedeeld in subinstallaties (op het niveau van de inrichting of per afzonderlijke broeikasgasinstallatie) bepalend voor de manier waarop wordt vastgesteld of er sprake is van een aanzienlijke capaciteitsvermindering.’28
Uit deze toelichting volgt dat indien voor de initiële toewijzing van emissierechten gegevens op het niveau van de inrichting zijn aangeleverd, de vraag of er sprake is van een (gedeeltelijke) beëindiging of een aanzienlijke capaciteitsvermindering ook op het niveau van de inrichting moeten worden bepaald.29 Hoewel deze toelichting tegen de letterlijke tekst van artikel 16.34d Wm en artikelen 44-47 Rhe, die immers slechts op de broeikasgasinstallatie betrekking hebben, ingaat, is dit toch de enige logische consequentie van de keuzemogelijkheid in het aanleveren van gegevens. Immers, indien gegevens per inrichting worden aangeleverd, worden de subinstallaties ook op het niveau van de inrichting bepaald, en zijn de grenzen van de individuele broeikasgasinstallaties binnen de inrichting onbekend.30
De drijver van een inrichting zal dus, bij een toewijzing op het niveau van de inrichting, minder snel onderhevig zijn aan de bepalingen inzake een (gedeeltelijke) beëindiging van installaties als bedoeld in artikel 16.34b aanhef en onder a-c Wm.31 Wat betreft de capaciteitsvermindering zal de drijver minder snel onderhevig zijn aan een 10% inkrimping van een subinstallatie. Bij een toewijzing op het niveau van de inrichting valt echter niet uit te sluiten dat er eerder sprake zal zijn van een fysieke wijziging die resulteert in een aanzienlijk vermindering van het activiteitsniveau, die tevens resulteert in een jaarlijkse vermindering van de toewijzing met 50.000 emissierechten. En waarbij deze vermindering bovendien overeenkomt met minimaal 5% van het voorlopig jaarlijks aantal toegewezen emissierechten voor de wijziging van de subinstallatie.32
Hoe het ook zij, door de mogelijkheid voor een toewijzing op inrichtingniveau te kiezen, verkrijgen de drijvers van inrichtingen een met de Richtlijn ETS en Besluit 2011/278/EU strijdig, maar strategisch, voordeel. Interessant in dit kader is dat op grond van artikel 16.32 leden 3-5 Wm en artikel 19 lid 4, artikel 22 en 24 Besluit 2011/278/EU het toewijzingsbesluit moet worden toegezonden aan, en beoordeeld door, de Commissie. De Commissie kan daarbij de vaststelling van de lidstaat verwerpen of aanpassen, de Minister neemt deze verwerping of aanpassing van de Commissie in acht.33 Ook bij aanzienlijke capaciteitsverminderingen moet de aangepaste toewijzing worden verzonden aan, en beoordeeld door, de Commissie.34 Voor zover de Commissie deze (aanpassingen van) toewijzingen goedkeurt, zou kunnen worden verdedigd dat naar het oordeel van de Commissie het installatiebegrip niet onjuist wordt toegepast. Mijns inziens gaat dat standpunt echter niet op. Daarbij zij erop gewezen dat Nederland de inrichtingen in het EU-register als ‘installatie’ registreert. Dit doet vermoeden dat, net als bij het Nationaal Toewijzingsbesluit, de ‘inrichtingen’ als ‘installatie’ worden gecommuniceerd aan de Commissie, waardoor deze wellicht niet op de hoogte is van de verschillen tussen de begrippen ‘inrichting’ en ‘installatie’.