Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.3.6
7.3.6 Kwalificatie van overige kleding en van omgangsvormen als uiting van godsdienst door het EHRM
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456415:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, ECLI:NL:XX:2013:BZ1190, NJB 2013/499 (Eweida and Others v United Kingdom).
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 58.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 65.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 67.
Zie hierover 2.4 en 2.2.5.
EHRM 27 juni 2000, nr. 27417/95 (Cha'are Shalom Ve Tsedek).
Zie hierover uitgebreid 8.5.
Zie bijvoorbeeld de zaak Konttinen v Finland, ECRM 3 december 1996, nr. 24949/94, waarin de klager, een zevendedagsadventist zijn ontslag gekregen had omdat hij niet wilde werken op zondag. In deze zaak oordeelde het ECRM dat er geen sprake was van een schending van de godsdienstvrijheid, omdat de klager de mogelijkheid had om ergens anders te gaan werken. De ECRM oordeelde dat om die reden de godsdienstvrijheid niet van toepassing was.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 83.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 89.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 89, 97.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 94.
EHRM 15 januari 2013, nrs. 48420/10, 59842/10, par. 99.
Zie: EHRM 15 februari 2001, 42393/98 (Dahlab v Zwitserland); EHRM 29 juni 2004, AB 2004, 338, m.nt. B.P. Vermeulen (Leyla Sahin); NJCM-Bulletin 2005, p. 172-185, m.nt. E.M.H. Hirsch Ballin (Leyla Sahin); EHRM (Grote Kamer) 10 november 2005, NJ 2006, 170, m.nt. Alkema (Leyla Sahin); EHRM 4 december 2008, nr. 27058/05, EHRC 2009/8 (Dogru v Frankrijk).
Zie hoofdstuk 17-19.
Bovenstaande GVB-zaak toont verwantschap met de twee uitspraken van het EHRM in de Eweida-zaak uit 2013.1 In dit arrest werd door het EHRM uitspraak gedaan over meerdere Britse zaken. Binnen het bestek van dit hoofdstuk is de uitspraak relevant ten aanzien van een medewerkster (Eweida) van British Airways die op grond van haar godsdienstige overtuiging over haar uniform een kruisje aan een ketting wenste te dragen en de uitspraak ten aanzien van een verpleegster (Chaplin) die werkte in een openbaar ziekenhuis en dezelfde wens had. In beide gevallen werd het dragen van het kruisje verboden op grond van een kledinginstructie. Beide dames volhardden in hun wens, wat tot ontslag leidde. Voor het EHRM klagen ze dat het Verenigd Koninkrijk onvoldoende maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat ze in hun werksituatie zijn geschonden in hun godsdienstvrijheid en gediscrimineerd op basis van godsdienst. Interessant is dat de regering van het Verenigd Koninkrijk voor het EHRM betwijfelt of het dragen van een kruisje wel moet gelden als een religieuze uiting. De regering stelt dat het dragen van een kruisje niet kan gelden als een algemeen erkende vorm van belijden binnen het christendom en ook niet kan worden gezien als een geloofsverplichting die is terug te vinden binnen het christelijke geloof. Aangezien het EHRM in zijn jurisprudentie herhaaldelijk stelt dat niet iedere uiting of gedraging die is ingegeven door religie wordt beschermd door artikel 9 EVRM, is de regering van mening dat ook het dragen van een kruisje buiten de reikwijdte ervan valt. Daarnaast stelt de regering met een verwijzing naar eerdere EHRM-jurisprudentie, dat de godsdienstvrijheid niet aan de orde is omdat het Eweida vrijstond om een andere baan te nemen waarin ze wel de vrijheid had om een kruisje aan een ketting te dragen.2
Eweida en Chaplin betogen voor het EHRM dat het dragen van een kruisje aan een ketting binnen het christendom wel degelijk een erkende religieuze uiting is. Eweida stelt het criterium ter discussie dat er sprake moet zijn van een āgedraging of uiting van godsdienst die in algemene zin wordt erkendā. Volgens Eweida is een dergelijk criterium te vaag en leidt dit tot de situatie dat de rechter wordt binnengezogen in een theologische discussie. Daarnaast beargumenteert zij dat een restrictieve benadering van de reikwijdte van de godsdienstvrijheid (waarbij enkel uitingen en gedragingen die een direct uitvloeisel zijn van de godsdienst als godsdienstig worden gekwalificeerd) in strijd is met het belang dat het EHRM toekent aan de vrijheid van godsdienst. Ten slotte betoogt Eweida dat het EHRM niet moet uitgaan van de leer die ontwikkeld is in eerdere jurisprudentie en die bepaalt dat indien een beperking op de godsdienstvrijheid door de justitiabele kan worden omzeild (bijvoorbeeld door het nemen van ontslag en ergens anders gaan werken), er geen sprake is van een rechtstreekse uitdrukking van godsdienst die valt onder de reikwijdte van artikel 9 EVRM.3 In aanvulling hierop stelt Chaplin dat het EHRM niet als uitgangspunt mag nemen dat alleen algemeen bekende en erkende geloofsverplichtingen binnen een religieuze traditie bescherming verdienen onder artikel 9 EVRM. Dit zou namelijk religies bevoordelen die een veelvoud hebben aan dergelijke specifieke geloofsverplichtingen, zoals de islam, ten opzichte van religies die dit in mindere mate hebben, zoals het christelijke geloof.4
Voordat het EHRM deze zaken in concreto beoordeelt, herhaalt het ten aanzien van de reikwijdte van de godsdienstvrijheid de gebruikelijke uitgangspunten die voortvloeien uit eerdere jurisprudentie5 en voegt het hieraan ook een aantal nieuwe gezichtspunten toe. Zo constateert het EHRM dat het in eerdere zaken geoordeeld heeft dat indien een persoon in staat is om een bepaalde beperking van zijn godsdienstvrijheid te voorkomen het uitgangspunt is dat de godsdienstvrijheid niet aan de orde is. Het verwijst daarvoor naar de Chaāare Shalom Ve Tsedek-zaak,6 waarin geen schending van de godsdienstvrijheid werd aangenomen vanwege het niet toestaan van een specifieke vorm van religieus slachten. De redenering was dat de godsdienstvrijheid niet was geschonden omdat het vlees dat met deze vorm van slacht kon worden verkregen ook via andere manieren kon worden bemachtigd, bijvoorbeeld door import uit BelgiĆ«.7 Met andere woorden, de godsdienstvrijheid was in die zaak niet aan de orde omdat de beperking op de godsdienstvrijheid kon worden omzeild door middel van de import. Deze redeneertrant werd in het verleden ook door het EHRM toegepast ten aanzien van zaken waarin een werknemer door zijn werkgever werd beperkt in zijn godsdienstvrijheid.8 Het uitgangspunt was dan dat de werknemer de mogelijkheid had om ontslag te nemen en ander werk te kiezen. Vanwege die mogelijkheid achtte het EHRM de godsdienstvrijheid in zulke gevallen niet van toepassing. Het EHRM komt terug van deze benadering en slaat een nieuwe weg in. Het stelt dat de overweging dat iemand de mogelijkheid heeft om van baan te wisselen ā zodat hij niet beperkt wordt in zijn godsdienstvrijheid ā beter betrokken kan worden in de belangenafwegingen die ten grondslag ligt aan artikel 9 lid 2 EVRM (of een beperking legitiem en proportioneel is in een democratische samenleving) dan dat ā zoals voorheen ā men stelt dat de betreffende uiting of gedraging buiten de reikwijdte valt van artikel 9 EVRM omdat de persoon in kwestie de mogelijkheid had om de ābeperkingā te omzeilen.9
De voorgaande principes past het EHRM vervolgens toe op de zaak van Eweida en Chaplin. Het overweegt ten aanzien van Eweida:
āApplying the principles set out above, the Court considers that Ms Eweidaās behaviour was a manifestation of her religious belief, in the form of worship, practice and observance, and as such attracted the protection of Article 9.ā10
Ten aanzien van Chaplin wordt deze overweging herhaald. In beide zaken gaat het EHRM uit van de uitleg die de klagers geven over het dragen van een ketting met een kruis. Oftewel, het gaat uit van een subjectiverende kwalificatiewijze waardoor in dit geval de gedraging als religieus in de zin van artikel 9 lid 1 wordt gekwalificeerd. Het EHRM beoordeelt vervolgens in beide zaken of de beperking van het niet mogen dragen van deze ketting conform artikel 9 lid 2 EVRM heeft plaatsgevonden.11 Ten aanzien van Eweida komt het EHRM tot de einduitspraak dat er sprake is van een schending van de godsdienstvrijheid aangezien het commerciƫle belang van British Airways volgens het EHRM niet opweegt tegen het religieuze belang van Eweida. De beperking van de godsdienstvrijheid van Eweida is met andere woorden niet noodzakelijk.12 In de zaak Chaplin oordeelde het EHRM dat haar beperking van de godsdienstvrijheid wel als legitiem en voldoende proportioneel kan worden gezien omdat het ziekenhuis deze uiting verbood uit veiligheidsoverwegingen.13
Naast deze zaken zijn er nog enkele EHRM uitspraken14 geweest met betrekking tot het dragen van een hoofddoek. Deze uitspraken hadden betrekking op de context van het onderwijs. Daarom bespreek ik ze in de hoofdstukken over het onderwijsrecht.15