Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.9.1
5.2.9.1 De procedure van het gemotiveerde antwoord volgens de Richtlijn
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399548:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Overweging 18 bij de 4e Richtlijn.
Art. 22 van de Richtlijn zegt dat het aanbod moet worden gedaan wanneer de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de schade is gekwantificeerd.
Zie art. L211-9Code des Assurances, hierna weergegeven in par. 5.2.9.3.
Fuhrer, Besucherschutz, p. 41.
Van Schoubroeck, Krachtlijnen, nr. 41. Dat de benadeelde zich tot het schadevergoedingsorgaan kan wenden als hij meent geen (voldoende) met redenen omkleed antwoord te hebben ontvangen doet daaraan niet af. Ook het schadevergoedingsorgaan kan aan de Richtlijn geen aanwijzingen ontlenen omtrent de vraag wat als gemotiveerd antwoord heeft te gelden. Legt het slachtoffer zich niet neer bij het oordeel van het schadevergoedingsorgaan dat het antwoord van de verzekeraar voldoende beargumenteerd is, dan heeft uiteindelijk de rechter weer het laatste woord. Daarbij komt dat alleen het slachtoffer in de zin van de '4e Richtlijn' zich tot het schadevergoedingsorgaan kan wenden, terwijl de verplichting om een met redenen omkleed antwoord te geven sinds de omzetting van de 5e Richtlijn ook jegens andere verkeersslachtoffers geldt.
Velentza, 2004, p. 136.
Kamerstukken II 2002/03, 28 636, nr. 6, p. 10.
In het kader van de schadevergoedingsorganen zal worden ingegaan op de 'Provisional Recommendations' die deze instellingen gezamenlijk hebben ontwikkeld en die hen een handvat geven om te bepalen of het antwoord dat de verzekeraar of de schaderegelaar heeft gegeven, als een met redenen omkleed antwoord kan worden beschouwd. Zie par. 5.6.2.4. Deze niet bindende (en ook nog niet volledig uitontwikkelde) aanbeveling gaat meer gedetailleerd in op het vraagstuk wat onder een gemotiveerd antwoord moet worden verstaan, maar laat ook nog vele vragen open.
Zie voor de vraag wat de schadevergoedingsorganen onder een gemotiveerd antwoord verstaan par. 5.62.4.
Met de 'vertegenwoordiger van de verzekeringsonderneming' wordt de schaderegelaar (art. 21 van de Richtlijn) bedoeld.
Fuhrer, Besucherschutz, p. 31.
Blees & de Bosch Kemper, Het Verzekerings-Archief 1999, p.132 e.v., 2000, p.12 e.v. en 2004, p. 5 e.v.; in verband met dit onderwerp meer in het bijzonder VA 2000, p. 14 e.v.
Zie ook Muyldermans, 2000, p. 272.
Zie par. 333.
Fuhrer, Besucherschutz, p. 33 en voetnoot 119.
Fuhrer, Besucherschutz, p. 32.
Zie art. L211-13Code des assurances. Zie hierna par. 5.2.9.3.
Fuhrer, Besucherschutz, p. 32/33.
Van Schoubroeck, Krachtlijnen, nr. 32.
Lemor, 1998, p. 338.
Feyock, Jacobsen & Lemor, 4. Teil. Unfälle mit Auslandbezug, B. Unfälle von InIändern im Ausland, Bemerkung 45.
De Nederlandse wetgever heeft daarvoor geopteerd. Zie art. 4:70, zesde lid Wft en par. 5.2.92, onder d) hierna.
De Engelse tekst echter kan anders worden gelezen, daar zij spreekt van 'late-payment interest', maar daaraan wil ik geen doorslaggevende betekenis toekennen, in het licht van de andere taalversies van de Richtlijn en met de (kennelijke) doelstelling van de Richtlijn in gedachten.
Zie in deze zin ook Lemor in Feyock, jacobsen & Lemor, 4. Teil. Unfälle mit Auslandbezug, B. Unfälle von Inländern im Ausland, Bemerkung 45.
Van Schoubroeck, Krachtlijnen, nr. 32.
Groene Serie Toezicht Financiële Markten, Kluwer - Deventer (losbl.) (Franken & Lodder), aantekening 11 bij art. 4:70.
Pire, 2003, 13 686, p. 5.
Document COM/2007/0207 def.
Zo vermeldt het overzicht voor Nederland dat de vergunning van de verzekeraar ingetrokken kan worden. De voorts in de Wft voorziene mogelijkheden van aanwijzingen, dwangbevelen en boetes worden niet vermeld. Zie voor het Nederlandse regime hierna, par. 5.2.9.2 onder d) e.v.
Een verbazende conclusie: in de eerste plaats verplicht de Richtlijn niet tot het afhandelen van de claim binnen drie maanden, maar slechts tot het verstrekken van een gemotiveerde reactie. Wezenlijker echter lijkt mij, dat deze vaststelling - wellicht - opgaat voor ongevallen met louter blikschade, maar toch zeker niet kan gelden voor ongevallen met personenschade, die - zelfs als de aansprakelijkheid niet wordt betwist - een (veel) langere afwikkelingsperiode vergen.
a) Inleiding; totstandkoming
Op grond van art. 22 jo. 19 van de Richtlijn is de verzekeraar, maar hetzelfde geldt voor de schaderegelaar en het Bureau, verplicht om de benadeelde die zich tot hem wendt met een verzoek om schadevergoeding, binnen drie maanden hetzij een met redenen omkleed aanbod tot schadevergoeding te doen, hetzij, als de aansprakelijkheid of de omvang van de schade nog niet vaststaan, een met redenen omkleed antwoord op alle punten in het verzoek om schadevergoeding te geven. In het navolgende zal ik kortheidshalve spreken van het 'gemotiveerde antwoord' of het 'met redenen omklede antwoord', hoewel daarmee de inhoud van het voorschrift enigszins tekort wordt gedaan. De Richtlijn gaat er immers in eerste instantie vanuit dat de verzekeraar een aanbod tot schadevergoeding doet.
Deze bepaling stamt uit de 4e Richtlijn, waarin zij was opgenomen om de benadeelde "het specifieke recht op een snelle afwikkeling van de vordering te garanderen".1 Kennelijk zag de Europese wetgever in het kader van de bescherming van bezoekende slachtoffers een bijzondere noodzaak om een wettelijke verplichting in het leven te roepen, een verplichting die bovendien van een sanctie moest worden voorzien.
Met de 5e Richtlijn werd de verplichting om - kort gezegd - aan de benadeelde een 'gemotiveerd antwoord' op zijn verzoek om schadevergoeding te verschaffen, uitgebreid tot andere ongevallen. Niet langer heeft alleen het bezoekende slachtoffer aanspraak op een onderbouwd aanbod tot schadevergoeding, althans een gemotiveerde reactie als een aanbod nog niet tot de mogelijkheden behoort, maar ook de benadeelde van een ongeval in de lidstaat van zijn woonplaats dat door een gewoonlijk in die lidstaat gestald motorrijtuig is veroorzaakt. Hetzelfde geldt als voor het ongeval een bezoekend motorrijtuig aansprakelijk is en het Bureau kan worden aangesproken.
De omstandigheid dat de verplichting om de benadeelde een gemotiveerd antwoord te verstrekken niet alleen op de verzekeraar rust maar ook op de schaderegelaar en het Bureau, zou ook een eerdere behandeling (bijvoorbeeld in hoofdstuk 3) hebben kunnen rechtvaardigen. Ik geef er evenwel de voorkeur aan om deze 'gemotiveerd-antwoordprocedure' te bespreken in het kader van de vraag waarop de benadeelde tegenover de verzekeraar aanspraak kan maken. In veruit de meeste gevallen - ook als sprake is van een internationaal verkeersongeval als bedoeld in dit boek - zal er een verzekeraar in het spel zijn. De schaderegelaar treedt op als vertegenwoordiger van de verzekeraar en zijn verplichting is in zoverre dan ook een van die van de verzekeraar afgeleide. Ook de verplichting van het Bureau in dit verband kan eenvoudig worden beschreven aan de hand van het regime dat voor de verzekeraar geldt. De verplichting van de verzekeraar om de benadeelde een onderbouwd aanbod te doen dan wel een met redenen omkleed antwoord te geven waarom dat (nog) niet mogelijk is, heeft - als de benadeelde bezoeker is in de zin van de 4e Richtlijn - zijn tegenhanger in de toegang van de benadeelde tot het schadevergoedingsorgaan. Op de vraag welke inhoud de schadevergoedingsorganen aan het gemotiveerde antwoord geven gaan de paragrafen 5.6.2.3 en 5.6.2.4 in.
In het hiernavolgende zal eerst worden nagegaan wat de Richtlijn verstaat onder een gemotiveerd antwoord, welk sanctieregime de lidstaten in het leven moeten roepen in geval van nalatigheid van de verzekeraar om gemotiveerd te reageren en hoe dit regime, naar het oordeel van de Europese Commissie, functioneert.
Daarna wordt in paragraaf 5.2.9.2 onderzocht hoe deze communautaire verplichtingen in de Nederlandse wetgeving zijn omgezet.
b) Het gemotiveerde antwoord
De hier behandelde procedure wordt kort aangeduid met de 'gemotiveerd-antwoordprocedure' maar deze kwalificatie is zoals reeds hiervoor opgemerkt niet (geheel) juist. Het uitgangspunt van art. 22 van de Richtlijn is, dat de verzekeraar binnen drie maanden een onderbouwd aanbod tot schaderegeling moet doen; alleen als dat niet mogelijk is omdat - kort gezegd - ofwel de aansprakelijkheid (nog) niet vaststaat of wordt betwist, dan wel de schade nog niet is gekwantificeerd2, is de verzekeraar gehouden een met redenen omkleed antwoord aan de benadeelde te verstrekken waarin hij op alle punten van het verzoek om schadevergoeding ingaat.
Het lijkt erop dat de Richtlijn is geïnspireerd door de wetgeving in Frankrijk, waar de verzekeraar eveneens, op straffe van boetes, verplicht is binnen een periode van drie, in het geval van personenschade acht maanden een regelingsaanbod te doen.3 Deze aanpak past geheel in een stelsel van automatische vergoeding van schade, waar de schuld- en aansprakelijkheidsvraag voor een belangrijk deel niet meer aan de orde zijn. In landen waar de aansprakelijkheidsvraag nog wel een wezenlijk onderdeel van het regelingsproces is, zoals in Nederland, zal eerder de nadruk liggen op de voorafgaande fase van onderzoek.
De Richtlijn is niet bijzonder duidelijk omtrent de eisen waaraan het 'gemotiveerde antwoord' moet voldoen. Dat de verzekeraar het antwoord schriftelijk moet verstrekken staat wel vast, al moet men dat in overweging 40 van de Preambule lezen. Hoewel daar (alleen) staat dat het met redenen omklede voorstel tot schadevergoeding schriftelijk aan de benadeelde moet worden gericht, mag worden aangenomen dat hetzelfde geldt voor het gemotiveerde antwoord dat en waarom (nog) geen voorstel tot schadevergoeding kan worden uitgebracht. Juist in deze situatie heeft de benadeelde immers belang bij een ondubbelzinnige, schriftelijke uiteenzetting van de redenen waarom hij (nog) geen aanbod krijgt.
Fuhrer4 wijst erop dat de verzekeraar niet met een nietszeggend, tweeregelig briefje kan verhinderen dat het schadevergoedingsorgaan zal gaan optreden:
"Er muss zumindest zo allen von dem Geschädigten vorgebrachten Argumenten Stellung nehmen"
Maar deze schrijver kan niet concreet aangeven aan welke eisen het gemotiveerde antwoord moet voldoen. De verzekeraar moet minimaal op alle door de benadeelde naar voren gebrachte argumenten reageren. Fuhrer meent dat de verzekeraar niet daarenboven gehouden is de feiten eigener beweging te onderzoeken en daarover een standpunt in te nemen. Van hem zou niet meer mogen worden verwacht dan van de rechter die over het geval moet oordelen.
Vanuit de Nederlandse schaderegelingspraktijk valt hierbij een vraagteken te plaatsen. Nederlandse verzekeraars zijn op grond van gedragsregels van het Verbond van Verzekeraars gehouden tot een actief schaderegelingsbeleid, een 'verplichting' die ook in zoverre afdwingbaar is, dat de Tuchtraad Financiële Dienstverlening, de opvolger van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf, zal oordelen dat de verzekeraar die deze verplichting niet naleeft, de goede naam van het verzekeringsbedrijf schaadt. De opvatting van Fuhrer houdt een passieve rol van de verzekeraar in, een houding die nauwelijks meer met moderne opvattingen over de rol van de verzekeraar verenigbaar is. Maar deze schrijver moet worden toegegeven dat een verplichting tot actief schaderegelen niet zonder meer uit de Richtlijn af te leiden valt.
Van Schoubroeck stelt ook vast dat de Richtlijn de criteria om te toetsen of het antwoord of voorstel 'met redenen omkleed' is, volledig openlaat. Zij constateert dat deze open norm
"enigszins paradoxaal impliceert (...) dat de correcte naleving van deze Vierde Richtlijn die de minnelijke afwikkeling van het schadegeval beoogt te versnellen en te vereenvoudigen, uiteindelijk enkel kan worden beoordeeld door de rechter in het kader van een gerechtelijke procedure."5
Velentza6 meent dat
"implementing this notion of appropriate or reasoned (offer or reply, F7B) shouldn't imply many difficulties for Member States to implement since motivation is a principle generally recognised in the laws of all Member states, especially as motivation of administrative acts is concerned. Moreover, in terms of insurance EC legislation, this term was also included in the 2nd Motor directive (Article 1 par. 4) as far as motivation of the decisions of the Guarantee Funds is concerned."
Of motivation inderdaad een zo algemeen erkend beginsel is in de wetgeving van de lidstaten waag ik te betwijfelen. De ervaring in de verkeersschadepraktijk leert bovendien dat de opvattingen omtrent wat onder een behoorlijke motivering wordt verstaan van land tot land verschillen. Wat voorts de relevantie is van dat beginsel in het bestuursrecht, in aanmerking nemende dat het in de verkeersschaderegeling om civiel recht gaat, is ook onduidelijk.
Interessant is wel de verwijzing naar de verplichting van het waarborgfonds, thans neergelegd in art. 10 lid 2 van de Richtlijn, om "een met redenen omkleed antwoord met betrekking tot de betaling van een vergoeding te geven". Het ligt inderdaad voor de hand de woorden 'met redenen omkleed' in art. 22 dezelfde betekenis te geven als die in art. 10. Maar dat brengt ons niet veel verder, want ook in het kader van art. 10 ontbreekt elke aanwijzing die tot een authentieke interpretatie zou kunnen leiden.
De Nederlandse wetgever heeft zich, in het kader van de implementatie van de 4e Richtlijn, gewaagd aan een uiteenzetting omtrent de inhoud van het begrip 'met redenen omkleed antwoord'. Daaraan valt het volgende te ontlenen:
"Met het aan de richtlijn ontleende begrip "met redenen omkleed" wordt aangegeven dat de verzekeraar niet kan volstaan met een nietszeggend antwoord, waarin niet inhoudelijk wordt ingegaan op de voorgelegde schadevordering. Zonder naar volledigheid te streven zal naar onze mening in het antwoord in ieder geval gemotiveerd moeten worden aangegeven of aansprakelijkheid al dan niet wordt erkend, of beroep wordt gedaan op eventuele uitsluitingsgronden, of en zo ja welke informatie nog niet voorhanden is, en of nader onderzoek nodig wordt geacht.”7
Een van de gevolgen van het uitblijven van een tijdig, gemotiveerd antwoord is dat de benadeelde zich tot het schadevergoedingsorgaan kan wenden. Daarom ligt het voor de hand om te bezien of art. 24 van de Richtlijn handvatten biedt voor de uitleg van het begrip 'met redenen omkleed antwoord'. Op het vraagstuk van de rol van het schadevergoedingsorgaan in het geval van het uitblijven van een gemotiveerd antwoord gaat paragraaf 5.6.2.5 nader in, maar hier kan daarop vooruitlopend al wel het volgende worden opgemerkt.
Blijkens overweging 48 van de Preambule heeft het schadevergoedingsorgaan tot taak:
"verzoeken tot vergoeding van door de benadeelde geleden schaden af te wikkelen, doch enkel in objectief vaststelbare gevallen. Het moet er zich daarom toe beperken na te gaan of binnen de vastgestelde termijnen en volgens de voorgeschreven procedures een voorstel tot schadevergoeding is voorgelegd zonder op de inhoudelijke aspecten van de zaak in te gaan."
Het schadevergoedingsorgaan heeft dus onder omstandigheden te beoordelen of de verzekeraar een met redenen omkleed antwoord op het verzoek om schadevergoeding heeft gegeven, maar het mag zich (kennelijk) niet begeven in de inhoudelijke beoordeling van het standpunt van de verzekeraar.8 Aanknopingspunten voor de vraag aan welke inhoudelijke eisen het met redenen omklede antwoord moet voldoen geeft echter noch overweging 48, noch art. 24.
De conclusie dringt zich op dat de Richtlijn de regeling van de 'gemotiveerd-antwoordprocedure' weinig bevredigend vorm heeft gegeven. Voor zover de benadeelde bezoekend slachtoffer in de zin van art. 20 e.v. is, kan hij zich onder omstandigheden nog wenden tot het schadevergoedingsorgaan, dat dan zal hebben na te gaan of de verzekeraar een met redenen omkleed antwoord heeft gegeven. Ook het schadevergoedingsorgaan heeft echter weinig aanknopingspunten voor zijn beslissing. In andere gevallen dan die in het kader van de 4e Richtlijn – waaronder de situaties die het meest frequent voorkomen: de ongevallen met een zuiver nationaal karakter - staat de benadeelde geen andere weg open dan zich te wenden tot de burgerlijke rechter.
Ik zou in elk geval willen aannemen dat het met redenen omklede antwoord voor de benadeelde begrijpelijk moet kunnen zijn. Dat houdt in de eerste plaats in dat het in een voor hem begrijpelijke taal moet zijn geschreven (men houde in het oog dat in het kader van de '4e Richtlijn' niet alleen de schaderegelaar maar ook de verzekeraar kan reageren) en dat ook niet kan worden volstaan met juridisch juiste, maar voor de leek onbegrijpelijke verwijzingen naar wetsartikelen en jurisprudentie. Het zal op alle relevante aspecten van het verzoek om schadevergoeding moeten ingaan en zou ik ook willen aannemen - ermee rekening moeten houden dat de benadeelde die zelf zijn claim indient niet juridisch geschoold is.9
c) Het sanctieregime
De lidstaten moeten het naleven van deze gemotiveerd-antwoordprocedure afdwingen met 'passende, afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige sancties', aldus de aanhef van art. 22. De aan deze bepaling gewijde overweging 40 van de Preambule is interessant genoeg om hier integraal te worden weergegeven:
"(40) Het is passend om, in aanvulling op de aanwezigheid in het land van woonplaats van de benadeelde van een vertegenwoordiger van de verzekeringsonderneming, ook het specifieke recht van de benadeelde op een snelle afwikkeling van de vordering te garanderen.10 Bijgevolg moeten de nationale wetgevingen voorzien in passende, afdoende en systematische financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve sancties - zoals met administratieve geldboeten gecombineerde dwangbevelen, regelmatige rapportage aan toezichthoudende autoriteiten, controles ter plaatse, bekendmakingen in het nationale publicatieblad en in de pers, schorsing van de werkzaamheden van de verzekeringsonderneming (verbod om gedurende een bepaalde periode nieuwe contracten af te sluiten), aanwijzing van een speciale vertegenwoordiger van de toezichthoudende autoriteiten die moet nagaan of het bedrijf conform de verzekeringswetgeving wordt uitgeoefend, intrekking van de vergunning voor deze branche, sancties tegen bestuurders en kaderpersoneel en tegen de verzekeringsonderneming - voor het geval de verzekeringsonderneming, of haar schaderegelaar, de verplichting om binnen een redelijke termijn een voorstel tot schadevergoeding voor te leggen, niet nakomt. Dit dient de toepassing van andere nodig geachte maatregelen - met name maatregelen krachtens de toezichtswetgeving - onverlet te laten. De verzekeringsonderneming kan evenwel enkel dan binnen de voorgeschreven termijn een met redenen omkleed voorstel doen, wanneer over de aansprakelijkheid en de geleden schade geen betwisting bestaat. Het met redenen omklede voorstel tot schadevergoeding moet schriftelijk worden gedaan en moet de gronden bevatten waarop de aansprakelijkheid en de schade werden vastgesteld."
Daarnaast verlangt art. 22 op basis van overweging 41 dat de benadeelde die geen aanbod tot schadevergoeding heeft gekregen binnen de daarvoor voorgeschreven tijd, aanspraak moet kunnen maken op betaling van (vertragings)rente.
Een dubbel sanctieregime derhalve. Na lezing van deze passages kan men Fuhrer slechts gelijk geven:
"Offenbar hegt die EU ein ausgeprtigtes Misstrauen gegenber den Versicherern (...)."11
Reeds eerder schreven De Bosch Kemper en ik over het sanctiestelsel van de 4e Richtlijn.12 Wij uitten ons daarbij kritisch over deze bepaling (en de toelichting daarop in de overwegingen): op zichzelf is vertraging in de afhandeling van schaden in het - onder de 4e Richtlijn internationale - verkeer wel ergerlijk, maar of deze misstand zulke draconische sancties als uiteindelijk intrekking van de vergunning rechtvaardigt, leek ons - en lijkt mij nog steeds - de vraag.13
Men kan zich afvragen hoe deze opdracht aan de nationale wetgever zich verhoudt tot het proportionaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat het optreden van de gemeenschap evenredig moet zijn aan het te bereiken doel 14 Dat overweging 40 spreekt van 'passende' sancties doet daaraan niet wezenlijk af. Vrijwel geen enkele van de in de 'catalogus' van overweging 40 opgesomde maatregelen leent zich ervoor om bij een individueel geval van niet naleven van de verplichting tot het verstrekken van een gemotiveerd antwoord te worden toegepast. Dat lijkt echter wel de bedoeling van de Richtlijn. Zie het slot van de zin waarin de mogelijke sancties worden opgesomd: de nationale wetgeving dient te voorzien in sancties 'voor het geval de verzekeringsonderneming, of haar schaderegelaar, de verplichting om binnen een redelijke termijn een voorstel tot schadevergoeding voor te leggen, niet nakomt.'
Fuhrer merkt op:
"Die Schärfe der Massnahmen kontrastiert damit augenfällig mit dem Ausmass der Gefährdung öffentlicher Interessen, die mit einer Verletzung des diesen Massnahmen auslösenden Tatbestandes verbunden sind."
Hij meent dat bestuursrechtelijke sancties alleen kunnen worden toegepast als openbare belangen in het geding zijn en niet louter ter bescherming van belangen van een enkel individu. Daarvoor dient zijns inziens het burgerlijke recht. Slechts wanneer de verzekeraar stelselmatig de rechten van verzekerden of slachtoffers tekort doet, zou de toezichthouder kunnen en moeten ingrijpen.15
De onduidelijkheid over de precieze eisen waaraan een met redenen omkleed antwoord moet voldoen, maakt het toepassen van sancties bovendien lastig.
De lidstaten plegen niet zover te gaan bij het formuleren van sancties als overweging 40 suggereert. Wel gaat een aantal staten verder dan Nederland, dat zich beperkt tot bedreiging met het sanctieregime van de Wft. De vraag of Nederland daarmee de 4e Richtlijn juist heeft geïmplementeerd wordt besproken in paragraaf 5.2.9.2 onder d) e.v.
Terzijde zij nog opgemerkt dat een letterlijke lezing van overweging 40 de conclusie zou kunnen rechtvaardigen dat alleen het niet doen van een aanbod (in gevallen waarin aansprakelijkheid en schadeomvang vaststaan) met sancties wordt bedreigd, maar de tekst van de Richtlijn is daarin duidelijk: ook het niet gemotiveerd reageren bij betwisting van de aansprakelijkheid en het niet volledig gekwantificeerd zijn van de schade moet met sancties worden bedreigd.
Onduidelijk is bovendien wat de Richtlijn voor ogen heeft met de bepaling van art. 22, tweede alinea, inhoudende dat de lidstaten zullen bepalen "dat, indien geen voorstel is voorgelegd binnen de termijn van drie maanden over de door de verzekeringsonderneming voorgestelde of door de rechter toegewezen vergoeding interest verschuldigd is". De bepaling is verwarrend om verschillende redenen.
In de eerste plaats bepaalt art. 22 dat de vertragingsrente verschuldigd moet zijn als de verzekeraar geen voorstel doet binnen de termijn van drie maanden. De Richtlijn verplicht echter niet zonder meer om een schaderegelingsaanbod te doen, maar alleen als de aansprakelijkheidsvraag bevestigend beantwoord is en de schade voldoende vaststaat. Bestaat daaromtrent nog onduidelijkheid, dan volstaat een met redenen omkleed antwoord dat uitlegt waarom nog geen aanbod kan worden gedaan.
Voorts roept overweging 41 vragen op. Zij stelt immers dat de lidstaten het voorschrift dat de benadeelde aanspraak moet kunnen maken op vergoeding van interest in geval de verzekeraar geen schaderegelingsvoorstel doet, kunnen uitvoeren door te verwijzen naar bestaande nationale bepalingen 'zo betaling van nalatigheidsinterest door de lidstaten al voorgeschreven is'. Zou dat betekenen dat art. 22, tweede alinea van de Richtlijn geen extra verplichting in het leven roept, bovenop - ten onzent bijvoorbeeld - art. 6:119 BW? In deze zin kennelijk Fuhrer16. Deze auteur werpt in dat kader de vraag op of de Richtlijn het oog heeft op vertragingsinterest of op boeterente. Heeft de Franse wetgeving als voorbeeld gediend, dan is van het laatste sprake.17 Fuhrer grijpt terug op de toelichting bij het Gemeenschappelijk standpunt van de Raad waaruit blijkt dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen bestuursrechtelijke en civielrechtelijke sancties. Daaruit volgt volgens hem dat met de interessen louter vertragingsrente wordt bedoeld: "mit den Zinsen lediglich kompensatorische Verzugszinsen und nicht Strafzinsen im Sinne der Loi Badinter gemeint sind".18
Ook Van Schoubroeck19 meent dat de lidstaten kunnen volstaan met een verwijzing naar de nationale voorschrtiften omtrent het betalen van 'nalatigheidsintresten', waarbij zij er betekenis aan hecht dat het oorspronkelijke voorstel voor de 4e Richtlijn nog bepaalde dat een dubbele intrest moest worden betaald.
Lemor spreekt over Strafzinsen in een artikel in het Schweizerische VersicherungsZeitschnft.20 Op een andere plaats meent hij echter dat de Richtlijn de kwestie openlaat:
"Es bleibt den Mitgliedstaaten überlassen, hier nur übliche (oder erhöhte) Verzugszinsen vorzusehen oder darüber hinaus gehende regelrechte Strafzinsen; letzere würden dann allerdings nicht dem Geschädigten, sondern dem Staat zugute kommen sollen."21
De Richtlijn bepaalt dat de rente betaald moet worden als de verzekeraar niet binnen drie maanden een voorstel doet. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Richtlijn niet meebrengt dat rente verschuldigd moet zijn als de verzekeraar wel binnen drie maanden een vergoeding aanbiedt. Twee interpretaties zijn dan mogelijk: ofwel het gaat om de normale vertragingsrente (zoals ten onzent neergelegd in art. 6:119 BW) en het is voldoende dat deze rente verschuldigd is als de verzekeraar de termijn van drie maanden niet in acht neemt, dan wel het gaat om een extra renteaanspraak, bovenop of naast de eventueel reeds vanaf een eerder tijdstip door de aansprakelijke zelf verschuldigde rente. In deze laatste interpretatie zou de verwijzing in overweging 41 naar eventueel al bestaande verplichtingen tot rentevergoeding betrekking hebben op bepalingen als die in art. L211-13 e.v. van de Franse Code des assurances, die de verzekeraar een (verdubbelde) renteverplichting oplegt als hij niet binnen de voorgeschreven termijnen een aanbod aan de benadeelde doet. Voor deze interpretatie pleit de aanknoping aan de overschrijding van de drie-maandstermijn.
Ik neig er, anders dan Van Schoubroeck, Fuhrer en Lemor (in Feyock, Jacobsen & Lemor), toe de verplichting tot betaling van interest als bedoeld in art. 22, tweede alinea van de Richtlijn te onderscheiden van de algemene verplichting tot het betalen van rente wegens vertraging in de betaling van een geldsom, zoals ten onzent op grond van art. 6:119 BW. Het gaat mijns inziens om een specifieke vertragingsrente, die om een andere reden verschuldigd is: niet als vergoeding van de schade die optreedt als een geldsom verschuldigd is, maar als prikkel om tijdig te reageren op een verzoek om schadevergoeding. Als nationale wetgevers zouden kunnen volstaan met een verwijzing naar al bestaande rentevergoedingsverplichtingen in verband met de vertraagde betaling van een geldsom, zou de bepaling wel een zeer bescheiden effect hebben.22 Het gebruik van het woord 'nalatigheidsinterest' in overweging 41 zie ik niet als bezwaar. De nalatigheid heeft mijns inziens betrekking op het niet geven van een reactie binnen de termijn van drie maanden. Ook de Franse versie die spreekt van 'intérêts de retard' en de Duitse die term 'Verzugszinsen' gebruikt, dwingen niet tot een andere conclusie.23
De door mij bepleite uitleg van art. 22 van de Richtlijn roept evenwel ook weer nieuwe vragen op.
Problematisch is onder meer dat de Richtlijn in het midden laat vanaf welk moment de rente verschuldigd zou moeten zijn. Uit de omstandigheid dat de Richtlijn slechts verplicht tot vergoeding van rente als de verzekeraar niet binnen drie maanden een schadevergoedingsaanbod heeft gedaan, kan worden afgeleid dat de verplichting tot vergoeding van rente pas na afloop van deze termijn van drie maanden in behoeft te gaan. Wel kan uit de bewoordingen van de Richtlijn worden afgeleid dat aanmaning door de schuldeiser, de benadeelde, niet nodig is. De verzekeraar is deze rente van rechtswege verschuldigd.24 Onduidelijk is voorts over welke periode de rente bedoeld in art. 22 van de Richtlijn zal moeten worden berekend. Eindigt de periode waarover de interest berekend moet worden op de dag waarop de verzekeraar alsnog een onderbouwd aanbod doet? Of loopt de rente door totdat de verzekeraar de schade (volledig) heeft vergoed?
De vraag is bovendien of een strikte uitleg van de Richtlijn meebrengt dat de rente als bedoeld in art. 22 alleen dan verschuldigd is, als de verzekeraar in staat (en verplicht) is een aanbod te doen. Overweging 41 spreekt immers alleen van het 'voorleggen van een aanbod'. Als de aansprakelijkheid onduidelijk is of de schade onvoldoende aangetoond, behoeft hij geen aanbod te doen. Ik zou menen dat art. 22 ook moet worden toegepast als de aansprakelijkheid nog niet vaststaat of de schade onvoldoende is gekwantificeerd en de verzekeraar niet binnen drie maanden met redenen omkleed uiteenzet dat hij geen aanbod doet. Blijkt later dat de verzekeraar toch tot uitkering moet overgaan, dan zou mijns inziens ook de interest bedoeld in art. 22 moeten worden vergoed. Een andere uitleg zou meebrengen dat de Richtlijn geen rentebepaling bevat voor het geval de verzekeraar eerst kan volstaan met het geven van een gemotiveerde reactie, maar uiteindelijk wel tot vergoeding van de schade verplicht is.
De vraag is voorts of handhaving door (vertragings)rente effectief kan zijn, voor zover de slachtoffers onder het bereik van de 4e Richtlijn vallen. Dat houdt mede verband met de vraag welk recht op het sanctieregime van toepassing is.
Van Schoubroeck25 ziet een aantal opties: het recht van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar, dat van de woonplaats van de benadeelde, dat van de lidstaat welks recht de verzekeringsovereenkomst beheerst of dat van het land van het ongeval? Of kan de nationale wetgever de benadeelde een keuzemogelijkheid geven? Van Schoubroeck acht het niet uitgesloten "dat het recht van het land van het ongeval bepalend is voor de bijkomende vergoeding of intrestregeling waarop het slachtoffer recht heeft".
Franken en Lodder26 menen dat de renteaanspraak beheerst zal worden door het recht dat door het Haags Verkeersongevallenverdrag wordt aangewezen (zij schrijven over het Nederlands recht; m.m. zal de redenering ook opgaan wanneer Verordening Rome II van toepassing is). Deze auteurs nemen aan dat de renteaanspraak door het recht wordt beheerst dat op de aansprakelijkheids- en schadevergoedingsvraag van toepassing is.
Ik zou zelf menen dat de vraag welk rechtsstelsel de sancties beheerst, voor zover zij kennelijk een publiekrechtelijk karakter hebben, niet op grond van het IPR kan worden beantwoord. Ik sluit mij daarom in zoverre aan bij Pire27, die meent dat de sancties die als onderdeel van de toelatingsvoorwaarden voor de branche WA-motorrijtuigen moeten worden gezien, door het recht van de lidstaat van vestiging van de verzekeraar worden beheerst. Tegen het aanknopen bij elk ander regime dan dat van de lidstaat waar de verzekeraar is gevestigd valt bovendien in te brengen dat de sancties - deels - zullen moeten worden opgelegd door de toezichthouder en dat kan in het kader van home country control alleen de toezichthouder in de lidstaat van vestiging zijn. Tegen het aanknopen bij het recht van het land van het ongeval pleit voorts, dat onder omstandigheden ook ongevallen in niet-lidstaten onder het regime kunnen vallen (en deze landen zullen, nu zij niet daartoe gedwongen zijn door de Europese wetgever, niet noodzakelijk een sanctiestelsel kennen).
Voor zover de verplichting tot het vergoeden van de in art. 22 bedoelde interessen als privaatrechtelijk kan worden gekwalificeerd, kan wel bij het op grond van het IPR op het ongeval aangewezen recht worden aangeknoopt.
Bij dit alles wijs ik er op dat de Richtlijn eist dat de sancties 'passend, afdoende en systematisch' moeten zijn. Het gevolg van een scheiding van het recht dat de administratieve sancties beheerst en het recht dat de rentevergoeding regelt zou kunnen zijn dat zij - bijeengenomen - niet meer als passend en systematisch kunnen worden gekwalificeerd, omdat dit tot cumulatie van sancties kan leiden. Dat klemt te meer als de door de nationale wet voorgeschreven rente het karakter van een boeterente heeft.
Als voorbeeld kan dienen de Belgische regeling, die de benadeelde die niet binnen drie maanden een aanbod dan wel een gemotiveerd antwoord heeft ontvangen, na een aangetekende aanmaning aanspraak geeft op een vergoeding van 250 per dag dat de verzekeraar in gebreke blijft. Deze vergoeding kan - bij schaden van geringe omvang - al gauw in geen verhouding meer tot de schade staan. Als daar bovenop nog administratieve sancties komen, is de balans snel zoek.
Bevredigend voor de benadeelde is dit alles niet. Hij zal bij een ongeval in een ander land dan dat van zijn woonplaats - als de verzekeraar of de schaderegelaar niet binnen drie maanden gemotiveerd reageert - voor de vraag welke sancties de verzekeraar boven het hoofd hangen (en die hem wellicht ook baten) de wetgeving in het land van vestiging van de verzekeraar moeten raadplegen. Een voorbeeld:
Een Franse inwoner wordt slachtoffer van een ongeval in Nederland, waarvoor een Nederlandse automobilist, bij een Nederlandse maatschappij verzekerd, aansprakelijk is. Teruggekeerd in eigen land wendt hij zich tot de schaderegelaar van de Nederlandse verzekeraar. Deze antwoordt niet binnen drie maanden en hetzelfde geldt voor de verzekeraar. Vanzelfsprekend kan - en zal - hij zich tot het Franse schadevergoedingsorgaan wenden, maar of de Nederlandse toezichthouder snel zal optreden als een Nederlandse verzekeraar niet aan de verplichtingen van art. 4:70 Wft voldoet, waag ik te betwijfelen. De Nederlandse toezichthouder heeft met het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan afgesproken dat hij periodiek - en niet bij elke overtreding van een verzekeraar wordt ingelicht. Zie voor de verplichting van het Schadevergoedingsorgaan om de toezichthouder in te lichten art. 27t lid 2 Wam.
Het belang van het vraagstuk wordt groter, als de sancties in de nationale wetgeving niet louter van bestuursrechtelijke aard zijn, zoals (afgezien van de wettelijke (vertragings)rente) ten onzent, maar aan de benadeelde zelf ten goede komen. Een voorbeeld kan ook hier worden gevonden in België, waar de verzekeraar onder omstandigheden een bedrag verbeurt van € 250 per dag dat hij in verzuim is, een bedrag dat aan de benadeelde toekomt. Maar dan moet die benadeelde dat wel weten!
d) De evaluatie van de Europese Commissie
Art. 4 lid 7 van de 4e Richtlijn bepaalde dat de Europese Commissie vóór 20 januari 2006 aan het Parlement en de Raad moest rapporteren over onder meer de wijze waarop de nationale wetgevers de sancties op het niet naleven van de 'driemaandsgemotiveerd-antwoordprocedure' vorm hebben gegeven. Deze rapportage is uiteindelijk op 25 juni 2007 gepubliceerd, nadat bij de totstandkoming van de 5e Richtlijn was besloten in het rapport ook het onderwerp van de kosten van rechtshulp te adresseren.28
Uit de rapportage blijkt dat de wijze waarop de nationale wetgever de sanctieverplichting heeft geïmplementeerd zeer sterk verschilt van land tot land. Financiële sancties zijn slechts in ongeveer de helft (13) van de lidstaten geïntroduceerd, andere (administratiefrechtelijke) sancties in een achttal lidstaten (waarvan er vier ook financiële sancties kennen) en in elf lidstaten vertrouwt de wetgever erop dat de verplichting om vertragingsrente over de schadevergoeding te betalen de verzekeraar en zijn schaderegelaar wel in het gareel zal houden. Veel lidstaten melden echter slechts dat wettelijke (vertragings)rente verschuldigd is. Enkele landen geven iets meer informatie, soms in de vorm van een percentage of een berekeningswijze. Voor zover de lidstaten concreet worden varieert de vertragingsrente van 0,01 % per dag (omgerekend dus 3,65 % op jaarbasis) over het verschuldigde bedrag (in Litouwen) tot 13,5 % (in Slovenië). Ook komt de variant van de dubbele wettelijke rente voor (in Frankrijk). Het overzicht van de Europese Commissie laat veel vragen open.29
De figuur van de schaderegelaar wordt als een aanwinst gezien om het proces van schaderegeling bij grensoverschrijdende ongevallen te bespoedigen, terwijl de lidstaten van oordeel zijn dat benadeelden voldoende van de mogelijkheden van de Richtlijn op de hoogte kunnen zijn. Ten slotte rapporteert de Commissie dat verzekeraars en hun schaderegelaars - uitzonderlijke gevallen (waarin een proces-verbaal van politie lang uitblijft of waarin van slechte communicatie tussen verzekeraar en schaderegelaar sprake is) buiten beschouwing gelaten - in staat zijn om binnen drie maanden de claim af te handelen.30
De Commissie verlaat zich bij haar oordeel dat de 4e Richtlijn bevredigend functioneert, op de antwoorden van de lidstaten, gezien het onderstaande citaat:
"Bij de lidstaten is de meerderheid van oordeel dat hun burgers zich terdege bewust zijn van de mogelijkheid om grensoverschrijdende verzoeken tot schadevergoeding af te handelen via de schaderegelaar die in hun lidstaat van herkomst is aangewezen. In hun antwoord op de desbetreffende vraag verwezen de lidstaten naar de diverse kanalen waarvan gebruik is gemaakt om burgers te informeren over het bestaan van een schaderegelaar, zoals voorlichtingscampagnes ten behoeve van het publiek, websites van nationale bureaus van motorrijtuigenverzekeraars, verenigingen van verzekeringsondernemingen en overeenkomstig artikel 5 (thans 23) van de richtlijn opgerichte informatiecentra."
Ondanks de constatering van de Commissie dat nog slechts weinig ervaring met de 4e Richtlijn was opgedaan ten tijde van haar onderzoek stelt zij vast dat, het gebrek aan uniformiteit in sancties ten spijt, art. 22 van de Richtlijn bevredigend functioneert. Maatregelen zijn in haar ogen dan ook niet nodig.
Bij deze conclusie kunnen wel vragen worden gesteld. Mijn indruk is dat veel benadeelden de wegen van de Richtlijn en de mogelijkheden - ook op sanctiegebied - nog niet kennen. De lidstaten mogen van oordeel zijn dat de vermelding op websites van diverse instanties afdoende is en dat ook voorlichtingscampagnes hun nut hebben, dat betekent nog niet dat daarmee alle slachtoffers worden bereikt en evenmin dat dezen zich van al hun rechten bewust zijn. Voor een gefundeerde conclusie zou, zo zou ik menen, meer en uitgebreider onderzoek noodzakelijk zijn.