De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer
Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4:2.4 De invloed van de algemeen verbintenisrechtelijke loonregels
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4
2.4 De invloed van de algemeen verbintenisrechtelijke loonregels
Documentgegevens:
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855389:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De wettelijke handelsrente bedraagt ten tijde van het afronden van dit boek (1 maart 2023) 8%.
Als de opdrachtnemer zakendoet met de overheid, geldt art. 6:119b BW.
Gedetailleerde en technische opmerkingen laat ik verder achterwege, evenals de andere verschillen tussen de verscheidene wettelijke rentes.
Ik ga van deze tijdelijkheid uit, m.a.w.: de overeenkomst wordt nadien voortgezet en eindigt dus niet. Zie over de loonaanspraak bij opzegging par. 4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het algemene verbintenissenrecht biedt de opdrachtnemer in principe geen ruime bescherming op het gebied van de hoogte en uitbetaling van het loon. Toch blijft de opdrachtnemer niet geheel met lege handen achter als het aankomt op inkomensbescherming. In dit verband bespreek ik twee onderwerpen: de wettelijke (handels)rente als beschermingsinstrument voor het tijdig ontvangen van het loon en schuldeisersverzuim als grondslag voor een loonaanspraak bij niet-werken. Andere algemeen verbintenisrechtelijke leerstukken die in het kader van loon kunnen spelen, maar niet of nauwelijks bescherming (kunnen) geven en ook niet concreet zien op het leerstuk loon, behandel ik niet, waaronder verrekening van het loon met andere aanspraken (artikel 6:127 BW) en opschorting van de eigen verplichtingen om zo de wederpartij aan te sporen het loon te voldoen (artikel 6:262 en 6:52 BW).
Het eerste onderwerp betreft de wettelijke (handels)rente, die bij vertraagde betaling van het loon verschuldigd raakt en ertoe moet aanzetten dat de opdrachtgever tijdig het verschuldigde loon betaalt (paragraaf 2.4.1). Bij een te late betaling kan de opdrachtnemer aanspraak maken op een gefixeerde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente.1 Hierbij maakt de wet onderscheid tussen ‘gewone’ wettelijke rente (artikel 6:119 BW) en wettelijke handelsrente (artikel 6:119a e.v. BW).2 In paragraaf 2.4.1 constateer ik dat de verhouding tussen de niet-particuliere opdrachtgever en opdrachtnemer aan de onderkant kwalificeert als business-to-business-relatie in de zin van artikel 6:119a BW, waardoor de opdrachtnemer een beroep kan doen op de wettelijke handelsrente. Verder bespreek ik de voordelen van de toepasselijkheid van artikel 6:119a BW vanuit het perspectief van de opdrachtnemer als schuldeiser, waaronder een hogere rentevoet dan de reguliere wettelijke rente, het zonder aanmaning aanvangen van de rente en een maximale contractuele betalingstermijn.3 Dat zou een aansporing kunnen vormen om de loonbetaling tijdig te voldoen. Niettemin plaats ik vraagtekens bij de effectiviteit van de wettelijke handelsrente om te late loonbetalingen ten opzichte van de opdrachtnemer te voorkomen, vooral ten aanzien van situaties waarin de onderhandelingspositie tussen partijen in disbalans is. In dat geval zal de opdrachtnemer waarschijnlijk niet of nauwelijks aanspraak maken op deze rente vanwege de angst daardoor de opdracht te verliezen of in de toekomst geen nieuwe opdrachten meer van deze opdrachtgever te verkrijgen.
Het tweede onderwerp dat van belang kan zijn bij het effectueren van de loonaanspraak, is het recht op loon van de opdrachtnemer bij niet-werken vanwege schuldeisersverzuim aan de zijde van de opdrachtgever. De werkzaamheden kunnen om verschillende redenen tijdelijk niet worden verricht.4 Zo is het denkbaar dat niet wordt gewerkt doordat de opdrachtgever onvoldoende orders heeft, de werkzaamheden niet kunnen worden uitgevoerd door bepaalde weersomstandigheden of de opdrachtgever (op last van de overheid) zijn bedrijf voor een zekere tijd moet sluiten vanwege een oorlog of pandemie. Als de oorzaak van het niet-werken aan de opdrachtgever is toe te rekenen, kan de opdrachtnemer onder omstandigheden recht op loon hebben op grond van schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW). Rechtspraak over dit onderwerp ontbreekt vrijwel. Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de verklaring hiervoor is dat de praktijk goed overweg kan met de risicoverdeling van artikel 6:58 BW en de toepassing daarvan geen aanleiding tot problemen geeft. Het in dit leerstuk besloten liggende toerekeningsvraagstuk schittert namelijk door onduidelijkheid en procedures liggen zodoende voor de hand. Het kan ook zo zijn dat de opdrachtnemer het belang te gering acht om de (goede) relatie met de opdrachtgever op het spel te zetten, net als bij de wettelijke (handels)rente. Dat klinkt logisch als het gaat om een loonaanspraak van één of twee dagen, maar ligt minder voor de hand als het een loonaanspraak van bijvoorbeeld enkele weken betreft. Een andere optie is dat partijen veronderstellen dat het niet-werken per definitie voor risico van de opdrachtnemer komt. Wellicht is deze gedachte gebaseerd op de aard van de overeenkomst van opdracht of zijn partijen prestatieloon overeengekomen, en gaan zij er om die reden van uit dat de opdrachtnemer daarmee zijn loonaanspraak heeft ‘weggegeven’ wanneer er, om welke reden dan ook, geen werkzaamheden worden verricht. Ik kom tot een genuanceerdere conclusie en zie onder omstandigheden ruimte voor een loonaanspraak over de niet-gewerkte periode op grond van schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW).
2.4.1 De wettelijke (handels)rente als inkomenszekerheid2.4.2 Geen arbeid, toch loon op grond van schuldeisersverzuim