Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.4.1
2.4.1 De wettelijke (handels)rente als inkomenszekerheid
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855404:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Sira Consulting 2020, p. 17.
Het vestigen van zakelijke zekerheidsrechten op het loon is vaak geen (logische) mogelijkheid, zeker niet voor de opdrachtnemer aan de onderkant.
Daarbij moet de redelijkheid en billijkheid in acht worden genomen (art. 6:2 BW). Dit brengt mee dat de opdrachtgever zoveel tijd moet worden gelaten als hij redelijkerwijs voor het verrichten van de loonbetaling nodig heeft (Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 170-171).
Het gaat zowel om de situatie waarin de opdrachtnemer helemaal geen loon ontvangt als waarin hij te weinig loon krijgt betaald. De laatste situatie kan ook het gevolg zijn van de toepasselijkheid van de WML (zie par. 2.3.1) zonder dat de opdrachtgever daarmee rekening heeft gehouden bij de loonbetaling.
In al wat langer geleden afgenomen interviews gaven opdrachtnemers aan dat het niet of te laat betaald krijgen, hun grootste ergernis is (Aerts 2007, p. 365).
Immers, een te late loonbetaling levert een tekortkoming in de nakoming van de loonbetalingsverbintenis op en dat geeft recht op schadevergoeding, voor zover de tekortkoming toerekenbaar is (art. 6:74 BW). Deze vergoeding is dan gefixeerd op de wettelijke (handels)rente (art. 6:119-119a BW).
Uit onderzoek blijkt dat de opdrachtnemer een betalingstermijn van meer dan dertig dagen als te lang ervaart.1 Hij heeft immers de werkzaamheden al verricht en misschien kosten gemaakt.2 Een wens tot snelle betaling ligt daarmee voor de hand. De betalingstermijn van het loon van de opdrachtnemer wordt in principe bepaald door wat partijen op dit gebied overeenkomen (artikel 6:39 BW). Bij gebreke van zo’n contractuele betalingstermijn moet de betalingsverplichting ‘terstond’ worden nagekomen (artikel 6:38 BW).3
De opdrachtnemer die niet binnen de contractuele of wettelijke betalingstermijn zijn loon volledig ontvangt,4 kan onder omstandigheden wettelijke rente vorderen.5 Op deze manier wordt de opdrachtnemer een zekere inkomensbescherming geboden in de zin van een tijdige en correcte loonbetaling en wordt hij gecompenseerd voor schade als gevolg van de te late loonbetaling.6 Ik kom tot de bevinding dat de opdrachtnemer aan de onderkant bij een niet-tijdige loonbetaling, aanspraak kan maken op de wettelijke handelsrente ex artikel 6:119a BW (paragraaf 2.4.1.1). De regel waarin de maximale contractuele betalingstermijn verder is ingeperkt voor de verhouding tussen de ‘grote’ opdrachtgever en de ‘kleine’ opdrachtnemer, dient vanuit de beschermingsgedachte te worden verruimd naar grote én mkb-opdrachtgevers (paragraaf 2.4.1.2). Ik sluit af met mijn vermoeden dat de regeling inzake de wettelijke (handels)rente onvoldoende is om de opdrachtnemer daadwerkelijk te beschermen tegen te late loonbetalingen (paragraaf 2.4.1.3).
2.4.1.1 De overeenkomst van opdracht als handelsovereenkomst2.4.1.2 De uiterste dag van betaling op straffe van de wettelijke handelsrente2.4.1.3 De mogelijke ineffectiviteit van de wettelijke handelsrente