Einde inhoudsopgave
Een Nederlandse personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid (IVOR nr. 81) 2011/6.4.3
6.4.3 Het juridische karakter van de personenvennootschap
mr.drs. I.S. Wuisman, datum 13-01-2011
- Datum
13-01-2011
- Auteur
mr.drs. I.S. Wuisman
- JCDI
JCDI:ADS393117:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Partijen dienen met de overeenkomst een gemeenschappelijk economisch voordeel te beogen (vgl: Asser/Maeijer 5-V, nr. 32). Het aangaan van de overeenkomst van een openbare vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid is niet aan bepaalde vormvereisten onderworpen en kan zowel mondeling als schriftelijk, nadrukkelijk als stilzwijgend gebeuren. Naar alle waarschijnlijkheid zal veelal een akte worden opgemaakt (vgl: J.E.M. Akveld et al. (2001), supra noot 12, blz. 49-50).
Vgl: Maeijer in het Verslag van de Vergadering van de Vereeniging Handelsrecht van 6 november 1998 in: J.M.M. Maeijer (1998), 'Vraagpunten en adviezen over titel 13 van Boek 7 inzake de personenvennootschappen', Deventer: W.E.J. Tjeenk Willink, blz. 38.
Artikel 7:805 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13.
Deze verplichting is niet expliciet in de wet geregeld, maar volgt onder andere uit artikel 6:248 BW.
Vgl: Asser/Maeijer 5-V, nr. 46.
Artikelen 7:809 en 7:810 Wetsvoorstel Titel 7.13 en Kamerstukken II, 2002-2003, 28 746, nr. 3, blz. 17.
Artikel 7:810 lid Wetsvoorstel Titel 7.13.
Artikel 7:815 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13.
Vgl: Wijk, R.J.A. van (2008), 'Wetsvoorstel personenvennootschappen: administratie; winst en verlies', Vastgoedrecht 2008-3, blz. 77-79.
Artikel 7:815 lid 4 Wetsvoorstel Titel 7.13.
Artikel 7:815 lid 4 Wetsvoorstel Titel 7.13. De regel voor de commanditaire vennoot is neergelegd in artikel 7:836a Wetsvoorstel Titel 7.13.
Artikel 7:816 lid 2 Wetsvoorstel Titel 7.13.
Kamerstukken II, 2003-2004, 28 746, nr. 5, blz. 9.
Artikel 7:800 lid 3 Wetsvoorstel Titel 7.13.
De vraag of een bepaling van dwingerechtelijke aard is of dat het gaat om regelend recht dient afgeleid te worden uit de formulering van de bepaling, of kan voorvloeien uit de aard van de bepaling (Kamerstukken II, 2008-2009, 31 065, nr. 15, blz. 4). De uiteindelijke keuze voor regelend recht maakt het volgens de minister beter mogelijk onderscheid te maken tussen verschillende gradaties van dwingend recht (Kamerstukken II, 2003-2004, 28 746, nr. 5, blz. 5).
McCahery, J.A. en E.P.M. Vermeulen (2005a), supra noot 2, blz. 382-391.
De personenvennootschap is in tegenstelling tot het institutionele karakter van de BV juist persoonlijk en gericht op samenwerking, het is een overeenkomst.1 In de memorie van toelichting staat dat deze samenwerking een min of meer gelijkwaardige positie van vennoten betekent. Ook in de nota naar aanleiding van het verslag wordt dit benadrukt. Ten opzichte van het huidige recht wordt deze samenwerking in Wetsvoorstel Titel 7.13 expliciet tot uitdrukking gebracht in artikel 7:800 lid 1: 'Vennootschap is de overeenkomst tot samenwerking voor gemeenschappelijke rekening van twee of meer personen, de vennoten, welke samenwerking is gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten door middel van inbreng door ieder van de vennoten'. Een overeenkomst die voldoet aan deze definitie wordt als een overeenkomst van vennootschap aangemerkt. Een vennoot heeft een contractueel recht, een recht op waarde van het aandeel dat men in het vermogen van de vennootschap heeft, maar dat men niet meteen kan effectueren.2 Partijen bij de overeenkomst (vennoten) kunnen zowel natuurlijke als rechtspersonen zijn. De inbreng van de vennoten bestaat uit het ten behoeve van de samenwerking leveren van een prestatie, zoals het ter beschikking stellen van geld, goederen, genot van goederen of arbeid en behoeft niet gelijkwaardig te zijn aan elkaar.3
Vereist is dat uit de inhoud van de overeenkomst is af te leiden dat partijen de wil hebben om duurzaam samen te werken op voet van gelijkheid.4 Dit onderscheidt de overeenkomst van vennootschap van andere overeenkomsten en van kapitaalvennootschappen. Wat precies de inhoud van de samenwerkingsverplichting is, zal van geval tot geval moeten worden beslist.5 Concretisering van de gelijkheidsgedachte komt terug in de (aanvullende) regels van het personenvennootschapsrecht. Zo is bijvoorbeeld iedere vennoot in beginsel een besturend vennoot en bevoegd voor rekening van de vennootschap alle rechtshandelingen te verrichten die gelet op het doel van de vennootschap tot haar normale werkzaamheden behoren.6 Voor het verrichten van andere rechtshandelingen voor de rekening van de vennootschap behoeft de vennoot de instemming van de andere vennoten.7 Daarnaast is in het Wetsvoorstel Titel 7.13 de hoofdregel dat iedere vennoot ongeacht de waarde van zijn inbreng, in beginsel voor een gelijk deel in de winsten en verliezen deelt.8 In de praktijk zal in tal van gevallen een afwijkende verdeelsleutel worden overeengekomen.9 Een vennoot mag echter niet volledig worden uitgesloten van de winstdeling.10 Hierdoor zou het wezenlijke kenmerk van vennootschap van artikel 7:800 lid 1 Wetsvoorstel Titel 7.13 (`samenwerking van de vennoten gericht op het behalen van vermogensrechtelijk voordeel ten behoeve van alle vennoten '), ontbreken. Wel kan overeengekomen zijn dat een vennoot niet hoeft bij te dragen aan de verliezen, zoals een commanditaire vennoot.11 Een plicht tot aanzuivering van het verlies is niet als hoofdregel opgenomen.12 De interne aansprakelijkheid wordt in de paragrafen 6.5.8 — 6.5.10 nader besproken. Andere vormen van gelijkheid komen terug in de regel dat alle vennoten dienen in te stemmen met de toetreding van een nieuwe vennoot13 en er tussen de vennoten geen verhouding van ondergeschiktheid mag bestaan. Een arbeidsovereenkomst tussen een vennoot en de vennootschap is verboden.14 Een volstrekte gelijkwaardigheid behoeft echter niet te bestaan. Aan de vennoten is grote vrijheid gelaten om een gepaste regeling te treffen voor de eigen specifieke samenwerking. Dit komt tot uiting in het feit dat het personenvennootschapsrecht in overwegende mate van regelend recht is. Het voorgestelde artikel 7:804 Wetsvoorstel Titel 7.13 waarin werd bepaald dat van de bepalingen van titel 7.13 slechts kon worden afgeweken voor zover dat uit de wet blijkt, is in het Wetsvoorstel Titel 7.13 komen te vervallen.15 De inrichting van de vennootschapstructuur is bij de OV en de OVR overgelaten aan de vennoten en bij de besluitvorming worden de vennoten nauwelijks gehinderd door wettelijke (procedure)voorschriften. Ook zijn de vennoten vrij om de vermogensstructuur van de personenvennootschap naar eigen goeddunken in te richten. Voor veel kleine vennootschappen is de interne structuur van de personenvennootschap het meest efficiënt.16