Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/2.6.2.0
2.6.2.0 Inleiding
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661574:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Happé 1996, p. 164.
Zie Douma e.a. 2021, p. 286, onder verwijzing naar De Vos 2011, hoofdstuk 7. Over civielrechtelijke aansprakelijkheid voor onjuiste overheidsinformatie zie Van de Sande 2019. Mijns inziens kan een gang naar de civiele rechter aan de orde komen als een rechtsingang bij de belastingrechter ontbreekt (bijv. als onjuiste voorlichting is gegeven, maar daarna geen aanslag is opgelegd of een voor bezwaar vatbare beschikking is genomen; ‘feitelijk handelen’, vgl. Happé 1996, p. 222), of als een rechtsingang niet meer open staat (bijv. na verstrijking van de rechtsmiddelentermijn) of als de procedure bij de belastingrechter via het vertrouwensbeginsel niet (geheel) succesvol kon zijn (bijv. als belanghebbende weliswaar gerechtvaardigde verwachtingen had, maar deze niet zijn gehonoreerd vanwege zwaarder wegende andere belangen (vgl. Van de Sande 2019, p. 129, 161) – al zal dat in de huidige vertrouwensleer niet gauw aan de orde komen). Zie bijv. Schut 1974; Geppaart 1984 over civiele aansprakelijkheid in het kader van o.a. inlichtingen.
Hoe kan theoretisch bezien in het belastingrecht worden omgegaan met situaties waarin burgers vertrouwen ontlenen aan voorlichting die tekortschiet? Daar doet zich een spanningsveld voor, zoals Happé toont:
‘Waar het aldus algemeen als een belang van zowel burgers als belastingadministratie wordt gezien dat de laatste zich op uitgebreide schaal van haar voorlichtende taak kwijt, roept het daarmee onvermijdelijk het spanningsveld op tussen enerzijds het vertrouwen dat door de voorlichting bij de burgers wordt opgewekt en anderzijds het risico dat aan diezelfde voorlichting onvolkomenheden zijn verbonden.’1
Volgens het geldende recht wordt het risicoverdelingsvraagstuk dat besloten ligt in het bovengenoemde spanningsveld bepaald aan de hand van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel (paragraaf 4.3). Het is echter goed te zien dat de benadering via het vertrouwensbeginsel in zeker opzicht een systeemkeuze is in het Nederlandse belastingrecht. Buiten Nederland schijnt honorering van gewekte vertrouwen contra legem geen vanzelfsprekendheid te zijn. In Frankrijk bijvoorbeeld – zo leert de literatuur – wordt het vertrouwensbeginsel niet als rechtsbeginsel erkend.2 In het Franse systeem biedt de bestuursrechter bescherming aan de burger doordat de overheid aansprakelijk wordt gehouden voor schade als gevolg van onjuiste toezeggingen. In de Nederlandse fiscale rechtspraak sinds de Doorbraakarresten uit 1978 en de literatuur wordt de erkenning van het vertrouwensbeginsel als wenselijk beschouwd (paragraaf 4.2). In dit onderzoek ga ik van dit uitgangspunt uit en dus van de systeemkeuze van het vertrouwensbeginsel. Hoewel ik erkenning van het vertrouwensbeginsel als rechtsbeginsel om de burger te beschermen jegens (onjuist) overheidshandelen niet fundamenteel ter discussie zal stellen, zal ik wel enige aandacht besteden aan (consequenties van) eigenschappen van deze systeemkeuze (paragraaf 4.2.3, 4.7, 7.4) en alternatieven adresseren (paragraaf 7.6.3, 8.3).
Bovendien zal ik hieronder voor de gedachtevorming abstraheren van het vertrouwensbeginsel als het geldende ‘systeem’. Voor de beantwoording van de centrale onderzoeksvraag is namelijk zinvol om met meer afstand te kijken naar de juridische maatstaf en relevante gezichtspunten bij voorlichtingsrisico’s. Dat draagt bij aan fiscale theorievorming.