Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/5.6.4.4
5.6.4.4 Behoefte aan een verweer in gevallen die niet door de wet zijn geregeld
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS500037:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
Het verweer wordt erkend in Rb. Haarlem 23 maart 2005, JOR 2005/261; Het verweer wordt verworpen in Rb. Rotterdam 25 juni 2008, JOR 2008/327 (G-Star International/IFN Finance). In dit laatste geval oordeelde de rechtbank dat de betaling van een koopprijs aan de cessionaris niet in mindering kan worden gebracht op het bedrag dat de cessionaris aan de vermeende debitor cessus moet terugbetalen. Ik teken aan dat de cessionaris alleen een beroep lijkt te hebben gedaan op art. 6:204 en niet ook op een ruime uitleg van art. 6:207 of op art. 6:2. Wellicht speelde hier een rol dat de cessionaris een factormaatschappij was die haar bedrijf ervan maakt om vorderingen op te kopen, waarvan niet altijd zeker is dat deze werkelijk bestaan. Men zou kunnen redeneren dat deze cessionaris rekening had behoren te houden met een verplichting tot terugbetaling. Dan zou het verweer niet mogelijk zijn geweest omdat de vermindering van de verrijking plaatsvond in de periode dat de ontvanger rekening diende te houden met een verplichting tot terugbetaling. Ik meen echter dat een dergelijke opvatting de noodzakelijke prikkel wegneemt voor een vermeende debitor cessus om te controleren of de vermeend gecedeerde vordering ook bestaat. De debitor cessus is in een veel betere positie om te controleren of een vordering bestaat dan de cessionaris. Niet de cessionaris maar de debitor cessus moet daarom het verlies worden toebedeeld.
Hoofdstuk 2, par. 2.7.2 en hoofdstuk 3, par. 3.5.5.
Par. 5.6.4.1; hoofdstuk 2, par. 2.7.2-2.7.3
Daarbij dient art. 6:208 ruim (of analogisch) te worden toegepast. Het artikel is gegeven als aanvulling op art. 6:207, in welk artikel is bepaald dat de ontvanger recht heeft op vergoeding van de gemaakte kosten. In art. 6:208 is bepaald dat een ontvanger zijn recht op compensatie voor uitgaven en schade verliest, als de presterende partij afstand doet van zijn recht op terugbetaling. Uit art. 6:208 volgt dat het verweer geen zelfstandige aanspraak geeft, maar slechts kan worden ingeroepen als de presterende partij terugbetaling vordert.
De wettelijke regeling van het verweer dat de verrijking, die is ontstaan door de ontvangst van een prestatie, is verminderd, laat veel vragen onbeantwoord. Artikel 6:204 geeft alleen een regeling voor het geval het ontvangen goed zelf beschadigd raakt of teniet gaat. De wet geeft niet expliciet een oplossing voor het geval de ontvanger een goed verkrijgt en als gevolg daarvan zijn vermogen laat verminderen door een ander goed op te geven. Artikel 6:212 lid 2 en 3 kent wel een ruim verweer tegen de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking ingeval de verrijking van de verrijkte is verminderd. In het vorige hoofdstuk bleek dat deze vordering alleen ziet op rechtsinbreuken en niet op prestaties. Kan de ontvanger van een onverschuldigde betaling een beroep doen op een vergelijkbaar verweermiddel?
Een voorbeeld maakt duidelijk waarom een ruim verweer ook voor artikel 6:203 van belang is. Stel dat grootvader A een auto schenkt aan zijn zoon B. B doet als gevolg van deze schenking zelf ook een schenking aan zijn eigen zoon C (A’s kleinzoon) ter grootte van het bedrag dat hij heeft uitgespaard doordat hij niet voor de auto hoefde te betalen, terwijl hij van plan was geweest een vergelijkbare auto te kopen. Vervolgens vernietigt A de schenkingsovereenkomst en vordert hij teruggave van de auto. Het is voor B mogelijk om de verbintenis tot teruggave na te komen zonder tekort te schieten. Echter, als B de auto zou teruggeven, zou hij in een nadeligere situatie verkeren dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de onverschuldigde betaling.
Een ander voorbeeld, dat zich in de praktijk vaker zal voordoen, is dat B geld ontvangt en zich als gevolg daarvan uitgaven veroorlooft die hij niet zou hebben gedaan zonder de ontvangst van de onverschuldigd betaalde geldsom. Wanneer B geld ontvangt, kan hij de verplichting om terug te betalen altijd nakomen, omdat de ontvanger volgens artikel 6:203 lid 2 een gelijk bedrag moet teruggeven. Een illustratie: A maakt geld over naar een bankrekening van B. B boekt een vakantie naar een duur skiressort waar hij anders niet naar toe zou zijn gegaan. Moet B een even groot bedrag terugbetalen aan A als het bedrag dat hij heeft ontvangen? Een beroep op artikel 6:204 zal B hier niet baten. Het artikel beperkt namelijk niet de aanspraak die artikel 6:203 geeft aan degene die onverschuldigd heeft betaald, maar voorkomt schadeplichtigheid wanneer nakoming zonder tekortschieten onmogelijk is. Nakoming van de verbintenis tot terugbetaling van een gelijk bedrag is echter mogelijk. Nakoming van deze verbintenis zou B in een nadeligere situatie brengen dan waarin hij zou hebben verkeerd zonder de onverschuldigde betaling.
De Hoge Raad heeft zich niet uitgelaten over het bestaan van een algemeen verweer dat kan worden gevoerd als een verrijking die het gevolg is van een prestatie die is verminderd in de periode dat de ontvanger geen rekening hoefde te houden met een verbintenis tot terugbetaling. In de lagere rechtspraak wordt over een beperking van de vordering uit onverschuldigde betaling verschillend geoordeeld, terwijl een overtuigende motivering voor de uiteenlopende beslissingen ontbreekt.1
In het Engelse en Duitse recht kan de ontvanger zich wel beroepen op een ruim verweer dat de verrijking (die het gevolg is van een prestatie) is verminderd.2 Zoals wij zagen is de ratio van het verweer volgens Birks dat als een ontvanger mocht menen tot een prestatie gerechtigd te zijn, hij moet kunnen beschikken over zijn vermogen zonder fondsen te hoeven aanhouden om onverwachte vorderingen uit onverschuldigde betaling te kunnen voldoen.3 Deze ratio geldt niet alleen in gevallen waarin een goed is ontvangen dat vervolgens in waarde is verminderd, maar geldt ook in gevallen waarin over vermogensbestanddelen is beschikt als gevolg van de ontvangst van een prestatie, zoals het geval dat geld is uitgegeven. Het betalingsverkeer moet immers soepel kunnen verlopen.
Ik stem in met Birks. Ik meen daarom dat als de vordering tot terugbetaling in geld luidt (artikel 6:203 lid 2 en 3), de aanspraak van degene die de prestatie heeft verricht moet worden beperkt met een even groot bedrag als het vermogen van de ontvanger is verminderd als hij geen rekening hoefde te houden met een verplichting tot terugbetaling. De bepaling van artikel 6:203 lid 2 dat – ingeval de ontvangen prestatie een geldsom betreft – een gelijk bedrag moet worden teruggegeven, vormt mijns inziens geen beletsel. Deze bepaling moet worden opgevat als een hoofdregel, waarop een uitzondering moet worden gemaakt als de verrijking van de ontvanger is verminderd.
Een dergelijke beperking van de aanspraak tot terugbetaling is niet mogelijk als de ontvangen prestatie een goed betreft (artikel 6:203 lid 1) en de verrijking is verminderd op een andere wijze dan doordat het goed niet meer bevindt in een ongeschonden staat in het vermogen van de ontvanger. De ontvanger kan het goed dan nog teruggeven, maar hij zou nadeel lijden als hij niet wordt gecompenseerd voor de vermindering van zijn vermogen. Ik meen daarom dat als de presterende partij in dergelijke gevallen teruggave vordert, hij het nadeel dient te compenseren door een vergoeding te betalen aan de ontvanger.4 In het hierboven besproken voorbeeld waarin A een auto schenkt aan B, schenkt B als gevolg van deze schenking op zijn beurt geld aan C. Als A de schenkingsovereenkomst met B vernietigt, kan A de auto terugvorderen van B. B zou echter nadeel lijden als hij geen compensatie krijgt voor de schenking aan C. A dient daarom een bedrag te betalen aan B dat gelijk is aan de het bedrag dat B heeft geschonken aan C.
In de volgende subparagraaf (4.6.4.5) bespreek ik de grondslagen voor dit algemene verweer, dat niet expliciet in de wet is geregeld. In paragraaf 4.6.4.6 bespreek ik de vereisten van dit verweer.