Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/6.4.2
III.6.4.2 Art. 1292 oud BW
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS623209:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. hiermee de in paragraaf 6.2 genoemde Potestativbedingung . Vgl. voorts Asser/Rutten-I 1981, p. 133 e.v. waarin is te lezen dat het Franse wetboek een onderscheid maakte tussen de volgende voorwaarden:
- 1.
‘conditions potestatives’ ofwel de potestatieve of willekeurige voorwaarde. Bijvoorbeeld: ‘indien ik wil’, of ‘indien je op reis gaat’. In het Franse wetboek was de potestatieve voorwaarde derhalve een voorwaarde waarvan de vervulling in de macht van een van beide partijen ligt.
- 2.
‘casuelles’ ofwel de toevallige voorwaarde. Bijvoorbeeld: ‘indien dit jaar een oorlog uitbreekt’. Hiervan is sprake indien de vervulling niet in de macht van de schuldeiser of schuldenaar staat.
- 3.
‘mixtes’ ofwel de gemengde voorwaarde. Bijvoorbeeld ‘indien je met mijn nicht trouwt.’ Hiervan is sprake indien de vervulling van de voorwaarde afhangt van de wil van een der partijen en van een derde tezamen.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 175. Zie ook Asser/Rutten-I 1981, p. 134.
Asser/Rutten-I 1981, p. 135.
Asser/Rutten-I 1981, p. 135-136.
Zie ook art. 6:22 BW: ‘Een opschortende voorwaarde doet de werking van de verbintenis eerst met het plaatsvinden van de gebeurtenis aanvangen; een ontbindende voorwaarde doet de verbintenis met het plaatsvinden der gebeurtenis vervallen.’
Asser/Rutten-I 1981, p. 135-136.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 2012 (6-I), nr. 176.
Zoals ik in paragraaf 6.2 opmerkte valt onder § 2065 I BGB niet een zogenoemd Potestativbedingung (zie Halding-Hoppenheit 2003, p. 59). Dat wil zeggen een voorwaarde die een gebeurtenis inhoudt waarvan het intreden mede afhankelijk is van de wil van een ander.
Art. 1292 eerste zin oud BW bepaalde dat alle verbintenissen nietig zijn, indien de vervulling ervan alleenlijk afhangt van de wil van degene die verbonden is. En voorts dat indien de verbintenis echter afhangt van een daad, waarvan de vervulling in zijne magt staat, en die daad heeft plaats gehad, de verbintenis van kracht is.1
De potestatieve voorwaarde speelde zodoende een rol in het verbintenissenrecht en bracht mee dat de werking van een verbintenis niet zuiver afhankelijk mag zijn van de wil van de schuldenaar, ofwel van degene die verbonden is. Onder de enkele wil van de schuldenaar werd overigens tevens verstaan een handeling van de schuldenaar die zo gemakkelijk kon worden verricht (bijvoorbeeld het optillen van zijn rechterarm), dat er in wezen geen verschil was met zijn enkele wil.2 Was de werking van de verbintenis daarentegen afhankelijk gesteld van de enkele wil van de schuldeiser of van een derde, dan kwam er wel een geldige voorwaardelijke verbintenis tot stand.3 Dit was op grond van art. 1292, tweede zin, oud BW eveneens het geval indien de verbintenis afhing van een daad ofwel van een gebeurtenis, waarvan de vervulling in de macht lag van degene die bij de verbintenis verbonden was.
Rutten geeft aan dat (het antwoord op) de vraag of art. 1292 oud BW slechts op de opschortende voorwaarde ziet of ook op de ontbindende voorwaarde in de literatuur betwist is.4 Zijns inziens ziet art. 1292 oud BW niet op de ontbindende voorwaarde, bijvoorbeeld ‘tenzij ik niet wil’, maar enkel op de opschortende voorwaarde, zoals ‘indien ik wil’.5 Is er sprake van een zogenoemde ontbindende potestatieve voorwaarde dan komt namelijk wel een verbintenis tot stand. Deze verbintenis vervalt dan evenwel op het moment dat de schuldenaar verklaart haar op te heffen. In het geval van een opschortende potestatieve voorwaarde komt er echter (nog) geen verbintenis tot stand. Pas op het moment dat de schuldenaar verklaart ‘te willen’ kan van een verbintenis worden gesproken. Art. 1292 oud BW verklaarde anders gezegd, volgens Rutten, enkel nietig de verbintenissen waarvan het ontstaan van de wil van de schuldenaar afhankelijk is.6 Dit uitgangspunt lijkt ook vandaag de dag met betrekking tot het leerstuk van de potestatieve voorwaarde, zoals ik hierna in paragraaf 6.4.3 zal toelichten, te worden omarmd.7
Art. 1292 eerste zin oud BW lijkt enigszins op de bepaling van het hiervoor uiteengezette § 2065 I BGB, dat verbiedt om de werking van een uiterste wilsbeschikking afhankelijk te stellen van andermans wil.8 Er zijn, zoals in de bovenstaande alinea al doorschemert, tussen beide bepalingen echter wel verschillen aan te wijzen, die ik hierna in subparagraaf 6.4.5 noem.
Geldt het verbod van art. 1292 oud BW ook in ons huidige recht?