Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.2.3.4
12.2.3.4 Conclusie ten aanzien van de rechtspraak van het EHRM
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS443824:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zoals gezegd, was in de Poolse zaken mogelijk geen sprake van schaduwschade, omdat de beoogde ontwikkeling al geconcretiseerd was in een bestemmingsplan. Als de voor de voorgenomen werken en/of activiteiten benodigde vergunningen nog niet verleend waren, was echter wel sprake van schaduwschade zoals gedefinieerd in paragraaf 12.1. In Nederland zouden de Poolse bestemmingsplannen overigens waarschijnlijk voor vernietiging in aanmerking zijn gekomen, omdat niet aannemelijk was dat de bestemming binnen de planperiode verwezenlijkt zou worden (zie bijvoorbeeld ABRvS 4 april 2012, r.o. 2.11.2-2.11.3, ECLI:NL:RVS:2012:BW0780).
Dijkshoorn trekt uit de zaak-Buczkiewicz/Polen een vergelijkbare conclusie (zie Dijkshoorn 2009, p. 102). Drupsteen betoogt bovendien dat het arrest-Sporrong en Lönnroth/ Zweden (mogelijk) steun biedt aan een recht op vergoeding van schaduwschade (zie Drupsteen 2000, p. 105-106).
Zie ook paragraaf 11.3.4 met betrekking tot directe en indirecte schade, niet zijnde schaduwschade. Dat verschil in benadering is mijns inziens uit een oogpunt van effectieve eigendomsbescherming overigens niet goed verklaarbaar en verdedigbaar.
De vraag is wat de voorgaande rechtspraak van het ehrm betekent voor de vergoeding van schaduwschade. De zaak-Allen e.a./VK had betrekking op indirecte schaduwschade en suggereert dat die niet op grond van artikel 1ep vergoed hoeft te worden. Het ehrm overwoog immers dat de Britse wetgever zijn plicht om een ‘fair balance’ tot stand te brengen niet had geschonden door alleen schadevergoeding te bieden indien de voorgenomen ontwikkeling voldoende zeker was en dat de klagers niet geprobeerd hadden hun eigendommen te verkopen zodat hun schade (waardedaling van hun eigendommen) in zoverre hypothetisch van aard was. Daarbij past wel de kanttekening dat in de zaak-Allen e.a./VK wel schadevergoeding beschikbaar was voor de eigenaren die het zwaarst door schaduwschade (‘generalised blight’) getroffen waren. De Poolse zaken en de zaak-Sporrong en Lönnroth/Zweden hadden betrekking op directe schaduwschade en suggereren dat de burger wel de mogelijkheid moet hebben om daarvoor schadevergoeding te verkrijgen of om de overheid te dwingen het perceel aan te kopen.1,2Aldus lijkt er in de rechtspraak van het ehrm een verschil in benadering te bestaan tussen indirecte schaduwschade en directe schaduwschade.3