Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/5.7.7
5.7.7 Gecodificeerde mogelijkheden tot het afzien van het opleggen van administratieve maatregelen en sancties
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397261:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
HvJEG 21 september 1983, gevoegde zaken 205/82-215/82 (Deutsche Milchkontor), Jur. EG 1983, p. 2633, r.o. 22. Zie ook HvJEG 16juli 1998, C-298/96 (Oelmtihle), Jur. 1998, p. 1-4767, NJ 1999, 491, r.o. 23; HvJEG 12 mei 1998, C-366/95 (Steff-Houlberg), Jur. 1998, p. 1-2661, NJ 1999, 300, r.o. 14; HvJEG 6 mei 1982, gevoegde zaken 146/81, 192/81 en 193/81 (BayWa), Jur. 1982, p. 1503, r.o. 30.
Zie artikel 49, vierde lid, aanhef en onder a, van de Commissieverordening nr. 612/2009 (uitvoerrestituties).
Deze uitzondering was terug te vinden in artikel 9, tweede lid, vierde alinea, van de Commissieverordening nr. 3887/92 (steunregelingen). Zie hieromtrent HvJEG 19 november 2002, C-304/00 (Strawson), Jur. 2002, p. 1-10737, r.o. 62.
Zie bijvoorbeeld artikel 48 van de Commissieverordening nr. 612/2009 (uitvoerrestituties); artikel 75 van de Commissieverordening nr. 1122/2009 (bedrijfstoeslag).
Zie artikel 48, vierde lid, aanhef en onder c, van de Commissieverordening nr. 612/2009 (uitvoerrestituties).
Zie artikel 73, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009 (bedrijfstoeslag).
Zo leidt het verstrekken van onjuiste informatie door het nationaal uitvoeringsorgaan enkel niet tot het opleggen van een sanctie, indien het nationaal uitvoeringsorgaan erkend dat van onjuiste informatie sprake is en de eindontvanger het bewijs levert dat hij op correcte wijze is uitgegaan van die informatie. Deze uitzondering was terug te vinden in artikel 9, tweede lid, vierde alinea, van de Commissieverordening nr. 3887/92 (steunregelingen). Zie hieromtrent HvJEG 19 november 2002, C-304/00 (Strawson), Jur. 2002, p.1-10737, r.o. 62.
Het begrip overmacht wordt door het Hof van Justitie zo uitgelegd dat het inhoudt dat zich abnormale en onvoorzienbare omstandigheden hebben voorgedaan, die vreemd zijn aan degene die zich erop beroept en waarvan de gevolgen in weerwil van alle mogelijke voorzorgen niet hadden kunnen worden vermeden. Veel omstandigheden behoren tot het normale handelsrisico en in veel gevallen wordt aangenomen dat de nationale ontvanger de nodige voorzorgsmaatregelen had kunnen nemen. Zie HvJEG 11 juli 2002, C-210/00 (Kaserei Champignon Hofmeister), Jur. 2002, p.1-6453, AB 2002, 392, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt, r.o. 79-80; HvJEG 9 augustus 1994, C-347/93 (Boterlux), Jur. 1994, p. 1-3933, r.o. 35 en 36; HvJEG 27 oktober 1987, 109/86 (Ioannis Theodorakis), Jur. 1987, p. 4319, r.o. 8. Er bestaat ook een mededeling van de Europese Commissie over het begrip overmacht. Deze mededeling is niet gepubliceerd.
Zie HvJEG 11 juli 2002, C-210/00 (Kaserei Champignon Hofmeister), Jur. 2002, p. 1-6453, AB 2002, 392, m.nt. A.J.C. de Moor-van Vugt, r.o. 79 e.v. HvJEG 9 augustus 1994, C-347/93 (Boterlux), Jur. 1994, p.1-3933, r.o. 34 - 37. Voor terugvorderingen die worden beheerst door het nationale recht geldt een andere jurisprudentielijn. Zie HvJEG 12 mei 1998, C-366/95 (Steff-Houlberg), Jur. 1998, p.1-2661, NJ 1999, 300. Dit arrest wordt in de volgende paragraaf besproken.
HvJEG 24 april 2008, C-143/07 (AOB Reuter), Jur. 2008, p. 1-3171, r.o. 36.
Een mooi voorbeeld van een arrest waarin de vraag aan de orde was in hoeverre een nieuwe verordening op een gepleegde onregelmatigheid van toepassing was, nu in deze nieuwe verordening was bepaald in welke gevallen kortingen en uitsluitingen niet zouden worden opgelegd, terwijl in de oude verordening een dergelijke bepaling ontbrak, biedt HvJEG 1 juli 2004, C-295/02 (Gisela Gerken), Jur. 2004, p. 1-6369.
De meeste Europese maatregelen en sancties die zijn neergelegd in de Europese landbouwsubsidieregelgeving zijn geformuleerd als gebonden bevoegdheden dan wel verplichtingen. Er bestaat voor de nationale uitvoeringsorganen derhalve geen discretionaire ruimte om van het opleggen van deze administratieve sancties en maatregelen af te zien. Deze discretionaire ruimte bestaat evenmin wanneer in de Europese subsidieregelgeving slechts is neergelegd dat de lidstaat is gehouden in geval van onregelmatigheden financiële correcties toe te passen. Hoewel de wijze waarop en het percentage dat wordt teruggevorderd aan de lidstaten wordt overgelaten, heeft het nationaal uitvoeringsorgaan geen beleidsruimte om in het geheel van terugvordering af te zien.1
In de Europese subsidieregelgeving waarin slechts een verplichting tot het toepassen van financiële correcties is neergelegd, is niet voorzien in een uitzondering op deze verplichting. De mogelijkheden om van het toepassen van financiële correcties af te zien, kunnen derhalve slechts zijn gelegen in het ongeschreven recht, zoals de beginselen van rechtszekerheid en vertrouwen en de fundamentele rechten. Daarentegen voorzien de meeste Europese landbouwsubsidieverordeningen doorgaans in een aantal uitzonderingen op de verplichting tot het opleggen van administratieve sancties en maatregelen. In de Verordening nr. 1290/2005 is in de eerste plaats de mogelijkheid neergelegd om, gelet op redenen van doelmatigheid, van terugvordering van een onverschuldigd betaalde Europese subsidie af te zien. Terugvordering is bijvoorbeeld niet vereist indien de terugvorderingskosten hoger zijn, dan het terug te vorderen bedrag. Ten tweede is in de specifieke Europese landbouwsubsidieregelgeving een aantal omstandigheden te vinden op grond waarvan van het opleggen van administratieve sancties en maatregelen moet worden afgezien. Het kan gaan om omstandigheden die zijn gelegen in de sfeer van het nationaal uitvoeringsorgaan, zoals gemaakte fouten2 en het verstrekken van onjuiste informatie,3 maar ook om omstandigheden die zijn gelegen in de sfeer van de eindontvanger van de Europese subsidie, zoals overmacht,4 vergissingen5 en afwezigheid van schuld.6 Voor het inroepen van deze omstandigheden gelden strenge voorwaarden,7 die door het Hof van Justitie doorgaans zeer strikt worden geïnterpreteerd.8 Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt bijvoorbeeld dat de eindontvanger van de Europese subsidie verantwoordelijk is voor gedragingen van derden die hij inschakelt bij het verrichten van de activiteiten waarvoor Europese subsidie is verstrekt en daarom geen sprake kan zijn van overmacht indien zich door toedoen van die derde onregelmatigheden voordoen.9 Soms oordeelt het Hof van Justitie bovendien dat het om een uitputtende opsomming gaat, die niet kan worden uitgebreid met een nieuwe, met name aan het ontbreken van verwijtbaar gedrag van de exporteur ontleende, uitsluitingsgrond.10 Er valt een tendens waar te nemen dat in steeds meer Europese landbouwsubsidieverordeningen wordt neergelegd, in welke gevallen van het opleggen van administratieve sancties en maatregelen moet worden afgezien.11