Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/3.4.1
3.4.1 Wat is implicit gender bias?
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111499:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Swapman & Belle 2014. Zie voorts het verslag op de website van BU: https://www.bu.edu/today/2014/bu-research-riddle-reveals-the-depth-of-gender-bias/. 14% van de studenten uit het onderzoek (psychologie studenten), 15% van de kinderen uit het onderzoek (7-17 jaar). Samengevoegde resultaten onderzoek 1 (vrouwelijke chirurg) en onderzoek 2 (mannelijke verpleger).
Zie meer uitgebreid: Tversky & Kahneman 1974, p. 1125; Kihlstrom 1995, p. 123 e.v.
Het onderscheid tussen gecontroleerde en ongecontroleerde informatieverwerking werd in de jaren ‘70 al gemaakt door Shiffrin & Schneider 1977. Ik beantwoord in dit hoofdstuk niet de vraag of wij verantwoordelijk zijn voor onze impliciete biases. Zie hierover meer uitgebreid: Sie & Van Voorst Vader-Bours 2016.
Zie anders: Hermanson 2017. Zie meer uitgebreid over implicit bias: Brownstein & Saul 2016.
Zie meer uitgebreid hoofdstuk 4 en 5 van deze dissertatie.
Zie voor deze discussie Brownstein & Saul 2016a, p. 7 e.v. met verwijzingen. Soms is het zowel expliciet als impliciet, bijvoorbeeld in situaties waar het eigen imago van belang is en een politiek correct antwoord relevant wordt geacht. Bijvoorbeeld: de expliciete gedachte is dat vrouwen minder goede bestuurders zijn, diegene durft dit niet expliciet toe te geven, maar de associatie (vrouw – geen goede bestuurder) zal zichzelf op het impliciete niveau openbaren. Zie ook: Webb e. a. 2012 p. 13.
Zie bijvoorbeeld: Zheng 2016, p. 62 e.v.
Zo blijkt uit onderzoek dat de sociale omgeving van invloed is op implicit biases: Lowery e.a. 2001, p. 842 e.v.
Zie ook: Webb e.a. 2012, p. 13; Brownstein & Saul 2016, p. 7. Er is ook een stroming die ‘impliciet’ gelijkstelt aan ‘onbewust’. Zie de in deze bijdrage genoemde werken van Greenwald en Banaji.
Zie hierover kritisch: Hermanson 2017, p. 6.
Zie voor andere testen de overzichtelijke bespreking van Brownstein & Saul 2016, p. 7-9.
Greenwald e.a. 1998; Webb e.a. 2012, p. 13-14. Zie meer uitgebreid over de opbouw van de test: Nosek, Greenwald & Banaji 2007, p. 266, 270-273. Zie voorts: Brownstein & Saul 2016, p. 4-7.
Fazio 1995, p. 247-282; Nosek, Greenwald & Banaji 2007.
Bertrand e.a. 2005, p. 94 e.v.
Jenen e.a. 2009, p. 19.
Bijvoorbeeld of het beroep van ingenieur, accountant en basisschoolleraar wordt gezien als ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’. Zie: White & White 2006, p. 259. In dit onderzoek was sprake van een koppeling van mannelijke en vrouwelijke namen aan woorden die impliciet zijn gekoppeld aan een bepaald beroep. Bijvoorbeeld ‘taxes’ bij accountant, ‘blueprints’ bij ingenieur en ‘children’ bij basisschoolleraar. Ook werd de deelnemers gevraagd om een expliciete rating van de beroepen op een schaal van 1 tot 7, waarbij 1 = mannelijk, 7 = vrouwelijk en 4 = neutraal. Zie p. 261 en p. 266.
Zie onder meer de discussie over de voorspelbare kracht van de IAT in: Greenwald, Banaji & Nosek 2015; Oswald e.a. 2015. Zie ook: Hahn e.a. 2013.
Hermanson 2017, p. 3 met verwijzingen.
Hermanson 2017, p. 3 met verwijzingen.
Beschouw het volgende raadsel. Een vader en een zoon rijden in een auto en krijgen een ongeluk. De vader is op slag dood. De zoon gaat per ambulance naar het ziekenhuis. De chirurg buigt zich over het slachtoffer, maar zegt niet te kunnen opereren: ‘het is mijn zoon’. Rara hoe kan dit? Een onderzoek van Boston University geeft aan dat slechts 14% respectievelijk 15% van de respondenten komt met het antwoord dat ‘de chirurg de moeder is’.1 Vaker gehoorde antwoorden waren ‘dat de zoon twee vaders heeft’ (37%), dat ‘het de stiefvader was’ of ‘de adoptief vader’, of andere alternatieve antwoorden zoals dat ‘de vader in de auto een priester is’, ‘die worden immers ook vaak Vader genoemd’ of ‘dat het allemaal een droom was’. Bij het omdraaien van het raadsel (moeder en zoon krijgen een ongeluk, verpleegkundige wil niet helpen), kwamen veel deelnemers ook niet op het resultaat dat de verpleegkundige de vader was.
Waarom is het zo lastig tot de conclusie te komen dat de chirurg een vrouw is en de verpleegkundige een man? De conclusie van het bewuste onderzoek was dat sprake is van een vooringenomenheid over welk beroep mannen en vrouwen hebben. Een chirurg is in die optiek mannelijk. Veel cognitieve processen vinden snel, automatisch en onbewust plaats.2 De uitkomsten van die processen zijn daarom niet altijd in een lijn met wat men zelf zou oordelen na het ondernemen van een bewuste, reflectieve gedachtegang. Ze kunnen biased zijn.3 Ook bij het inschatten van andere mensen en het vormen van een oordeel over hen varen wij sterk op deze automatische processen. In het kader van de selectie, benoeming en beoordeling van bestuurders en commissarissen van vennootschappen in Nederland speelt dit risico van een biased oordeel evenzeer een rol. In deze paragraaf focus ik op de gendervariant van implicit bias. In hoeverre speelt het gender van persoon A een rol bij het vormen van een oordeel door persoon B over persoon A? De onderzoeken die ik hierna behandel, tonen aan dat vrouwen anders worden beoordeeld dan mannen en dat deze andere behandeling veelal negatief uitpakt voor vrouwen. Dit is van invloed op een evenwichtige zetelverdeling op het gebied van gender in de top van Nederlandse vennootschappen en zou deels kunnen verklaren waarom in de top nog steeds geen sprake is van een evenwichtige zetelverdeling (par. 3.2) ondanks dat (gender)diversiteit wel degelijk een positief effect heeft op de vennootschap (par. 3.3 en meer specifiek par. 3.3.4).
Dat implicit (gender) bias een bestaand fenomeen is, lijkt in het algemeen niet betwijfeld te worden.4 Gegeven de context van alle onderzoeken naar implicit (gender) bias is het aannemelijk te denken dat implicit bias bestaat en effect heeft op onze gedachten en handelwijzen. Zo weten wij dat hindsight bias en confirmation bias bestaan en van invloed zijn. Bovendien gaan wij ervan uit dat indien meer tijd is voor reflectie, biases deels te corrigeren zijn.5 Wel bestaat onduidelijkheid over het precieze mechanisme dat deze biases veroorzaakt. Is dit mechanisme bovendien wel impliciet, of is het expliciet?6 Hoe ontstaat het precies? Ontstaat het bij iedereen op dezelfde manier? Een interessante vraag is bijvoorbeeld of de huidige ongelijkheid in de maatschappij mede ontstaan is door implicit bias, of dat biases die een individu ontwikkelt een gevolg zijn van hoe de huidige maatschappij is, en dat deze biases vervolgens weer worden versterkt door de maatschappij.7 Of is sprake van een wisselwerking? Is bias nature (aangeboren) of is sprake van nurture (aangeleerd)? Met de huidige stand van de wetenschap is het niet mogelijk de onduidelijkheden rond implicit biases weg te nemen in deze bijdrage. Ik veronderstel in deze bijdrage dat de achtergrond van implicit gender bias nurture is.8 Beperking van gender bias is tot op zekere hoogte mogelijk (par. 3.5).9
Onderzoeken naar implicit gender bias hebben betrekking op mannen en vrouwen in verschillende contexten, bijvoorbeeld ‘vrouwen in de wetenschap’, ‘cv-studies’, et cetera. Mij zijn geen experimenten met implicit gender bias bekend die zich specifiek op mijn targetgroep – de top van Nederlandse vennootschappen – focussen. Wel acht ik het aannemelijk dat resultaten uit andere groepen grotendeels van toepassing kunnen zijn op de groep ‘mannen en vrouwen in de top van Nederlandse vennootschappen’.10 Hypotheses krijgen bovendien kracht door de inbedding in bestaande theorieën. Dit zou anders kunnen zijn indien bij het genoemde experiment een veralgemenisering niet opgaat. Gaat een veralgemenisering niet op, dan maak ik het expliciet duidelijk. Het zou waardevol zijn als cognitiefilosofen in samenwerking met psychologen een experiment zouden opzetten naar implicit gender bias in de top van Nederlandse vennootschappen en de betrokkenen bij de selectie van deze personen – zoals headhunters.
Het ‘meten’ van implicit (gender) bias geschiedt onder meer11 door middel van de Implicit Association Test (IAT).12 Deze test meet de reactiesnelheid van een individu bij bijvoorbeeld categorisering van concepten. Combinaties van woorden die overeenkomen met de standaard stereotypes (vrouw-familie, man-werk) worden regelmatig sneller gemaakt dan de combinaties die afwijken van de standaard stereotypes. Zo blijkt uit onderzoek dat mensen sneller reageren op concepten die in het geheugen gelinkt zijn. Zij reageren sneller op woorden als ‘lui’ gevolgd op ‘zwart’ dan op ‘wit’.13 Hoe sterker iemand het verband legt tussen ‘goed’ en ‘wit’ en ‘slecht’ en ‘zwart’ hoe meer diegene geneigd is tot bijvoorbeeld discriminatie tijdens sollicitatieprocessen.14 Ook is de reactietijd bij ‘feministisch’-‘slecht’ korter dan bij ‘feministisch’-‘goed’. Dit verschil in reactietijden lijkt de conclusie te rechtvaardigen dat een impliciete negatieve bias bestaat ten opzichte van feministen.15 Met deze test kan ook stereotypering bij beroepen worden aangetoond.16
Tegenwoordig is de IAT controversieel. Kan de IAT wel adequaat vormen van gedrag voorspellen? Reactietijden vertegenwoordigen niet per se wat iemand voelt, denkt of hoe hij zich in de praktijk gedraagt. Na mijn eigen onderzoek naar IAT constateer ik dat een groot deel van de wetenschappers van mening is dat IAT stereotype-denken kan aantonen dat normaliter verborgen blijft. Er bestaat echter ook een tweeledig kritisch tegengeluid. Ten eerste: mensen zijn verbazend goed in het voorspellen van hun eigen IAT-resultaten en IAT openbaart dus geen verborgen gedachten.17 Vooral psychologen lijkten dit tegengeluid te aanvaarden.18 Ten tweede: de claims van IAT zijn niet zo algemeen als onderzoekers poneren. Sommige IATs hebben wellicht een verklaring anders dan racisme of seksisme, bijvoorbeeld dat outsiders impliciet geassocieerd worden met negatieve woorden, ongeacht hun raciale achtergrond.19 Deze kritiek steun ik niet. Als outsiders – daaronder versta ik degenen die tot een andere ‘groep’ behoren dan jijzelf behoort – vaker geassocieerd worden met negatieve woorden, is dit eveneens racisme te noemen.
Implicit gender bias uit zich onder meer in (1) androcentrisme; (2) kwaliteit als objectiviteit beschouwen; (3) een andere beoordeling van leiderschap; (4) same sex favouring; en (5) een verkeerd beeld van vrouwen door vrouwen zelf. In de volgende paragraaf ga ik hier nader op in.