De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.4.4:9.4.4 De zaak Meavita
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/9.4.4
9.4.4 De zaak Meavita
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS376982:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
OK 14 april 2010, JOR 2010/185 m.nt. Bartman (Meavita), r.o. 3.6.
De omstandigheid dat er vanaf een bepaald moment geen leden meer werkzaam zijn in de onderneming van de rechtspersoon kan wel relevant zijn voor een beperking van de periode waarover het onderzoek zal plaatsvinden, zoals ik bij de bespreking van de Friesland Vlees- beschikking schrijf in § 9.4.3.
Zie § 2.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de Meavita-beschikking doet zich een soortgelijke situatie voor als in de Friesland Vlees-beschikking. Meavita is een concern van stichtingen en BV’s die zich alle bezighouden met de verlening van zorg en thuiszorg tot dat zij failliet werden verklaard. Een verschil met Friesland Vlees is dat de verweersters in Meavita ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek hun ondernemingen hebben gestaakt waardoor bij haar geen personen, die lid zijn van vakbond Abvakabo FNV, meer werkzaam zijn. Dit keer geeft de OK wel een oordeel over de ontvankelijkheid van de vakbond. Zij overweegt dat de aard en strekking van het enquêterecht meebren gen dat aan de voorwaarde ‘werkzaam in de onderneming’ van art. 2:347 BW is voldaan indien de vakbond ten tijde van de (eventueel) te onderzoeken gedraging(en) leden telt bij de te onderzoeken rechtspersoon en dit, zoals in casu moet worden aangenomen, vanwege het faillissement van de rechtspersoon ten tijde van het indienen van het enquêteverzoek niet langer het geval is.1 Het uitgangspunt is dus dat de vakbond leden in de onderneming van de rechtspersoon heeft in de periode waarover het onderzoek zich uitstrekt. Het enquêteverzoek van AbvaKabo FNV strekt zich uit tot het verrichten van een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken vanaf 1 januari 2006. Vanaf die datum tot aan de datum van het faillissement van elke verweerster zijn er nog leden van de vakbond werkzaam bij die verweersters binnen het Meavita-concern. Het enquêteverzoek van AbvaKabo FNV is dus ontvankelijk voor zover het ziet op een onderzoek dat zich uitstrekt tot aan de datum van het faillissement.
De omstandigheid dat er vanaf een bepaald moment geen leden meer werkzaam zijn in de rechtspersoon als gevolg van het beleid dat aan het enquêteverzoek ten grondslag ligt, mag mijns inziens niet leiden tot niet-ontvankelijkheid.2 In § 3.4 concludeer ik aan de hand van de Slotervaartziekenhuis-beschikking, DA-beschikking en SNS Reaal-beschikking dat wanneer een kapitaalverschaffer als gevolg van een gebeurtenis niet langer voldoet aan de toegangsdrempel, dit niet in de weg staat aan zijn ontvankelijkheid, mits het verzoek (mede) betrekking heeft op die gebeurtenis en de verzoeker stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid omtrent die gebeurtenis. Gelet op de gelijkstelling van kapitaalverschaffers en werknemers door de Hoge Raad in de Landis-beschikking, geldt deze benadering mijns inziens ook voor een vakbond die niet langer aan art. 2:347 BW voldoet. Dit betekent dat als het enquêteverzoek (mede) betrekking heeft op de reorganisatie of de periode voorafgaand aan het faillissement en de vakbond stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid omtrent die reorganisatie of die periode, het feit dat haar leden vanaf en bepaald moment niet meer ‘werkzaam in de onderneming’ zijn niet in de weg staat aan ontvankelijkheid. Wat betreft het faillissement geldt immers dat het een gevolg is van de positie waarin de vennootschap verkeert voorafgaand aan de faillietverklaring, en die positie kan niet los worden gezien van het daaraan voorafgaande beleid binnen de vennootschap. Daarom is voor ontvankelijkheid voldoende dat de vakbond stelt dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken met betrekking tot de periode die aan het faillissement voorafgaat. De strekking van het enquêterecht brengt dan mee dat de vakbond de enquêtebevoegdheid toekomt.3 De toepassing van het enquêterecht zou in deze situaties anders illusoir worden. Kortom, is de reorganisatie of het intreden van het faillissement uiterst kwestieus dan staat het feit dat niet langer wordt voldaan aan het vereiste ‘werkzaam in de onderneming’ uit art. 2:347 BW niet in de weg aan enquêtebevoegdheid van de vakbond.