Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/8.5.2
8.5.2 Europese invloeden
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 maart 1996, NJ 1985, 525, m.nt. EEA (X en Y tegen Nederland), § 22.
EHRM 26 maart 1996, NJ 1985, 525, m.nt. EEA (X en Y tegen Nederland), § 23.
EHRM 26 maart 1996, NJ 1996, 741 (Doorson t. Nederland), § 70.
Raad van Europa, Comité van Ministers, Rec (97) 13, ‘Concerning intimidation of witnesses and the rights of the defence’ en Rec (2005) 9E, ‘On the protection of witnesses and collaborators of justice’.
Rec (2005) 9E, ‘On the protection of witnesses and collaborators of justice’.
De Europese Unie heeft ook nog een aantal resoluties uitgevaardigd met betrekking tot getuigenbescherming: Resolutie van de Raad van 23 november 1995 inzake de bescherming van getuigen in het kader van de bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit (95/C 327/04) en de Resolutie van de Raad van 20 december 1996 betreffende personen die met justitie samenwerken bij de bestrijding van de internationale georganiseerde criminaliteit (97/C 10/01).
Overeenkomstig punt 32 conclusies van de Europese Raad van Tampere.
Kaderbesluit 15 maart 2001 inzake het status van het slachtoffer in de strafprocedure (2001/ 220/JAI).
Europese Hof van Justitie 16 juni 2005 in zaak C-105/03 (Pupino), r.o. 47. De verplichting tot verdragsconforme interpretatie vindt haar grenzen in algemene rechtsbeginselen, met name in het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van non-retroactiviteit.
Ook op Europees niveau is er in toenemende mate aandacht voor de rechten van de getuige. De belangen van getuigen en slachtoffers worden gewaarborgd door het recht op eerbiediging van het privéleven neergelegd in artikel 8 EVRM. Hieronder moet mede worden verstaan ‘de lichamelijke en geestelijke (“morele”) integriteit van een persoon met inbegrip van zijn of haar seksualiteit’.1
Naast een negatieve verplichting die inhoudt dat de overheid zich moet onthouden van inbreuken op het privéleven, rust op de overheid ook een positieve verplichting. Dit laatste houdt in dat de overheid maatregelen moet treffen om het privéleven van burgers te beschermen door andere individuen te bewegen tot eerbiediging van dat recht.2 De vraag is hoe artikel 8 EVRM zijn weerslag moet vinden in de strafprocedure, in het bijzonder in relatie tot het ondervragingsrecht neergelegd in artikel 6 derde lid onder d EVRM. Het EHRM merkt hierover het volgende op.
‘It is true that Article 6 does not explicitly requires the interest of the witnesses in general and those of victims called upon to testify in particular, to be taken in consideration. However, their life, liberty or security of the person may be at stake, as may interest coming generally within the ambit of Article 8. (...) Contracting States should organize their criminal proceedings in such a way that those interests are unjustifiably imperilled.’3
De strafvorderlijke overheid dient haar strafprocedure zo in te richten dat slachtoffers en getuigen voldoende bescherming genieten. In geval van conflicterende rechten van getuige en verdediging dient in het concrete geval een belangenafweging plaats te vinden tussen het recht van de verdachte om getuigen te ondervragen en het recht van getuigen op bescherming tegen inbreuken op de persoonlijke levenssfeer.
Voortbordurend op de rechtspraak van het EHRM heeft het Comité van Ministers van de Raad van Europa in 1997 en 2005 een tweetal aanbevelingen uitgevaardigd die betrekking hebben op de bescherming van getuigen in het strafproces.4 In deze aanbevelingen worden duidelijke richtlijnen gegeven voor de bescherming van getuigen in het algemeen en bedreigde getuigen in het bijzonder. Er wordt op aangedrongen dat de lidstaten waarborgen dat getuigen vrijelijk en zonder bedreiging kunnen verklaren terwijl de rechten van de verdediging worden gerespecteerd. De Raad van Europa benadrukt in dit verband de mogelijkheden een verklaring af te leggen zonder rechtstreeks te worden geconfronteerd met de verdachte.
‘While taking into account the principle of free assessment of evidence by courts and the respect of rights of the defence, procedural law should enable the impact of intimidation on testimonies to be taken into consideration and statements made during the preliminary phase of the procedure to be allowed (and/or used) in court.
While respecting the rights of the defence, alternative methods of giving evidence which protect witnesses and collaborators of justice from intimidation resulting from face-to-face confrontation with the accused should be considered.’5
Volgens de Raad van Europa dienen getuigen in staat te worden gesteld op alternatieve wijze een verklaring af te leggen zodat confrontatie met de verdachte achterwege kan blijven. Verklaringen afgelegd in het kader van het vooronderzoek moeten als bewijs kunnen worden toegelaten.
Ook de Europese Unie heeft regelgeving uitgevaardigd die primair is gericht op de bescherming van getuigen in relatie tot de rechten van de verdediging.6 Het kaderbesluit inzake de status van het slachtoffer in de strafprocedure voorziet in een aantal maatregelen ten behoeve van een betere juridische bescherming en verdediging van hun belangen.7 Dit kaderbesluit ziet ook op het slachtoffer dat optreedt in hoedanigheid van getuige. Uit artikel 8 eerste lid van het kaderbesluit8 volgt dat lidstaten een passend niveau van bescherming moeten bieden in geval van een ernstige dreiging van wraakacties of bij sterke aanwijzingen dat de persoonlijke levenssfeer ernstig en opzettelijk zal worden aangetast. Artikel 8 voorziet tevens in een aantal procedurele maatregelen om de rechten van het slachtoffer te waarborgen. Zo dient elke lidstaat ook binnen de strafrechtelijke procedure de persoonlijke levenssfeer en de goede naam van het slachtoffer te waarborgen (lid 2) en ervoor te zorgen dat het contact tussen daders en slachtoffers in het gerechtsgebouw vermeden kan worden, tenzij dit contact in het kader van de strafprocedure noodzakelijk is (lid 3). Voor wat betreft het afleggen van verklaringen stelt het kaderbesluit nog eens nadrukkelijk het volgende.
‘Elke lidstaat waarborgt dat wanneer slachtoffers, vooral de kwetsbaarste, beschermd moeten worden tegen de gevolgen van hun verklaringen ter terechtzitting, zij op grond van een rechterlijke beslissing hun verklaringen kunnen afleggen onder omstandigheden waaronder dat doel bereikt kan worden, met behulp van elk middel dat verenigbaar is met de grondbeginselen van zijn recht.’
Dit kaderbesluit heeft geen rechtstreekse werking, maar het Europese Hof van Justitie heeft in de zaak Pupino bepaald dat de nationale rechter gehouden is het nationale recht zo veel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van het kaderbesluit.9 De Pupinozaak betrof een vervolging van een kleuterleidster wegens mishandeling van aan haar toezicht onderworpen kleuters. Na een prejudiciële verwijzing door de Italiaanse strafrechter verklaarde het Hof dat ‘de nationale rechter de mogelijkheid moet hebben om jonge kinderen die het slachtoffer zeggen te zijn van mishandeling, toe te staan hun getuigenverklaring af te leggen onder voorwaarden die hun een passende bescherming garanderen, bijvoorbeeld buiten de openbare terechtzitting om en alvorens deze plaatsvindt’.