De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/19:19 De opvatting van Parser
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/19
19 De opvatting van Parser
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS398282:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Fockema Andreae 1872; Parser 1903; Suijling 1931, § 44 en § 46; Helmich, NJB 1947, p. 165 t/m 170 en Land e.a. 1933, p. 4.
Zie over de Rechtsschutzanspruchslehre Jacobs 2005, p.103 e.v.
Parser 1903, p. 271.
Parser 1903, p. 292.
Parser 1903, p. 293.
Parser 1903, p. 4 en 5.
Parser 1903, p. 7 en 8.
Parser 1903, p. 4: ‘Is een declaratoir vonnis niet geoorloofd, dan ben ik machteloos.’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De opvatting van Von Savigny over de aard van het procesrecht vond veel steun in de Nederlandse literatuur en rechtspraak, maar er waren ook schrijvers die de opvatting van Von Savigny verwierpen.1 De meest gezaghebbende was ongetwijfeld Parser. In zijn proefschrift staat de vraag centraal of, en zo ja, onder welke voorwaarden het declaratoire vonnis is toegestaan. Dit type vonnis is volgens hem niet in strijd met de aard en het doel van het burgerlijk procesrecht. Hij onderbouwt zijn stelling met een beroep op de hiervoor besproken Duitse Rechtsschutzanspruchslehre.2 Onder het recht op een beschermingshandeling valt volgens Parser het recht op beslaglegging, het recht op faillissement, het recht op executie en het recht op vonnis. Dit laatste valt volgens Parser uiteen in een recht op een condemnatoir, constitutief en declaratoir vonnis.3 Wanneer ontstaat nu dit recht op vonnis? Dat recht ontstaat als de eiser belang heeft bij het verkrijgen van een vonnis. De aard van het belang dat eiser daarbij moet hebben, hangt af van de aard van het vonnis. Om het belang bij het vonnis te kunnen vaststellen, stelt Parser zichzelf de vraag wat partijen bereiken met de verschillende soorten vonnissen. Bij het condemnatoire vonnis is dat veroordeling van de wederpartij. Bij het constitutieve vonnis is dat de wijziging, totstandkoming of beëindiging van een rechtstoestand en bij het declaratoire de bindende vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen.4 En wanneer is nu welk type vonnis nodig? Parser komt tot de volgende conclusie:5
‘Veroordeling nu heeft men noodig wanneer een aanspraak aanwezig is. Bij de constitutieve vonnissen is de vraag naar den aard van het belang minder noodzakelijk, omdat het belang meestal ligt opgesloten in de gevolgen van het rechtsfeit, dat de wet zelf als voorwaarde voor het ontstaan van het recht op een dergelijk vonnis stelt (bv. de ge[v]olgen van kwaadwillige verlating, wanpraestatie). Met een declaratoir vonnis nu wenscht men te bereiken een constateering van den rechtstoestand, van het al of niet werken van zekere rechtsregels. Een dergelijke constateeering heeft echter alleen reden van bestaan wanneer de rechtstoestand wordt betwist, wanneer door een ander wordt beweerd, dat zekere rechtsregels die men wel toepasselijk acht niet, of andere, die men niet toepasselijk acht wel werken. Het belang is dus aanwezig ingeval de toestand wordt betwist. Immers alleen in dit het geval is het noodzakelijk stappen te doen om omtrent dat punt kracht van gewijsde zaak te verkrijgen, daar het in geschil zijn van den rechtstoestand voor dien rechtstoestand een gevaar oplevert, dat in het algemeen slechts door een declaratoir vonnis zal kunnen worden weggenomen.’
In de inleiding van zijn proefschrift noemt Parser diverse situaties waarin de eiser volgens hem belang heeft bij een declaratoir vonnis. Zo noemt Parser het geval waarin A eigenaar meent te zijn van een woning en diens buurman B dat eigendomsrecht betwist.6 Omdat A een lening onder hypothecair verband nodig heeft en die alleen krijgt als zij C (de bank) zekerheid kan geven dat zij eigenaar is van de woning, heeft A volgens Parser in dit geval belang bij een verklaring voor recht dat zij eigenaar is van de woning.7 Als A, aldus Parser, in dit geval geen verklaring voor recht zou kunnen vorderen, is zij machteloos. Zij zou moeten wachten op een revindicatievordering van B en in de tussentijd loopt zij misschien wel allerlei goede hypotheekaanbiedingen mis. Een ander geval dat Parser noemt, is het geval waarin A voornemens is een handeling te verrichten in de toekomst waarvan zij nu al weet dat B meent dat A daarmee inbreuk maakt op een recht van B. Denk aan een ex-werknemer die meent dat het nieuwe bedrijf waar hij wil gaan werken, niet binnen het bereik van het concurrentiebeding valt dat hij met de ex-werkgever is overeengekomen, terwijl de ex-werkgever al heeft aangegeven dat hij meent dat het nieuwe bedrijf wel degelijk onder de reikwijdte van het beding valt.8 Volgens Parser heeft de ex-werknemer in dit geval slechts de mogelijkheid om zekerheid te verkrijgen over de rechtsverhouding tussen hem en de ex-werkgever via het declaratoire vonnis.
Omdat in de hiervoor genoemde gevallen nog geen sprake is van schending van het recht van de respectievelijke eisers, kunnen deze eisers volgens Parser geen vordering aanhangig maken die tot een veroordelend vonnis leidt en zijn deze eisers dan ook aangewezen op het declaratoire vonnis.9 In de gevallen waarin de eiser ook een vordering kan instellen die strekt tot veroordeling van de wederpartij, heeft de eiser volgens Parser overigens ook belang bij een declaratoir vonnis. Het enkele feit dat de eiser ook de mogelijkheid van een condemnatoir vonnis heeft, doet daaraan niet af:
‘Dat de mogelijkheid tot declaratoir vonnis door die tot veroordeling wordt uitgesloten is m.i. onjuist; men bereikt met beide een verschillend doel en niets belet de partij om het meerdere te laten vallen, en het mindere te kiezen, als zoowel de voorwaarden voor het recht op declaratoir als op condemnatoir vonnis aanwezig zijn.’