De verklaring voor recht
Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/62:62 Handelwijze in het verleden versus toekomstige handelwijze
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/62
62 Handelwijze in het verleden versus toekomstige handelwijze
Documentgegevens:
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS395909:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof van Justitie van 19 april 2012, NJ 2013, 80 (Fischer/Ritrama).
HR 20 januari 1989, NJ 1989, 375 (Nijs c.s./Ciba-Geigy), m.nt. L. Wichers Hoeth.
Hof ’s-Gravenhage 22 mei 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5586.
Zie over het belang bij de vordering ex art. 3:296 BW Van Nispen 1978, nr. 100 e.v.
Rov. 4.4. Zie ook Hof ’s-Gravenhage 22 mei 2008, ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5586.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat niet evident is in hoeverre de vordering die strekt tot veroordeling tot een dulden de eiser meer biedt dan een verklaring voor recht, neemt niet weg dat uit het voorgaande blijkt dat de eiser een veroordeling tot prestatie (in de vorm van een dulden) kan vorderen als hij wil weten of zijn huidige en toekomstige handelwijze inbreuk maakt op een recht van de gedaagde. Concreet betekent dit dat zowel in het geval van Folien Fisher c.s. tegen Ritrama SpA,1 als in het geval van Nijs c.s. tegen Ciba-Geigy2 en Fikszo tegen Stokke AS3 de respectieve eisers in plaats van een verklaring voor recht een veroordeling tot een dulden op straffe van verbeurte van een dwangsom hadden kunnen vorderen.4 Als de eiser zekerheid wil krijgen over een handelwijze die hij alleen in het verleden heeft uitgevoerd en niet van plan is in de toekomst voort te zetten, kan de eiser geen veroordeling tot een dulden vorderen. Hij is dan voor zekerheid over zijn rechtspositie afhankelijk van de vordering die strekt tot een verklaring voor recht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij internationale vervoerszaken over diefstal van goederen zoals het arrest van het Arnhemse hof van 6 april 2010.5 In dat type zaken gaat het om de vraag of de vervoerder aansprakelijk is voor een diefstal van de goederen die heeft plaatsgevonden op het moment dat de vervoerder verantwoordelijk was. De opdrachtgever stelt zich op het standpunt dat de vervoerder onrechtmatig heeft gehandeld (door bijvoorbeeld onvoldoende toezicht te houden) en meent een schadevergoedingsvordering te hebben op de vervoerder. Als de vervoerder zekerheid wil krijgen over een mogelijke aanspraak van de wederpartij uit hoofde van onrechtmatige daad, kan dat slechts door te vorderen dat voor recht wordt verklaard dat de gedaagde geen aanspraak heeft op schadevergoeding.