De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.2.2:9.2.2 De zaak FCE Bank
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.2.2
9.2.2 De zaak FCE Bank
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS401131:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ FCE Bank, reeds aangehaald.
Vgl. M. Schrauwen, De vaste inrichting a contrario btw-belast, Btw Brief 2006, nr. 4, blz. 10.
Vgl. M.E. van Hilten, noot bij HvJ 23 maart 2006, zaak C-210/04, BNB 2006/184 en M.M.W.D. Merkx, De vaste inrichting in de Europese btw, WFR 2006, blz. 920 e.v.
Vgl. M. Schrauwen, a.w., blz. 9.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zaak FCE Bank1 is de enige zaak van het Hof van Justitie over de kwestie van prestaties tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting. In deze zaak gaat het om een Italiaanse nevenvestiging van de in het Verenigd Koninkrijk gevestigde FCE Bank. De hoofdvestiging van de bank in het Verenigd Koninkrijk verricht voor rekening van haar nevenvestigingen, waaronder de Italiaanse, diensten op het gebied van consultancy, management, opleiding van personeel, gegevensbehandeling en de levering en het beheer van software. De kosten van deze diensten worden verdeeld over de nevenvestigingen. Ter zake van deze doorbelasting van kosten reikt de Italiaanse nevenvestiging facturen aan zichzelf uit. De btw die was verschuldigd over deze kostendoorbelasting betaalde de Italiaanse nevenvestiging aan de Italiaanse belastingdienst. Later vraagt zij om terugbetaling van deze btw met als motivering dat zij geen eigen rechtspersoonlijkheid heeft. FCE Bank neemt in de procedure het standpunt in dat tussen haar en haar nevenvestiging FCE IT geen rechtsverhouding kan bestaan omdat zij één enkele belastingplichtige vormen. Er is geen dienst onder bezwarende titel mogelijk tussen twee in afzonderlijke lidstaten gelegen vestigingen.
Het Hof van Justitie is redelijk kort in zijn beantwoording van de prejudiciële vragen. Voordat het Hof op de vragen in gaat stelt het vast dat het een belastingplichtige betreft die binnen de Unie is gevestigd. Het is daarom niet noodzakelijk om uitspraak te doen over de situatie waarin de zetel van bedrijfsuitoefening buiten de Unie is gevestigd. Het Hof stelt vast dat een dienst pas belastbaar is wanneer tussen de dienstverrichter en ontvanger van de dienst een rechtsverhouding bestaat waarbij over en weer prestaties worden uitgewisseld. Om vast te stellen of een dergelijke rechtsverhouding bestaat, moet worden onderzocht of FCE IT een zelfstandige economische activiteit uitoefent. Het bijkantoor draagt naar het oordeel van het Hof niet het economische risico dat is verbonden aan de uitoefening van kredietverlening, zoals de niet-terugbetaling van een lening door een klant. Het is de bank als rechtspersoon die dit risico draagt en daartoe in haar lidstaat van oorsprong gecontroleerd wordt op haar financiële soliditeit en haar solvabiliteit. Als bijkantoor beschikt FCE IT immers niet over dotatiekapitaal. Derhalve is FCE IT volledig afhankelijk van FCE Bank. Hieraan wordt naar het oordeel van het Hof niet afgedaan door art. 9, eerste lid, Zesde Richtlijn. Deze bepaling stelt vast wie de belastingplichtige is met betrekking tot handelingen tussen een bijkantoor en derde partijen. Zij is dus niet relevant voor een geval als deze waar het gaat om transacties tussen een in een lidstaat gevestigde vennootschap en een van haar in een andere lidstaat gevestigde bijkantoren. Het OESO-Modelverdrag is niet relevant, omdat het betrekking heeft op directe belastingen, terwijl de btw een indirecte belasting is. Ook het bestaan van een overeenkomst over de toerekening van de kosten is niet relevant, omdat over een dergelijke overeenkomst niet is onderhandeld tussen zelfstandige partijen. Aan beantwoording van de gestelde prejudiciële vraag over de vrijheid van vestiging komt het Hof niet toe. Zodra is vastgesteld dat een nationale wetgeving of praktijk in strijd is met de Zesde Richtlijn, behoeft niet meer te worden onderzocht of zij in strijd is met de in het Verdrag neergelegde fundamentele vrijheden, zoals de vrijheid van vestiging.
Uit de zaak FCE Bank volgen naar mijn mening de volgende belangrijke punten:
Wat allereerst opvalt, is dat het Hof van Justitie zijn arrest meteen beperkt tot de beantwoording van de vraag in de situatie waarin de zetel van bedrijfsuitoefening binnen de Unie is gevestigd. De vraag is of het antwoord van het Hof anders zou luiden wanneer de zetel van bedrijfsuitoefening van FCE Bank buiten de Unie zou zijn gevestigd.2 Aan deze kwestie zal aandacht worden besteed in paragraaf 9.2.3.
Het Hof van Justitie besteedt geen aandacht aan de vraag of een vaste inrichting als ‘ieder’ en ‘persoon’ in de zin van art. 9, eerste en tweede lid, btw-richtlijn kan worden aangemerkt.3 Als de vaste inrichting niet als zodanig kan worden aangemerkt, lijkt de vraag of sprake is van een zelfstandig optreden niet relevant. Vraag hierbij is echter of het vaststellen dat iemand als ‘ieder’ en ‘persoon’ kan worden aangemerkt voor gaat op de vraag of iemand ‘zelfstandig’ is. Al deze woorden worden in één zin genoemd in art. 9, eerste lid, btw-richtlijn.
Het valt op dat ondanks het feit dat de zetel van bedrijfsuitoefening de prestatie in kwestie verricht, wordt ingegaan op de belastingplicht van de afnemer, in dit geval de vaste inrichting. De vraag is welke eisen aan een afnemer moeten worden gesteld om deze als afnemer aan te kunnen merken. Aan deze kwestie en de in de vorige bullet genoemde kwestie die hiermee samenhangt, zal aandacht worden besteed in paragraaf 9.2.4.
Doorslaggevend is dat FCE IT zelf geen economisch risico loopt. Aan andere aspecten van het begrip zelfstandigheid, zoals de in de zaak DFDS voorkomende contractuele beperkingen, wordt geen aandacht besteed. Het Hof van Justitie neemt niet de stelling in dat tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting nooit prestaties kunnen plaatsvinden. Dit doet de vraag rijzen of er ook zelfstandige vaste inrichtingen kunnen zijn.4 In paragraaf 9.2.5 zal hieraan aandacht worden besteed. In paragraaf 9.4 wordt aandacht besteed aan de situatie waarin één van de onderdelen deel uitmaakt van een fiscale eenheid. In paragraaf 7.3.3 is reeds aandacht besteed aan de vraag of tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting belastbare prestaties plaatsvinden in DFDS-situaties. Daar is deze vraag bevestigend beantwoord. Interessant is verder de vraag of vaste inrichtingen ten opzichte van elkaar zelfstandig kunnen optreden en prestaties tussen vaste inrichtingen van een ondernemer belast kunnen zijn. Ook hieraan zal aandacht worden besteed in paragraaf 9.2.5.
De Italiaanse regering, Advocaat-generaal Léger en het Hof van Justitie noemen in het kader van de procedure buiten de bepalingen van de belastingplicht andere bepalingen uit de Zesde Richtlijn op basis waarvan zou kunnen worden vastgesteld of prestaties tussen zetel van bedrijfsuitoefening en vaste inrichting belast kunnen zijn. Deze bepalingen zullen onder de loep worden genomen in paragraaf 9.2.6.