Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie
Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.3:11.3 Toepassing op interne en wettelijke aansprakelijkheid en vorm van risicoaansprakelijkheid
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/11.3
11.3 Toepassing op interne en wettelijke aansprakelijkheid en vorm van risicoaansprakelijkheid
Documentgegevens:
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS346083:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Maeijer, Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/476 en Hof Amsterdam 12 april 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:1430.
Rb. Overijsel 24 juni 2015, ECLI:NL:RBOVE:2015:3364 (2:180 BW) en Hof Amsterdam 9 februari 2016, JOR 2016/123 m.nt. S.M. Bartman (2:203 BW).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Men is altijd eensgezind geweest over het feit dat art. 2:11 BW van toepassing is op alle vormen van zogenoemde interne en wettelijke bestuurdersaansprakelijkheid. Dit kan aansprakelijkheid zijn op grond van art. 2:9 BW en art. 2:138/ 248 BW, maar ook bijvoorbeeld op grond van de artt. 2:69/180, 2:93/203lid 3, 2:98a/207a, 2:216 lid 3, 2:139/249 BW en 36 Invorderingswet.1 Waar het betreft aansprakelijkheid van de rechtspersoon-bestuurder op grond van de artt. 2:69/180 en 2:98a/207a BW, vormt art. 2:11 BW een strenge vorm van risicoaansprakelijkheid voor de bestuurders van de rechtspersoon-bestuurder, omdat deze bepalingen zelf geen disculpatiemogelijkheid kennen. De op grond van art. 2:11 BW aansprakelijke (rechtspersoon-)bestuurders kunnen zich voor die aansprakelijkheid van een rechtspersoon-bestuurder dus evenmin disculperen.2 Alle (rechtspersoon-)bestuurders van een rechtspersoon(-bestuurder) doen er dus goed aan, onafhankelijk van hun taakverdeling, om de naleving van deze bepalingen nauwlettend te volgen binnen het concern. Wanneer de onderliggende wetsbepaling waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit wel een grond tot disculpatie bevat om de aanspraak af te weren, kunnen de tweede-, derde- en vierdegraads (rechtspersoon-)bestuurders deze op een gelijke wijze inroepen als ware zij eerstegraads bestuurders. Zoals hierna zal blijken, zal dat – behoudens wanneer sprake is van belet – niet ertoe kunnen leiden dat geen enkele tweedegraads (rechtspersoon-)bestuurder aansprakelijk is. Om dat goed te begrijpen dient nogmaals stil te worden gestaan bij het begrip ‘rechtspersoonlijkheid’ en bij de bewaarnemersrol van de bestuurder.