Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.7.3
2.7.3 De behandeling van het Belastingplan 2007 in de Tweede en Eerste Kamer
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS298328:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover o.a. J.T. Sanders, Belastingplan 2007 en de wijzigingen in Wet OB 1968: hebben Wij Beatrix, , enz. enz. enz. wat te verbergen???, BTW Brief 2007, 11 [32].
Een voorbeeld van een goede en tijdige analyse is B.G. van Zadelhoff, Consumptief verbruik via de zaak en BTW, WFR 2006/1289 (dit is het WFR van 16 november 2006).
Kamerstukken II 2006/2007, 30804, nr. 3, artikelsgewijze toelichting, Artikel VIII, onderdeel H (artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968).
Hiermee is bedoeld het arrest HvJ EG 14 juli 2005, zaak C-434/03 (Charles/Charles-Tijmens), BNB 2005/284 (noot B.G. van Zadelhoff).
Zie onderdeel 1.3.2.
Bedoeld wordt het Charles/Charles-Tijmens-arrest.
Tijdens de behandeling in de Eerste en Tweede Kamer van de wijziging van art. 15, lid 1, wet zijn de gevolgen van deze wijziging weliswaar verschillende keren aan de orde geweest maar de oppervlakkigheid waarmee dit is gebeurd is verbazingwekkend.
Waarschijnlijk had dit ook te maken met tijdgebrek. In een tijdsbestek van drie maanden moest het Belastingplan 2007, waarvan de wijziging van art. 15 wet slechts een van de vele onderdelen was, door de beide Kamers worden ‘gejaagd’.1 Veel diepgang kon niet verwacht worden. Dit had echter als gevolg dat mogelijke gevolgen voor de praktijk slechts beperkt in de vakliteratuur konden worden geanalyseerd en konden worden meegenomen bij de behandeling van het wetsvoorstel.2
In de MvT op het Belastingplan 20073 wordt als toelichting op het voorstel tot wijziging van art. 15 wet het volgende opgemerkt:
In dit onderdeel wordt een aantal wijzigingen in artikel 15 van de Wet OB aangebracht, het artikel waarin de bepalingen zijn opgenomen met betrekking tot het recht van de ondernemer op aftrek van de voorbelasting. Bij de voorbelasting gaat het bijvoorbeeld om de BTW die de ondernemer door andere ondernemers in rekening is gebracht ter zake van aan hem verleende leveringen en diensten, of de BTW die de ondernemer heeft voldaan voor de invoer van voor zijn onderneming bestemde goederen. De kern van de aanpassing van artikel 15 betreft de wijziging van het eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede. Het gaat daarbij om de in het algemene deel van deze memorie aangekondigde aanpassing van het recht op aftrek. In dit verband zij het volgende opgemerkt. Uitgangspunt van het huidige artikel 15 is dat de voorbelasting door de ondernemer in aftrek kan worden gebracht op de BTW die hij zelf verschuldigd wordt, voorzover de desbetreffende goederen en diensten door de ondernemer worden gebezigd in het kader van zijn onderneming. Daarmee wijkt de Nederlandse regeling wat betreft de redactie af van de Zesde Richtlijn. In artikel 17, lid 2, van de Zesde Richtlijn is namelijk niet zo zeer een koppeling gelegd tussen het recht op aftrek van de voorbelasting en het bezigen van de desbetreffende goederen en diensten in het kader van de onderneming maar tussen het recht op aftrek van voorbelasting en het gebruik van de desbetreffende goederen en diensten voor belaste prestaties. Zoals in het algemene deel van deze memorie is aangegeven is het noodzakelijk bij deze gelegenheid de bewoordingen van de wet in dit verband nader af te stemmen op die van de Zesde Richtlijn. Door de wijziging van artikel 15, eerste lid, eerste volzin, slotzinsnede, wordt zo aan de ene kant een – overigens geringe – beperking van het recht op aftrek bereikt, doordat een einde wordt gemaakt aan de in Nederland voorkomende situatie dat ondernemers aftrek van voorbelasting kunnen genieten ter zake van handelingen die zij in het kader van hun onderneming verrichten, maar die vallen buiten het toepassingsbereik van de BTW-heffing. Verwezen zij in dit verband ook naar de slotalinea van paragraaf 6.2. van het algemene deel van deze memorie. Aan de andere kant wordt door de wijziging van genoemde slotzinsnede, ook een uitbreiding van het recht op aftrek gerealiseerd waardoor in de nieuwe opzet de voorbelasting aftrekbaar wordt ter zake van alle goederen en diensten die worden gebruikt voor de handelingen die in artikel 3, derde lid, onderdelen a en c, van de Wet OB worden gelijkgesteld met een levering onder bezwarende titel en voor de handelingen die in artikel 4, tweede lid, onderdelen a en b, van de Wet OB worden gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel. Met deze uitbreiding van het recht op aftrek van voorbelasting wordt recht gedaan aan de uitspraak in het arrest CT.4 Daarnaast wordt de redactie van het bepaalde in artikel 15, eerste lid, onderdeel c, onder 4° onderscheidenlijk onder 5°, gewijzigd. Deze wijzigingen hebben geen inhoudelijke betekenis.
Opvallend is dat in deze passage wordt gesproken over een ‘ – overigens geringe – beperking van het recht op aftrek’ waar eerder in de MvT uitdrukkelijk wordt opgemerkt dat men wel degelijk wil bereiken dat het niet langer mogelijk is om de voorbelasting af te trekken ter zake van handelingen die weliswaar ‘in het kader van de onderneming’ worden verricht maar die buiten het toepassingsbereik van de btw plaatsvinden.5 Uit de volgende passage in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II, 30 804, nr. 8) valt op te maken dat enige zelfgenoegzaamheid met betrekking tot de kwaliteit van het wetsvoorstel de staatssecretaris niet vreemd is:
In dit verband wordt voorts nog gewezen op een aantekening in Vakstudie Nieuws (van 28 september 2006) op het Belastingplan 2007, waarin wordt opgemerkt ‘De Staatssecretaris heeft ons inziens zijn tijd wel nuttig besteed. De gelegenheid is aangegrepen om de uitkomst van het arrest6 in een breder kader te plaatsen. De zeer belangrijke bepalingen inzake de levering van goederen en diensten zijn grondig bezien, langs de lat van de Zesde Richtlijn gelegd en opnieuw geredigeerd. Mogelijke procedures over een verschil tussen wet en richtlijn zijn daarmee in de kiem gesmoord.’
Het verbaast mij dat de staatssecretaris zich beroept op een anonieme (door een ambtenaar van het Ministerie van Financiën geschreven?) aantekening en daarin een conclusie trekt waarvan de juistheid maar afgewacht moet worden en die mijns inziens twijfelachtig is. De tijd zal het moeten leren, maar ik acht het zeker niet uitgesloten dat de nieuwe tekst van art. 15, lid 1, wet en met name de daarmee beoogde beperking van het aftrekrecht tot veel discussie tussen belastingplichtigen en Belastingdienst zal leiden en dus tot procedures.
Ondernemers en mensen uit de btw-praktijk, belastingambtenaren en belastingadviseurs, vragen zich af wat de gevolgen van de wetswijziging zullen zijn. Bij de behandeling van het wetsvoorstel in Eerste en Tweede Kamer is nauwelijks aandacht besteed aan de in dit onderzoek aan de orde zijnde problematiek.