Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.1:6.1 Inleiding
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/6.1
6.1 Inleiding
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS416289:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Het beginsel van eerbiediging van gerechtvaardigde verwachtingen, het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving, het beginsel van technische en financiële uitvoerbaarheid en het evenredigheidsbeginsel.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In hfdst. 4 heb ik vier materiële beginselen van behoorlijk overgangsbeleid geformuleerd die bepalend zijn voor de keuze van een werkingsregel en – eventueel – een overgangsmaatregel.1 In dit hoofdstuk komt het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving aan de orde. In par. 4.4.2 is de achtergrond van dit beginsel al besproken. Daarbij heb ik geconcludeerd dat op grond van dit beginsel dient te worden onderzocht of de beoogde werkingsregel en – indien van toepassing – de voorgestelde overgangsmaatregel(en) in overeenstemming zijn met het eigendomsrecht dat is opgenomen in art. 1 EP EVRM en het non-discriminatiebeginsel dat is opgenomen in art. 26 IVBPR, art. 14 EVRM en het Twaalfde Protocol bij het EVRM. In de uitwerking hierna beperk ik mij tot art. 26 IVBPR en art. 14 EVRM.
Het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving speelt zowel bij belastende als bij begunstigende wetswijzigingen een rol. Bij begunstigende wetswijzigingen is deze rol evenwel beperkter. Een schending van het eigendomsrecht is bij de invoering van een begunstigende regel namelijk niet mogelijk, omdat het genot van eigendom in dat geval niet wordt beperkt. Bij begunstigende wetswijzigingen blijft de toets aan het vereiste van overeenstemming met hogere regelgeving dan ook beperkt tot toetsing aan het non-discriminatiebeginsel. Het kan voorkomen dat de nieuwe – gunstigere – regel niet op alle belastingplichtigen tegelijk van toepassing wordt.
Het eigendomsrecht wordt behandeld in par. 6.2. Na de beantwoording van de vragen wat onder ‘eigendom’ wordt verstaan en wanneer sprake is van een schending van het eigendomsrecht, wordt uitgebreid ingegaan op de rechtvaardigingsgrond voor een inbreuk op dit recht. In par. 6.3 komt het non-discriminatiebeginsel aan de orde. Hierbij wordt eerst ingegaan op de vraag wanneer in overgangssituaties sprake kan zijn van gelijke of ongelijke gevallen. Vervolgens wordt besproken tot welke vormen van discriminatie een overgangsregime kan leiden. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een conclusie.