Einde inhoudsopgave
Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (FM nr. 134) 2010/2.5
2.5 Aftrek van voorbelasting in de Zesde richtlijn
dr. S.T.M. Beelen, datum 01-03-2010
- Datum
01-03-2010
- Auteur
dr. S.T.M. Beelen
- JCDI
JCDI:ADS305572:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Europees belastingrecht / Richtlijnen EU
Voetnoten
Voetnoten
De Derde richtlijn veranderde op verzoek van Italië en België de oorspronkelijke uiterste invoeringsdatum van 1 januari 1970 in 1 januari 1972; de Vierde richtlijn verlengde voor Italië de termijn tot 1 juli 1972 en ten slotte verlengde de Vijfde richtlijn de termijn voor Italië tot 1 januari 1973.
Het ontwerp voor de Zesde richtlijn, werd ingediend op 20 juni 1973 en is met de officiële toelichting gepubliceerd in P.B. 5 oktober 1973, nr. C 80; V-N 1973/18a, blz. 717 e.v.
Besluit van de Raad 70/243/EGKS, EEG, Euratom van 21 april 1970, Pb. 1970, L 94/19; zie voor de rol van de btw in de financiering van de Gemeenschap: Kapteyn-VerLoren van Themaat, Inleiding tot het recht van de Europese Gemeenschappen, vijfde geheel herziene druk, Kluwer, Deventer, 1995, blz. 213-227.
Zie voor een opsomming hiervan de considerans Zesde richtlijn.
Het voorstel is gepubliceerd in V-N 1973/18a, blz. 717.
In het gewijzigde voorstel voor art. 17, lid 2, sub a is ‘(..)voor de hem geleverde goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte diensten’ vervangen door ‘(..)voor de hem geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte of te verrichten diensten’. Het gewijzigd ontwerp voor de Zesde richtlijn van 12 augustus 1974 is gepubliceerd in P.B. 11 oktober 1974, nr. C 121, V-N 1974/23, blz. 1011.
De andere uitzonderingen betreffen (1) de voorbelasting toerekenbaar aan prestaties die in Nederland onder het nultarief vallen en in de richtlijnsystematiek zijn vrijgesteld met recht op aftrek en (2) de voorbelasting toerekenbaar aan bepaalde vrijgestelde prestaties in de financiële sfeer aan buiten de EU wonende of gevestigde afnemers en toerekenbaar aan handelingen die samenhangen met goederen die bestemd zijn om te worden uitgevoerd naar een land buiten de EU (zie hiervoor art. 17, lid 3, aanhef en onderdelen b en c).
D.B. Bijl, Het ontwerp zesde richtlijn inzake omzetbelasting I en II, WFR 1974/305 en WFR 1974/343; D.B. Bijl, Wijzigingen in het ontwerp zesde richtlijn inzake omzetbelasting, WFR 1975/119.
Ej. Bosch, Eindelijk een zesde BTW-richtlijn, WFR 1977/349; Ej. Bosch, De zesde BTW-richlijn, bijzondere regelingen, WFR 1977/584.
A.E. de Moor, Het voorstel voor een zesde richtlijn betreffende de harmonisatie van de omzetbelastingwetgevingen, I en II, MBB 1973/199 en MBB 1973/221; A. E. de Moor, Het Europees Parlement en het Economisch en Sociaal Comité over het ontwerp voor de Zesde Richtlijn BTW, I en II, MBB 1974/114 en MBB 1974/133.
J. Reugebrink, De ontwerp zesde richtlijn nader beschouwd, I en II, WFR 1974/465 en WFR 1974, nr. 5181/493.
Zie J. Reugebrink, De ontwerp zesde richtlijn nader beschouwd (II, slot), WFR 1974/493.
Waarbij ik overigens opmerk dat de richtlijnsystematiek niet helemaal zuiver was omgezet in de wet, zie noot 24 hiervoor.
Zesde richtlijn van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Stataen inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (77/388/EEG), P.B. 13 juni 1977, nr. L 145; V-N 1977/17, blz. 943 e.v.
Zie D.B. Bijl, Mariken E. van Hilten en D.G. van Vliet, Europese BTW en Nederlandse omzetbelasting, Derde geheel herziene druk, Kluwer, Deventer, 2001, blz. 304.
Zie voorstel voor een twaalfde richtlijn van de Raad betreffende harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Uitgaven waarvoor geen recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde bestaat, ingediend op 25 januari 1983 en gepubliceerd in het Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 10 februari 1983, nr. C37/8 gewijzigd als gepubliceerd in het Publikatieblad van 29 februari 1984, nr. C 56 (Ingetrokken: PbEG nr. C 2/2, 4 januari 1997, zie blz. 761) en voorstel voor een Richtlijn van de Raad tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG met betrekking tot de regeling voor het recht op aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingediend op 17 juni 1998 en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1998, 98/C 219/11, COM(1998) 377 def. – 98/0209(CNS).
Het BUA ligt echter zwaar onder vuur. Zie onder andere HR 14 november 2008, nr. 43185, BNB 2009/38 (noot B.G. van Zadelhoff) , waarin de Hoge Raad het Hof van Justitie EU vraagt of Nederland met de (handhaving van de) uitsluiting van aftrek met betrekking tot categorieën van uitgaven die worden omschreven als ‘het gelegenheid geven tot privévervoer’ voldaan heeft aan de voorwaarde een categorie van voldoende bepaalbare goederen en diensten aan te wijzen en als het antwoord of deze eerste vraag bevestigend is of art. 6, lid 2, en art. 17, leden 2 en 6, van de Zesde richtlijn ruimte bieden voor een nationale wettelijke regeling als het BUA. In aanvulling op de door de Hoge Raad gestelde vragen heeft het Hof Amsterdam (Hof Amsterdam, 19 januari 2009, nr. 07/00782 en 07/00783, V-N 2009/16.16) aan het Hof van Justitie EU gevraagd of de volgende leveringen en diensten voldoende bepaalbaar zijn: – het verstrekken van spijzen en dranken aan het personeel van de ondernemer – het geven van relatiegeschenken of het doen van andere giften aan degenen bij wie, indien aan hen ter zake omzetbelasting in rekening is of zou zijn gebracht, deze in het geheel niet of hoofdzakelijk niet voor aftrek in aanmerking komt of zou komen – het aan het personeel van de ondernemer verlenen van huisvesting – het aan het personeel van de ondernemer geven van gelegenheid tot ontspanning Inmiddels heeft A-G Mengozzi conclusie genomen (Conclusie A-G Mengozzi, 28 januari 2010, zaken C-538/08 en C-33/09 (X Beheer bv en Oracle Nederland bv), V-N 2010/10.21.
De Tweede richtlijn kende, voor zover in dit kader relevant, alleen de fictieve heffing van art. 5, lid 3, letter a (3. Met een levering onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld: a. het door een belastingplichtige aan zijn bedrijf onttrekken van een goed, dat hij voor privé-gebruik bestemt of dat hij om niet verstrekt;).
In de officiële toelichting op het ontwerp voor de Zesde richtlijn, gepubliceerd in V-N 1973/18a, blz. 717 e.v. wordt het volgende opgemerkt in de toelichting bij de fictieve levering voor privégebruik in art. 5: ‘Hetzelfde doel had bereikt kunnen worden door een herziening van de reeds eerder toegepaste aftrek, doch om redenen van belastingneutraliteit en eenvoud werd de voorkeur gegeven aan een gelijkstelling met een belastbare levering.’ A-G Léger zegt hierover in zijn conclusie van 15 juni 2006 in zaak C-72/05 (Wollny): ’98.(..) Evenals artikel 20 zijn de artikelen 6, lid 2, en 11, A, lid 1, sub c, van de Zesde richtlijn van toepassing op een situatie waarin een goed dat recht heeft gegeven op aftrek van de over de aankoop- of bouwkosten betaalde btw, vervolgens wordt bestemd voor een gebruik dat geen recht geeft op een dergelijke aftrek. Het betreft aanvullende bepalingen van de Zesde richtlijn die zien op situaties waarin een goed gemengd wordt gebruikt, dat wil zeggen zowel voor zakelijke als voor privédoeleinden.’ Het Hof van Justitie EU neemt dit over in HvJ EG, 14 september 2006, zaak C-72/05, (Wollny), V-N 2006/50.13, ro. 34: ‘Hoewel de werkingssfeer van artikel 20 van de Zesde richtlijn niet volledig overeenstemt met die van artikel 6, lid 2, eerste alinea, sub a, is het door eerstgenoemde bepaling ingevoerde systeem van herziening van de aftrek evenals laatstgenoemde bepaling van toepassing op situaties waarin een goed waarvan het gebruik recht op aftrek geeft, vervolgens wordt bestemd voor een gebruik dat geen recht op aftrek geeft (zie arrest Uudenkaupungin kaupunki, reeds aangehaald, punt 30). Zoals de advocaat-generaal in punt 98 van zijn conclusie heeft opgemerkt, heeft zowel artikel 6, lid 2, als artikel 20 van de Zesde richtlijn betrekking op situaties waarin een goed tegelijkertijd voor bedrijfs- en privédoeleinden wordt gebruikt.’
Zie hierover de volgende arresten: HvJ EG 27 juni 1989, zaak 50/88 (Kühne), FED 1990/739 (aant. D.B. Bijl); HvJ EG 25 mei 1993, zaak C-193/91 (Mohsche), FED 1995/550.
Ofschoon de invoering van een btw in veel landen een ingrijpend en moeizaam proces was (verschillende landen moesten vragen om uitstel van de uiterlijke datum waarop de btw moest zijn ingevoerd1) en ook de Belastingdiensten en het bedrijfsleven nog aan de nieuwe belasting moesten wennen, kwam de Commissie toch al weer heel snel met een voorstel voor ingrijpende wijzigingen. In juni 1973 heeft de Commissie bij de Raad een voorstel ingediend voor een Zesde richtlijn van de Raad betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake de omzetbelasting.2 Er waren enkele belangrijke redenen waarom de Commissie haast had. Op de eerste plaats hadden de lidstaten met het eerste Eigenmiddelenbesluit3 in 1970 besloten dat de Gemeenschap niet meer gefinancierd zou moeten worden uit financiële bijdragen van de lidstaten maar uit eigen middelen. Deze eigen middelen omvatten onder meer de ontvangsten uit de btw, verkregen door toepassing van een gemeenschappelijk percentage op een grondslag die op uniforme wijze volgens communautaire voorschriften moet worden vastgesteld. Dit besluit vergrootte de noodzaak om de btw snel verder te harmoniseren. Bovendien waren al spoedig na de invoering van de btw in de zes lidstaten verschillende knelpunten aan het licht gekomen waarvoor men snel een oplossing wilde.4
De hoofdregel voor de aftrek van voorbelasting verschoof van art. 11 in de Tweede richtlijn naar art. 17 in de Zesde richtlijn. Art. 17, lid 2, van het in 1973 ingediende voorstel voor een Zesde richtlijn5 luidde, na kleine een wijziging van het voorstel in 19746, als volgt:
1. (...)
2. Wanneer de goederen en diensten bestemd zijn om te worden gebruikt voor belaste werkzaamheden, is de belastingplichtige gerechtigd van de door hem verschuldigde belasting af te trekken:
a. de belasting over de toegevoegde waarde welke hem overeenkomstig artikel 23, lid 3, is gefactureerd voor de hem geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte of te verrichten diensten;
b. (...)
In de officiële toelichting op het eerste, in 1973 ingediende voorstel wordt onder art. 17, lid 2 het volgende opgemerkt:
In de eerste alinea van dit artikel, welke in grote lijnen overeenkomt met artikel 11, lid 1, van de tweede richtlijn, worden de gevallen geregeld waarin aftrek van belasting is toegestaan. Het beginsel van niet mogen aftrekken van de belasting over de toegevoegde waarde welke drukt op de goederen en diensten die worden gebruikt voor het verrichten van niet belastbare of vrijgestelde handelingen (met uitzondering van de in het buitenland verrichte handelingen en de uitvoer) werd gehandhaafd.
De toelichting lijkt ervan uit te gaan dat er ten opzichte van de Tweede richtlijn in het aftrekmechanisme niet veel wordt gewijzigd. Dit is opmerkelijk nu het voorstel voor een Zesde richtlijn toch echt lijkt te kiezen voor een ander uitgangspunt. Kort gezegd zei de Tweede richtlijn: er is aftrekrecht voor belasting die drukt op goederen en diensten voor zover die worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden; de belasting is niet aftrekbaar als de goederen en diensten worden gebruikt voor niet belastbare of vrijgestelde handelingen. Het voorstel voor een Zesde richtlijn verleent aftrekrecht voor zover de goederen en diensten bestemd zijn om te worden gebruikt voor belaste handelingen. Waar de Tweede richtlijn dus een ruim aftrekrecht verleent en vervolgens daarvan enkele categorieën voorbelasting uitsluit, beperkt het voorstel voor een Zesde richtlijn het aftrekrecht onmiddellijk tot goederen en diensten die bestemd zijn te worden gebruikt voor belaste prestaties en sluit hij aftrek uit voor goederen en diensten die gebruikt worden voor alle andere activiteiten. Op deze uitsluiting worden een aantal uitzonderingen gemaakt in art. 17, lid 3. De belangrijkste uitzondering is die welke in aftrek toelaat de belasting die drukt op goederen en diensten die worden gebruikt voor handelingen in het buitenland (en dus niet-belastbaar zijn), maar die belast zouden zijn geweest als zij in het binnenland zouden zijn verricht (art. 17, lid 3, aanhef en letter a).7 Ten opzichte van de Tweede richtlijn is dit een beperking, omdat de Tweede richtlijn in aftrek toeliet de belasting die drukte op goederen en diensten die worden gebruikt voor alle handelingen in het buitenland, dus ook voor de handelingen die vrijgesteld zouden zijn geweest als zij in het binnenland zouden zijn verricht.
Een ander verschil tussen de Tweede richtlijn en het voorstel voor een Zesde richtlijn is dat het voorstel aansluit bij de bestemming van de goederen en diensten (‘Wanneer de goederen en diensten bestemd zijn om te worden gebruikt voor belaste werkzaamheden’), terwijl art. 11, lid 1, Tweede richtlijn aansluit bij het feitelijk gebruik (‘Voor zover de goederen en diensten...worden gebruikt,...’).
Anders dan de Tweede richtlijn kende het voorstel voor een Zesde richtlijn in art. 20 een bepaling die de herziening van de aftrek regelde voor het geval dat bleek dat een belastingplichtige meer of minder voorbelasting in aftrek had gebracht dan waarop hij later recht bleek te hebben. Zo kan het bijvoorbeeld voorkomen dat aanvankelijk voor belaste prestaties bestemde goederen uiteindelijk geheel of gedeeltelijk worden gebruikt voor niet-belaste handelingen of dat voor belaste prestaties bestemde goederen niet voor belaste prestaties gebruikt kunnen worden omdat de beoogde belaste prestaties geen doorgang vinden of (bijvoorbeeld) omdat de aangeschafte goederen worden gestolen of teniet gaan. Art. 20 van het voorstel voor een Zesde richtlijn regelt de herziening als volgt (voor zover hier van belang):
1. De belastingplichtige herziet de oorspronkelijk toegepaste aftrek, indien:
a. de aftrek hoger of lager is dan die welke hij overeenkomstig art. 17, 18 en, in voorkomend geval 26, mocht toepassen;
b. (...)
c. indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het (...) bedrag van de aftrek (...). Behoorlijk bewezen of aangetoonde vernietiging, verliezen of diefstallen, (...), geven evenwel geen aanleiding tot herziening.
Dit is de enige bepaling in de Zesde richtlijn die iets zegt over de gevolgen voor het aftrekrecht als goederen (uiteindelijk) niet gebruikt worden voor belaste prestaties.
In de periode tussen indiening van het eerste voorstel voor een Zesde richtlijn en de inwerkingtreding in Nederland van de aangepaste wetgeving op 1 januari 1979 hebben verschillende schrijvers zoals Bijl8, Bosch9, De Moor10 en Reugebrink11 aandacht besteed aan de verschillende voorstellen. Opvallend is dat alleen Reugebrink bij één gelegenheid enkele woorden wijdt aan het feit dat de Zesde richtlijn voor een andere aftreksystematiek kiest dan de Tweede richtlijn.12 Dit is de enige plaats in de literatuur waar aandacht wordt besteed aan de koerswijziging in de Europese regelgeving. Reugebrink maakt geen directe vergelijking tussen de systematiek van het voorstel voor een Zesde richtlijn en van de Tweede richtlijn, maar hij vergelijkt de systematiek van het voorstel met de wetssystematiek die gebaseerd is op de Tweede richtlijn.13 Omdat hetgeen Reugebrink schrijft in het kader van dit onderzoek interessant is en het ook nog steeds actueel is, volgen hier zijn opmerkingen integraal:
De aftrek van voorbelasting kan alleen worden toegepast, indien de leveringen en diensten worden gebruikt voor belaste werkzaamheden. In Nederland bestaat verschil van inzicht over de vraag wat dient te geschieden indien een prestatie zowel onder een vrijstelling als onder een nultarief kan worden gerangschikt. Zie mijn Omzetbelasting blz. 168. In het algemeen wordt de opvatting verdedigd dat de vrijstelling voorgaat, zodat in het bedoelde geval geen aftrek kan worden toegepast. De o.r. (ontwerp richtlijn, SB) lost dit probleem op. De o.r. spreekt immers van een aftrek voor belaste werkzaamheden, terwijl de situatie waarin een in artikel 15 van de o.r. vrijgestelde prestatie tevens onder artikel 16 (het nultarief) zou vallen, onmogelijk is. Maar wat moet er nu gebeuren indien de prestatie niet belast is, omdat zij niet belastbaar is? Dat kan zich bijv. voordoen indien een prestatie in het buitenland wordt verricht. Daarop geeft art. 17, lid 3, van de o.r. antwoord en wel in die zin dat het recht op aftrek van voorbelasting blijft bestaan indien de prestatie, ware deze in het binnenland verricht, aan de heffing was onderworpen. Toch is het systeem nog niet geheel waterdicht, althans naar mijn mening. Op grond van artikel 2 van de o.r. zijn o.m. aan de heffing onderworpen: de diensten, welke in het binnenland door een belastingplichtige onder bezwarende titel worden verricht. Een dienst is elke prestatie, die geen levering is. Het komt aan de lopende band voor dat prestaties worden verricht, waarvoor geen vergoeding in rekening wordt gebracht. Wat moet er nu gebeuren indien een bepaalde dienst (werkzaamheid) niet aan het criterium van de bezwarende titel voldoet? Er is dan geen sprake van een belaste prestatie, de prestatie is immers niet belastbaar. Toch lijkt het mij voor de hand te liggen dat de aftrek van voorbelasting gewoon doorgaat; er zouden anders trouwens ook vele praktische moeilijkheden ontstaan. Maar dat kan ik niet in artikel 17 van de o.r. lezen.
De Zesde richtlijn is uiteindelijk op 17 mei 1977 vastgesteld.14 De definitieve tekst van art. 17, lid 2, luidt als volgt:
1. ...
2. Voor zover de goederen en diensten worden gebruikt voor belaste handelingen, mag de belastingplichtige van de door hem verschuldigde belasting aftrekken:
a. de belasting over de toegevoegde waarde welke in het binnenland is verschuldigd of is voldaan voor de door een andere belastingplichtige aan hem geleverde of te leveren goederen en voor de te zijnen behoeve verrichte of te verrichten diensten;
b. ...
In de definitieve tekst van art. 17, lid 2, zijn in vergelijking met het voorstel de woorden
‘(...) bestemd zijn voor gebruik voor belaste werkzaamheden,(...)’ vervangen door de woorden
‘(...) worden gebruikt voor belaste handelingen,(...)’. Over de redenen hiervoor is niets terug te vinden in enig toelichtend stuk.
In de definitieve tekst van de Zesde richtlijn is, in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel, ook de tekst van art. 20 gewijzigd. De officiële toelichting geeft geen inzicht in de redenen van de wijzigingen van het oorspronkelijke voorstel. De definitieve tekst (voor zover hier van belang) luidt als volgt:
1. De oorspronkelijk toegepaste aftrek wordt op de door de Lid-Staten vastgestelde wijze herzien, met name:
a. indien de aftrek hoger of lager is dan die welke de belastingplichtige gerechtigd was toe te passen;
b. indien zich na de aangifte wijzigingen hebben voorgedaan in de elementen die in aanmerking zijn genomen voor het bepalen van het bedrag van de aftrek (...); er vindt evenwel geen herziening plaats (...) in geval van naar behoren bewezen en aangetoonde vernietiging, verlies of diefstal, alsmede in geval van onttrekkingen voor het verstrekken van geschenken van geringe waarde en van monsters, als bedoeld in artikel 5, lid 6. De Lid-Staten kunnen evenwel herziening eisen in geval van geheel of gedeeltelijk onbetaald gebleven handelingen en van diefstal.
Bijl/Van Hilten/Van Vliet15 vinden de tekst van art. 20, lid 1, letter a, ‘op zijn zachtst gezegd niet erg duidelijk’. Met hen ga ik er van uit dat deze bepaling niet alleen betrekking heeft op gevallen waarin een goed of dienst eerst niet en later wel wordt gebruikt zij het voor doeleinden die afwijken van de aanvankelijke bestemming. De bepaling ziet ook op situaties waarin er wel direct feitelijk wordt gebruikt, maar hierin wijziging komt.
Het is ook van belang hier art. 17, lid 6, Zesde richtlijn te noemen. Dit artikellid staat lidstaten toe om elke aftrekuitsluiting te handhaven waarin hun wetgeving ten tijde van de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn voorzag, totdat er een nieuwe regeling is vastgesteld voor welke uitgaven geen recht op aftrek bestaat. Een dergelijke nieuwe regeling zou binnen vier jaar na inwerkingtreding van de Zesde richtlijn moeten zijn vastgesteld. Tot de dag van vandaag is men er nog niet in geslaagd, ondanks enkele pogingen daartoe16, om een nieuwe regeling vast te stellen. Het Bua ontleent zijn bestaansrecht aan deze ‘overgangsbepaling’.17
Ten slotte wijs ik erop dat in de Zesde richtlijn, in vergelijking met de Tweede richtlijn18, in art. 5, lid 6, en art. 6, lid 2, als nieuwe belastbare feiten een aantal fictieve heffingen introduceert, die materieel als effect hebben dat de eerdere aftrek wordt gecorrigeerd.19 Een fictieve levering op grond van art. 5, lid 6, vindt plaats in het geval een belastingplichtige aan zijn bedrijf een goed onttrekt voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of dat hij om niet verstrekt of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden bestemt. De fictieve levering vindt alleen plaats als met betrekking tot dat goed of de bestanddelen daarvan recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan.20 Met een levering van goederen onder bezwarende titel worden niet gelijkgesteld, onttrekkingen van goederen om voor bedrijfsdoeleinden te dienen als geschenken van geringe waarde of als monster.
Op grond van art. 6, lid 2, btw-richtlijn worden als fictieve diensten aangemerkt:
het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor privédoeleinden van de belastingplichtige of van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden, wanneer voor dit goed recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de btw is ontstaan;
het om niet verrichten van diensten door de belastingplichtige voor eigen privédoeleinden of voor privédoeleinden van zijn personeel, of, meer in het algemeen, voor andere dan bedrijfsdoeleinden.
De lidstaten kunnen hiervan afwijken, mits deze afwijking niet tot verstoring van de mededinging leidt.