Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.6.1
1.6.1 Rechtsvergelijking met Duitsland en België
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232471:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 2 mei 2002 (B.S. 11 december 2002), in werking getreden op 1 juli 2003 (artikel 4 Koninklijk Besluit van 2 april 2003, B.S. 6 juni 2003). Inmiddels is deze wet vervangen door het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (Wet van 23 maart 2019, B.S. 4 april 2019, in werking getreden op 1 mei 2019, Parl. St. Kamer, DOC 54 3119/001-002). Deze wet brengt geen materiële wijziging in de regeling van de stichting in België.
De Nederlandse wettelijke regeling fungeerde als inspiratiebron voor de Belgische stichting, Van Gerven 2007, nr. 255.
Feasibility Study on a European Foundation Statute. Final Report, p. 14, https://www.researchgate.net/publication/280664243_Feasibility_study_on_a_European_foundation_statute_final_report/download, ingezien op 6 juni 2019.
Mijn keuze voor rechtsvergelijking is gevallen op Duitsland en op België. De wens te vergelijken met België is te verklaren uit het gegeven dat de wetgeving op stichtingen in 2002 grondig is gemoderniseerd.1 Op het eerste gezicht lijkt de Belgische regeling sterk op de Nederlandse, al bedriegt de schijn soms.2 De wens te vergelijken met Duitsland ligt ook voor de hand. De Duitse doctrine is vaak leidend in onze streken, in het bijzonder ten aanzien van de stichting in de negentiende eeuw.3 Voorts geldt voor Duitsland dat ook daar de wettelijke regeling in 2002 ingrijpend is gewijzigd. Ook het feit dat Duitsland en België de directe buurlanden van Nederland zijn, heeft een rol gespeeld bij de keuze voor rechtsvergelijking met deze landen.
Rechtsvergelijking met België en Duitsland veronderstelt dat deze landen ook een bij dode opgerichte stichting kennen die vergelijkbaar is met de Nederlandse. Dat dit niet vanzelfsprekend is blijkt wel uit de Feasibility Study on a European Foundation Statute. Final Report, waarin men het volgende kan lezen:
‘we finally decided to regard Dutch foundations as a “special” case, which is too different from the other Member States.’4
Geldt deze ‘special case’ ook ten opzichte van de Belgische en Duitse bij dode opgerichte stichting? Van belang hierbij is dat voor zowel België (artikel 2:5 § 3 WVV) als Duitsland (§ 83 BGB in verbinding met § 80 BGB) geldt dat een stichting met rechtspersoonlijkheid bij uiterste wilsbeschikking kan worden opgericht. Maar is dit gegeven alleen voldoende om tot de keuze voor deze landen te komen? Ik ben van mening dat dit niet het geval is. Het stichtingenrecht is zowel in Nederland, Duitsland als België zo verbonden met de historische en maatschappelijke ontwikkelingen dat een diepgaander onderzoek naar de relevantie van rechtsvergelijking op zijn plaats is. Hiertoe moet worden onderzocht of sprake is van een gemeenschappelijke historische achtergrond van de stichting. Alleen als dat het geval is, is vergelijken met Duitsland en België relevant voor het onderzoek naar de Nederlandse bij dode opgerichte stichting.