Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/5.9
5.9 De ambtshalve toepassing van materieel recht, waaronder beleid
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In die zin begrijp ik ook de noot van Marseille bij ABRvS 31 januari 2007, AB 2007/251, de noot van De Waard bij ABRvS 26 maart 2008, AB 2009/3 en Pennarts, `Afbaking van het geschil door de rechter', in: Toegang tot de rechter in het bestuursrecht (2008), p. 60-63. Anders: Widdershoven, Stroink, e.a, Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep (2001), p. 178-179; De Graaf, `Bestuurs(proces)recht, AA Katern 2007/6, p. 5802; Tollenaar in zijn noot bij ABRvS 9 augustus 2006, AB 2006/366; Sillen in zijn noot bij ABRvS 6 september 2006, AB 2006/358; en Albers in haar noot bij ABRvS 9 juli 2008, JB 2008/185. Zij vatten die buitengrenzen ruim op, zodat ook de verbindendheid van algemeen verbindende voorschriften waaraan de bevoegdheid tot het nemen van een besluit is ontleend van openbare orde is. Alleen al gelet op de problematiek van het verbod van reformatio in penis kan dit laatste niet juist zijn. Zie ook CBb 1 mei 2007, JOR 2007/147, waarin het onderzoek naar de omvang van een mandaat niet als van openbare orde werd beschouwd. Mogelijk heeft het CBb zich hier laten inspireren door het Hof van Justitie. Zie HvJ EG 14 december 1988, 280/87 (Hecq). Wel van openbare orde is de vraag of het bestuursorgaan als zodanig wel bevoegd is een besluit te nemen. Zie CRvB 7 augustus 2007, J73 2007/199. Zie voor dit onderscheid ook uitdrukkelijk Rb Rotterdam 1 september 2009, LJN BJ7421. Bedacht moet overigens worden dat dit in het civiele recht anders ligt. Bepaalde materiële rechtsvragen zijn daar wel van openbare orde. Zo noemt Snijders het voorbeeld van een vordering tot nakoming van een overeenkomst tot huurmoord of overeenkomst tot vrouwenhandel die de rechter moet afwijzen ook indien door een partij geen beroep is gedaan op de feitelijke inkleuring van de overeenkomst. Zie Snijders 'Ambtshalve aanvulling van gronden van Europees recht in burgerlijke zaken herijkt', WPNR 2008/5, p. 544. Zo vreemd is dit niet: in het civiele recht speelt de partijautonomie en lijdelijkheid van de rechter een grotere rol dan in het bestuursrecht, terwijl de horizontale verhouding van partijen ook met zich brengt dat niet één van de partijen, zoals in het bestuursrecht, reeds wordt geacht het algemene belang te behartigen.
Zie letterlijk ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/189. Zie voorts Willemsen, De grenzen van de rechtsstrijd in het bestuursrechtelijk beroep en hoger beroep in rechtsvergelijkend perspectief (2005), p. 81.
ABRvS 9 juli 2008, JB 2008/185.
Zie voor deze ambtshalve exceptieve toetsing HR 10 maart 1999, BNB 1999/270; ABRvS 3 mei 2006, JB 2006/189; 5 juli 2006, Gst. 2006/117; 9 augustus 2006, AB 2006/366 en 6 september 2006, AB 2006/358. Zie echter ook: CBb 19 oktober 2007, JB 2007/236. Het ligt volgens het College op de weg van de partij die meent dat een regeling onverbindend is (wegens strijd met het verbod van willekeur) daartoe argumenten aan te dragen. Hoewel de woordkeuze in deze uitspraken niet altijd even gelukkig is, is dit verschil in benadering niet zo vreemd. De rechter kan zelf vaststellen of er een wettelijke grondslag is voor een lagere regeling en voorts is eenvoudig te controleren of het voorschrift op de juiste wijze bekend is gemaakt. De beoordeling of een lagere regeling daarentegen in strijd is met art. 3:4 lid 2 Awb vergt echter een nadere belangenafweging, zodat het veelal nodig zal zijn dat de aanlegger de daartoe benodigde munitie aandraagt, temeer nu uitgangspunt zal zijn dat niet snel sprake zal zijn van willekeur, zo leert reeds HR 16 mei 1986, NJ 1987/251 (Landbouwvliegers). Waar de Hoge Raad in HR 17 april 2009, BNB 2010/111 oordeelde dat terecht was aangevoerd dat het reglement van het hoogheemraadschap onverbindend was wegens strijd met het verbod van willekeur kwam hij in HR 17 april 2009, BNB 2010/114 ambtshalve tot eenzelfde oordeel.
ABRvS 7 februari 2007, JB 2007/58. Zie ook de ambtshalve toetsing met betrekking tot de vraag of aan een terugvorderingsbesluit een voorafgaand herzieningsbesluit ten grondslag ligt (CRvB 30 juli 1999, RSV 1999/286 en 19 juni 2001, RSV 2001/207).
Vergelijk ABRvS 8 augustus 1996, AB 1996/481 (Schaap/Zaanstad) en 19 oktober 1998, AB 1999/163.
Zie Widdershoven, Stroink, e.a., Algemeen bestuursrecht 2001: hoger beroep (2001), p. 172 en 182.
Bijvoorbeeld ABRvS 20 juni 2007, AB 2007/231.
Zo is de Afdeling in sommige gevallen nogal zuinig (ABRvS 2 april 2003, JB 2003/129 en 21 april 2004, AB 2004/379), terwijl in andere gevallen wel ruimte bestaat voor het aanvullen van rechtsgronden (ABRvS 28 oktober 2004, JB 2004/397 en 4 juli 2007, I1NBA8684). Zie ook Nijmeijer, 'Het bestemmingsplan en de bouwvergunning. Een niet-ambtshalve door de bestuursrechter te toetsen relatie', JBplus 2004/3.
ABRvS 8 augustus 1996, AB 1996/481 (Schaap/Zaanstad). Wel een punt van kritiek zal zijn dat de rechtbank de strijdigheid met het bestemmingsplan niet ter zitting aan de orde had gesteld en aldus sprake is van een verrassingsuitspraak. Voor een meer beperkte lezing van deze uitspraak zie Verburg, De bestuursrechtelijke uitspraak en het denkmodel dat daaraan ten grondslag ligt 2008). Volgens Verburg dient gelet op de parlementaire geschiedenis hetgeen na beroepschrift volgt in art. 8:69 lid 1 Awb bijna fluisterend te worden gelezen (p. 103). Deze uitspraak van de Afdeling ziet volgens hem dan ook op het meenemen van het bestemmingsplan omdat hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt als noodzakelijke voorwaarde fungeert voor de toetsing van de beroepsgrond ter zake van de redelijke eisen van welstand nu de welstandstoets steeds moet passen binnen hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt (p. 123).
Zo begrijp ik ook CBb 17 mei 2005, AB 2005/282.
Noot bij HvJ EG 13 juli 2006, AB 2006/404 (Manfredi).
Zie ook de prejudiciële vraag van CBb 9 november 2006, AB 2007/67.
HvJ EG 7 juni 2007, AB 2007/228 (Van der Weerd).
Inmiddels heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 6 Mededingingswet niet van openbare orde is (HR 16 januari 2009, AB 2009/52). Het gelijkwaardigheidsbeginsel dicteert aldus niet dat art. 81 EG door de nationale rechter als kwestie van openbare orde ambtshalve wordt meegenomen.
HvJ EG 25 november 2008, AB 2009/14 (Heemskerk en Schaap).
HvJ EG 4 juni 2009, AB 2009/273 (T-Mobile), par. 49.
Zie mijn commentaar in de paragraaf inzake de ambtshalve toetsing in hoofdstuk 3.
Moeilijk te doorgronden acht ik dan ook CRvB 6 januari 2009, JB 2009/65, waarin werd geoordeeld dat de rechtbank terecht de ter zitting aangevoerde grief dat bij de toepassing van art. 54 lid 4 WWB sprake was van een excessief formalisme als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM als tardief terzijde had geschoven.
In HR 22 april 2005, JB 2005/166 wordt weliswaar gesproken van een ambtshalve beoordeling van de vraag of de redelijke termijn in acht is genomen door het bestuur en de rechter, maar daarmee is nog geenszins de vraag beantwoord of dit een kwestie van openbare orde is. Duidelijk in ontkennende zin moet worden begrepen ABRvS 17 februari 2010, LJN BL4163. In par. 2.8.2 van deze uitspraak, die betrekking heeft op een bestuurlijke boete, overweegt de Afdeling dat nu [appellante] na heropening van het onderzoek niet over een overschrijding van de redelijke termijn heeft geklaagd, hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid was, de rechtbank niet gehouden was te toetsen of hiervan sprake was.
Zie in dit verband ook CRvB 29 november 2007, USZ 2008/36. Voor zover bij het ontbreken van een expliciet verzoek om toepassing van art. 8:73 Awb niettemin schadevergoeding werd toegekend wegens te trage besluitvorming of — door analoge toepassing van die bepaling — wegens te trage rechtspraak ging het uitdrukkelijk om het aanvullen van rechtsgronden. Zie ABRvS 4 juni 2008, AB 2008/229 en 24 december 2008, AB 2009/213.
Zie ook paragraaf 5.13 verderop.
HR 13 september 1994, NJ 1995/31.
ABRvS 25 januari 2004,AB 2004/286; 2 juli 2004, NA V2004/202 en 27 oktober 2008, AB 2009/193.
Rb Rotterdam 18 maart 2008, JOR 2008/160. Zie voorts in die zin Happé, 'Vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel en het beleidsmatig handelen van de Belastingdienst', NTB 2005/6, p. 42; Bn5ring, Rationele 'willekeur'. Enkele opmerkingen over discretionaire boetebevoegdheden (2005), p. 4-5 en Tollenaar, 'Het is maar wat je bijzonder noemt. Rechterlijke toetsing aan beleid en gedragsregels', JBplus 2006/4, p. 178.
Zie voor dit laatste ook Crommelin, Het aanvullen van de rechtsgronden (2007), p. 377-378.
Zo oordeelde de Afdeling rechtspraak dat de beperkingen om het eigen land te verlaten welke voortvloeiden uit de Paspoortinstructie Nederland 1952 golden als `provided by law' in de zin van art. 12 IVBPR. Zie ARRvS 10 januari 1983, AB 1983/306.
Zie de in mijn noot bij CRvB 14 oktober 2005, RSV 2006/31 genoemde jurisprudentie inzake de toetsing aan beleidsregels inzake herziening. Zie voorts CRvB 28 januari 2007, RSV2007/158 waarin ambtshalve aan ongepubliceerd beleid wordt getoetst.
Zie Stijnen, 'De betrouwbaarheidstoetsing van bestuurders van financiële instellingen door de AFM en DNB', FR 2007/1-2, p. 21.
Ondermeer HR 14 april 1999, BNB 1999/309; 10 augustus 2001, BNB 2001/361 en 10 februari 2006, BNB 2006/206. Feteris stelt hierbij de vraag of de HR die ambtshalve toetsing als een plicht of een discretionaire bevoegdheid beschouwd. Zie Feteris, Formeel belastingrecht (2007), p. 440. Zie in dit verband voorts art. 29e lid 2 AWR, dat de Hoge Raad als hoogste belastingrechter de bevoegdheid biedt de uitspraak op andere gronden, dus ambtshalve, te vernietigen. Die bevoegdheid is zeker geen uitbreiding ten opzichte van art. 8:69 Awb, want de Hoge Raad reageert in beginsel slechts op aangedragen cassatiemiddelen, terwijl art. 8:69 lid 2 Awb de bestuursrechter verplicht ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen.
Vergelijk met art. 79 lid 2 Wet RO.
Een dergelijke ambtshalve aanvulling van de feiten en/of het recht heeft niet enkel plaats in het voordeel van de belanghebbende. Zo overwoog de Rb Rotterdam 9 december 2010, LJN B07259 dat haar ambtshalve bekend was dat de AFM in een aantal andere zaken eveneens tot een negatief betrouwbaarheidsoordeel was gekomen op grond van vergelijkbare antecedenten, zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagde.
Zo heb ik ook betoogd in mijn noot bij Vzr CRvB 8 augustus 2005, RSV 2005/268. Zie voorts Crommelin, Het aanvullen van de rechtsgronden (2007), p.398-399.
Zie de overwegingen over het karakter van de na-aanmeldingstermijn in Rb Rotterdam 11 oktober 2005, JOR 2005/300 (Isotis), welke uitspraak is bevestigd door CBb 12 september 2006,AB 2007/330 (Isotis). Zie voorts met betrekking tot de doorwerking van een bestuurlijk rechtsoordeel ter zake van de kwalificatie van een financieel product CBb 6 september 2007, JOR 2007/48 (GoodWood) en 4 mei 2009, JOR 2009/228 (tussenpersoon GoodWood).
Rb Rotterdam 11 oktober 2005, JOR 2006/13 (Borderline). Deze uitspraak is bevestigd met CBb 30 januari 2007, JOR 2007/72 (Borderline).
CBb 3 september 2003, LJN AL8124.
Zoals uit het vorenstaande volgt kunnen materiële bepalingen, met uitzondering van die bepalingen die raken aan de kern van de bevoegdheid van het bestuur en derhalve aan het besluitbegrip zelf, niet worden aangemerkt als bepalingen van openbare orde.1 Niettemin dient de rechter binnen de omvang van het geding zelfstandig vast te stellen welk recht van toepassing is.2 Het betreft aldus de zelfstandige toepassing en interpretatie van het toepasselijke recht (art. 8:69 lid 2 Awb) op het door partijen afgebakende geding (art. 8:69 lid 1 Awb).
Zo overwoog de Afdeling op 9 juli 2008: 'De rechtbank is niet buiten de omvang van het geding getreden door in het licht van het bepaalde in het derde lid van artikel 4.1.2.5. van de APV te beoordelen of de [Wet geluidhinder] van toepassing is. De rechtbank heeft aldus, overeenkomstig artikel 8:69, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht ambtshalve de rechtsgronden aangevuld. De rechter bepaalt aan de hand van welke rechtsregels het aan hem voorgelegde geschil moet worden beslecht en wat die rechtsregels inhouden. Daarbij is hij niet gebonden aan enige door partijen naar voren gebrachte rechtsopvatting, ook niet indien deze door alle partijen wordt gedeeld.'3
Het komt met enige regelmaat voor dat de bestuursrechter ambtshalve de vraag naar de verbindendheid van het algemeen verbindende voorschrift waarop het bestreden besluit is gestoeld opwerpt.4 Ook beoordeelt hij ambtshalve op welk voorschrift het bestreden besluit rust.5 In deze gevallen gaat het om niets anders dan de toepassing van het objectieve recht binnen de feitelijke grondslag van het geding, derhalve om het ambtshalve aanvullen van de rechtsgronden. De aanlegger vordert immers de vernietiging van het bestreden besluit met een beroep op de onrechtmatigheid van dat besluit. Bij de toetsing van bouwvergunningen aan planvoorschriften is door de Afdeling in het verleden wel afwisselend gesproken van ambtshalve toetsing en aanvulling van rechtsgronden.6 Hierdoor kon verwarring ontstaan of de vraag of het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan nu wel of niet een openbare ordekwestie is.7 Inmiddels is hier meer duidelijkheid over: het betreft geen kwestie van openbare orde.8 Deze duidelijkheid heeft echter gelijk weer een nieuwe vraag opgeworpen, namelijk hoe ver de rechter hier mag en moet gaan met het aanvullen van de rechtsgronden door aan niet door partijen aangevoerde planvoorschriften te toetsen. Daaromtrent is de Afdeling wisselvallig.9 Een duidelijke keuze voor terugkeer naar Schaap/Zaanstad zou mij welkom zijn.
Ik citeer het hier meest relevante deel van die uitspraak: 'De Afdeling wijst er in de eerste plaats op dat, anders dan appellanten menen, niet uitsluitend het beroepschrift bepalend is voor de omvang van het geschil. Gelet op art. 8:69 eerste lid voornoemd, zijn tevens relevant de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Hoewel Schaap in zijn beroepschrift noch overigens uitdrukkelijk strijd met het bestemmingsplan heeft aangevoerd en dit punt door de rechtbank niet ter zitting aan de orde is gesteld, is de Afdeling van oordeel dat, waar de handhaving van een verleende bouwvergunning is bestreden, de toetsing van het bouwplan aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan niet achterwege kan blijven. Het betreft hier immers een in art. 44 Woningwet opgenomen dwingende weigeringsgrond. De rechtbank heeft dan ook terecht onderzocht of het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan en aldus in overeenstemming met het tweede lid van art. 8:69 Awb de rechtsgronden aangevuld.'10
Waar het gaat om EU-kwesties zie ik geen aanleiding om tot een andere duiding te komen. Ook dan zal de rechter binnen de feitelijke grondslag van het geding ambtshalve de juiste rechtsregels toe dienen te passen 11 Met Widdershoven12 kan worden gesteld dat van de bestuursrechter niet kan worden verwacht dat die geheel los van de stellingen van partijen zelfstandig feitenonderzoek doet naar verboden kartelvorming of misbruik van een machtspositie en dat het alleszins in de rede ligt dat de ambtshalve toetsing waarop het Hof van Justitie in de Manfredi-uitspraak doelt, vertaalt naar de Nederlandse theorievorming rond dit begrip, niet meer behelst dan de reeds binnen ons systeem geldende verplichte ambtshalve aanvulling van rechtsgronden binnen het door partijen gestelde feitensubstraat.13 Inmiddels heeft het Hof van Justitie in de casus Van der Weerd14 geoordeeld dat het Gemeenschapsrecht de nationale rechter niet verplicht om in een procedure als die in de hoofdgedingen ambtshalve te toetsen aan gronden ontleend aan bepalingen van Gemeenschapsrecht. De beperking van de bevoegdheid van de nationale rechter tot ambtshalve toetsing aan regels van openbare orde werd niet strijdig geacht met het gelijkwaardigheids- en doeltreffendheidsbeginsel.15 Voorts heeft het Hof van Justitie in de zaak Heemskerk en Schaap16 geoordeeld dat het Gemeenschapsrecht de nationale rechter er niet toe kan verplichten een communautaire bepaling ambtshalve toe te passen indien een dergelijke toepassing ertoe zou leiden dat het in het nationale bestuursrecht neergelegde verbod van reformatio in peius wordt doorbroken. In zijn noot bij die uitspraak merkt Widdershoven terecht op dat honorering van het verbod van reformatio in peius wellicht niet alleen samenhangt met Europese rechtsbeginselen als het verdedigings-, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, maar ook met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. In de zaak T-Mobile17 heeft het Hof van Justitie echter weer teruggegrepen naar enkele oude uitspraken door ten overvloede te overwegen dat art. 81 EG een voor de vervulling van de taken van de Europese Gemeenschap onontbeerlijke bepaling van openbare orde is die door de nationale rechter ambtshalve moet worden toegepast. Die overweging is op geen enkele wijze te rijmen met de op dit punt veel principiëlere uitspraken Van der Weerd en Heemskerk en Schaap waarin juist uitdrukkelijk onderscheid werd gemaakt tussen de vraag naar de toegang tot de rechter en materiële rechtsvragen. Het arrest inzake T-Mobile kan ik derhalve niet ten volle serieus nemen waar het gaat om de definiëring van openbare ordekwesties die ambtshalve moeten worden ingebracht door de bestuursrechter.18
Met betrekking tot ieder verbindende bepalingen in mensenrechtenverdragen geldt eveneens dat die niet vallen onder het hier gehanteerde openbare ordebegrip. Met betrekking tot die verdragsbepalingen heeft evenzeer te gelden dat de bestuursrechter die dient toe te passen door de rechtsgronden aan te vullen.19 Een uitzondering vormen verdragsrechtelijke waarborgen ter zake van de toegang tot de rechter, die ook in het nationale bestuursrecht zijn neergelegd. Die zijn wel van openbare orde, zo zagen we in de vorige paragraaf. De redelijke termijn in de zin van art. 6 lid 1 EVRM is daar niet als kwestie van openbare orde genoemd. Dit is geen omissie. Barkhuysen en Van Ettekoven stellen dat niet duidelijk is of de ambtshalve toetsing aan de redelijke termijn in punitieve zaken plaatsvindt omdat de redelijke termijn een kwestie van openbare orde is, dan wel bij wege van aanvullen van rechtsgronden.20 Hoewel op zich zou kunnen worden verdedigd dat de redelijke termijn wel van openbare orde is omdat de toegang tot de rechter binnen een redelijke termijn immers een procedurele kwestie is die ook raakt aan de toegang tot de rechter zelf, moet worden geconstateerd dat de bestuursrechter inzake de redelijke termijn nog nimmer expliciet heeft geoordeeld dat dit een kwestie van openbare orde is,21 terwijl dit wel is gebeurd bij andere kwesties die zien op de toegang tot de rechter en de eis van een fair trial. Als de redelijke termijn niettemin van openbare orde zou zijn, dan zou dit problemen opleveren in het niet-punitieve bestuursrecht, want art. 8:73 Awb spreekt van een verzoek om schadevergoeding.22 Bovendien impliceert de (ambtshalve) matiging van de boete door de bestuursrechter wegens overschrijding van de redelijke termijn dat de oorspronkelijke sanctie vanwege tijdverloop niet langer redelijk is. In boetezaken functioneert de redelijke termijn dan ook als een aanvullende evenredigheidstoets, die materieel van aard is net als de grondslag van de boeteoplegging zelf. Ik houd het er dan ook op dat het in boetezaken gaat om de ambtshalve aanvulling van rechtsgronden tegen de in geschil zijnde boete.23
Een aparte categorie vormen beleidsregels. De eerste vraag is of zij feiten betreffen of het recht. En de tweede vraag is die naar de ambtshalve toetsing in het licht van art. 8:69 lid 2 en lid 3 Awb. In navolging van een eerder arrest waarin beleidsregels als recht werden gekwalificeerd, overwoog de Hoge Raad in zijn uitspraak van 13 september 1994 met betrekking tot een vervolgingsrichtlijn van het OM:
`De regels die zijn vervat in de onder 6.2 genoemde richtlijn moeten worden beschouwd als "recht" in de zin van art. 99 Wet RO (vgl HR 19 juni 1990, NJ 1991, 119). Gelet op de aard van die richtlijn, waarvan kenmerkend is dat zij niet kan gelden als een algemeen verbindend voorschrift omdat zij niet krachtens enige wetgevende bevoegdheid is gegeven, en met name ook gelet op de grondslag waarop zij het openbaar ministerie bindt — te weten het vertrouwen dat een verdachte daaraan onder omstandigheden kan ontlenen — is de rechter evenwel niet tot ambtshalve toepassing ervan gehouden (vgl. HR 28 maart 1990, NJ1991, 118)' 24
Beleidsregels betreffen volgens de in dit citaat genoemde arresten aldus recht (in de zin van thans art. 79 Wet RO), maar er dient door de rechter niet ambtshalve te worden getoetst of het bestuur conform diens beleid heeft gehandeld. De Afdeling heeft zich op het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 1990 beroepen in haar oordeel dat beleidsregels, zoals de Vreemdelingencirculaire, die niet krachtens enige wettelijke bevoegdheid tot regelgeving zijn vastgesteld, niet aan te merken zijn als recht als bedoeld in art. 8:69 lid 2 Awb.25 Hier ontstaat aldus de paradox dat beleidsregels wel recht vormen, maar geen recht waarop het aanvullen van rechtsgronden betrekking kan hebben. Ik denk dat dit geen houdbaar uitgangspunt is. Onderscheidend criterium voor de ambtshalve toepassing lijkt me niet of er een algemeen verbindend voorschrift voorligt. De Hoge Raad plaatst in het hiervoor aangehaalde citaat dan ook ten onrechte de toetsing aan beleid binnen de sleutel van het vertrouwensbeginsel. Het gaat hier namelijk bovenal om het rechtszekerheids- en het gelijkheidsbeginsel.26 Ingeval van een vaste gedragsregel of een gepubliceerde beleidsregel gaat het erom dat het bestuur net als ingeval van een algemeen verbindend voorschrift het beleid in alle (gelijke) gevallen (op gelijke wijze) toepast. Die gedachte is ook gecodificeerd in art. 4:84 Awb.27 Daar komt nog bij dat een beleidsregel verdragsrechtelijk ook door kan gaan als law.28De Centrale Raad van Beroep29 en het College van Beroep voor het bedrijfsleven30 toetsen dan ook terecht wel zelfstandig aan het beleid van het bestuursorgaan. Ook de Hoge Raad heeft inmiddels meermaals in cassatie ambtshalve de toepassing van beleidsregels aan de orde gesteld.31 Wel speelt hier natuurlijk een rol dat de rechter alleen dan beleid in zijn beoordeling kan betrekken indien hij daarvan op de hoogte is.32 Binnen de feitelijke grondslag van het geding zal veelal eerst ambtshalve een beleidsregel of gedragslijn van een bestuursorgaan in de beoordeling worden betrokken nadat de rechter in een eerdere zaak op dat beleid is geattendeerd. De ambtshalve toetsing aan het beleid heeft dan plaats aan de hand van raadpleging van eerdere uitspraken die de rechter heeft gedaan.33 Zo lijkt het er ook op dat indien eenmaal een opgeworpen rechtsvraag door de rechter is beantwoord, hij die rechtsregel bij een volgende casus ambtshalve toepast, dus los van hetgeen partijen aanvoeren.34
Indien het bestuur meent zijn beleidsregel te volgen, maar daar zelf een onjuiste uitleg aan geeft zal de rechter de juiste uitleg van de beleidsregel aan het bestuur tegenwerpen, ongeacht of de aanlegger hier een voorzet voor geeft. Waar het bestuur met het beleid een onjuiste invulling geeft aan een wettelijke norm zal de rechter die uitleg uiteraard niet volgen. Niettemin kan een mogelijk verkeerde wetsuitleg of -toepassing ertoe leiden dat aldus een gedragslijn ontstaat die er toe leidt dat het bestuur in bepaalde gevallen slechts kan handhaven conform dat beleid.35 Waar bij sanctiebesluiten expliciet een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt gedaan is dat echter vaak met het oog op de door de belanghebbende beoogde regeluitleg. Het argument is dan dat het bestuursorgaan in eerdere gelijke gevallen niet aannam dat sprake was van een overtreding en het thans derhalve evenmin tot het oordeel mag komen dat sprake is van een overtreding. Nu de rechter ambtshalve het recht toepast is dit argument niet relevant bij de uitleg van het voorschrift. Daar het gelijkheidsbeginsel wel van invloed kan zijn op de vraag of het bestuur nog in redelijkheid tot handhaving kon overgaan, ligt het in de rede dat de rechter deze beroepsgrond toetst in het licht van de gebruikmaking van de handhavingsbevoegdheid.36 Indien strijdigheid met het gelijkheidsbeginsel overigens niet als zodanig is aangevoerd, maar daarvan wel sprake is, staat niets er aan in de weg dat de rechter dit zelf vaststelt en de rechtsgronden aanvullend daaraan toetst.37